← België

Arrest 161226 - - 11/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.226 Rolnummer: A. 65782/X-9520 Zaak: Arrest 161226 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-01 00:27 Fiche Arrest nr 161.226 van 11 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.226 van 11 juli 2006 in de zaak A. 65.782/X-9520. In zake : de nv SEAFLOWER, die woonplaats kiest bij Advocaat R. ASCRAWAT, kantoor houdende te 8630 VEURNE, Kaaiplaats 10 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de nv SEAFLOWER op 28 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 juni 1995 van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming tot bescherming van een aantal gebouwen in De Panne als monument en van de oudste verkaveling van De Panne als stadsgezicht; Gelet op het arrest nr. 111.685 van 18 oktober 2002 waarbij de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 28 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9520-1/8 Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DECLERCQ die loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat verzoekende partij nalaat aan te tonen dat het bevoegde orgaan van de verzoekende vennootschap een rechtsgeldige beslissing nam tot het instellen van het beroep, dat verzoekende partij nalaat te vermelden door wie zij ter zake wordt vertegenwoordigd als rechtspersoon, dat bij gebreke aan een rechts- geldige beslissing van het bevoegde orgaan van de vennootschap, het beroep onontvankelijk is; Overwegende dat blijkens artikel 16, sub littera B "Extern Bestuur", van de door de verzoekende partij overgelegde statuten van 8 februari 1992 , "onverminderd de algemene vertegenwoordigingsmacht toegekend aan de raad van bestuur als college, hetzij de gedelegeerde bestuurder, hetzij twee bestuurders, collegiaal optredend, bevoegd (zijn) om de vennootschap in de handelingen en in rechte te vertegenwoordigen"; dat zodoende de bevoegdheid om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen wordt toegekend aan drie verschillende entiteiten; dat in overeenstemming met artikel 522, § 2, van het wetboek van vennootschappen, de statuten aldus aan de "gedelegeerde bestuurder" de bevoegdheid verlenen om alleen de vennootschap te vertegenwoordigen; dat uit de overgelegde statuten blijkt dat mevrouw I. RABAEY op 8 februari 1992 voor een duur van zes jaar werd benoemd tot gedelegeerde bestuurder; dat zij rechtsgeldig namens de verzoekende vennootschap heeft kunnen beslissen tot het instellen van het voorliggende beroep; dat de exceptie ongegrond is; X-9520-2/8 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden dat verzoekende partij enkel belang heeft bij een gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit, "inzover de gebouwen aan de Zeelaan 95 en 117 opgenomen werden in het bestreden besluit"; dat zij eraan toevoegt dat de verzoekende partij in elk geval geen belang heeft bij het vorderen van de nietigverklaring van de als monument beschermde onroerende goederen; Overwegende dat de voorgaande exceptie wezenlijk de vraag doet rijzen of, indien het beroep gegrond wordt bevonden, de nietigverklaring van het bestreden besluit geheel of slechts gedeeltelijk moet zijn; dat het bestreden besluit van 9 juni 1995 een dubbel voorwerp heeft, m.n. enerzijds de bescherming als monument van een aantal gebouwen van De Panne, en anderzijds de bescherming als stadsgezicht van de oudste verkaveling van De Panne; dat de verzoekende partij eigenares is van gebouwen aan de Zeelaan 95 en 117, die gelegen zijn in het stadsgezicht en die, luidens het bestreden besluit, gebouwen zijn met een uitzicht dat typisch is voor De Panne en dat er mede het karakter van bepaalt en die te behouden zijn in hun algemeen uitzicht en voorkomen; dat het bestreden besluit inzake de bescherming van het stadsgezicht bepaalt dat de oudste verkaveling van De Panne als stadsgezicht wordt beschermd omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en de sociaal-culturele waarde - meer bepaald de architectuur-historische en stedenbouwkundige waarde - als zijnde "een gaaf bewaard urbanistisch model uit het einde van de 19de eeuw (

  1. en)een interessant ensemble van 'vrijetijdsarchitectuur' waarvan de architecturaal waardevolle gebouwen een uitzicht hebben dat typisch is voor De Panne en er mede het karakter van bepalen"; dat derhalve de bescherming van het stadsgezicht is opgevat als één ondeelbaar geheel; dat het onttrekken uit dit geheel van percelen of van gebiedsdelen, door de vernietiging te beperken tot die percelen waarop de verzoekende partij een eigendomsrecht heeft, de algemene economie van het stadsgezicht dat dit geheel moet beheersen, zou aantasten; dat derhalve het bestreden besluit in zoverre het de oudste verkaveling als stadsgezicht beschermt, ondeelbaar is en derhalve, in voorkomend geval, in zijn geheel dient te worden vernietigd; dat de verzoekende partij als houder van zakelijke rechten gelegen in het beheersingsgebied van het dorpsgezicht, dan ook belang heeft bij deze algehele vernietiging van het stadsgezicht; dat de exceptie in die mate niet gegrond is; dat evenwel de bescherming van enkele gebouwen als monument "omwille van het algemeen belang (...) als zijnde de laatste exemplaren van vooroorlogse en interbellumarchitectuur op de Zeedijk" geen ondeelbaar geheel uitmaakt met de bescherming van het stadsgezicht waarbinnen de aan de verzoekende partijen X-9520-3/8 toebehorende gebouwen liggen; dat de exceptie derhalve gegrond is in de mate dat de verwerende partij doet gelden dat de verzoekende partij "geen belang (heeft) bij het vorderen van de nietigverklaring van de als monument beschermde onroerende goederen"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat ze de door de verzoekende partij aan de griffie van de Raad van State op 6 september 2005 aangetekend verzonden brief "niet (kan) interpreteren als een regelmatig verzoek tot voortzetting" in de zin van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in voornoemde brief de verzoekende partij doet gelden dat "(wij) voor het overige (....) ons verzoekschrift tot annulatie (bevestigen) waarin wij integraal volharden"; dat de term "volharden" in zijn gewone betekenis erop wijst dat voet bij stuk wordt gehouden bij wat eerder een aanvang heeft genomen; dat uit de libellering van de geciteerde passus van voornoemde brief de uitdrukkelijke wens van de verzoekende partij blijkt om, nadat in het auditoraats- verslag tot de verwerping van het beroep werd geconcludeerd, het geding voort te zetten; dat voornoemde brief dient gelezen te worden als een regelmatig verzoek tot voortzetting in de zin van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wat de toepassing uitsluit van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; dat de exceptie niet opgaat; Overwegende dat verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van artikel 5, §1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat zij uiteenzet wat volgt: "In het voorontwerp van lijst van 22 november 1992 (worden) als mogelijk op te leggen erfdienstbaarheden beschouwd: '1. De beschikkingen van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en stads- en dorpsgezichten'. ' 2. De beeldbepalende gebouwen zoals aangeduid op bijgaand plan, met een uitzicht dat typisch is voor De Panne en dat mede het karakter bepaalt, moeten in de toekomst behouden blijven in hun algemeen uitzicht en voorkomen. Verbouwingswerken dienen gedacht in termen van renovatie en herstel.' In het aangevochten besluit zijn de erfdienstbaarheden echter aanzienlijk verruimd. De eigenaar van een goed moet verwittigd worden dat zijn eigendom mede het voorwerp kan uitmaken van het voorontwerp van lijst en welke X-9520-4/8 erfdienstbaarheden mogelijk zijn. Tegen dit voorontwerp met deze erfdienstbaarheden kan hij zijn bezwaar kenbaar maken. (art. 5 par. 2, 3/) De erfdienstbaarheden kunnen niet verzwaard worden tussen het voorontwerp en het ontwerp, aangezien de mogelijke erfdienstbaarheden reeds in het voorontwerp moeten worden aangegeven. Aangezien de erfdienstbaarheden verzwaard werden in het ontwerp van rangschikking is het aangevochten besluit ongeldig. De erfdienstbaarheden werden inderdaad behoorlijk verzwaard (....)"; dat zij voorts uiteenzet op welke wijze deze "erfdienstbaarheden" werden verzwaard; Overwegende dat artikel 5, § 1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat op 27 november 1992 het ministerieel besluit houdende vaststelling van het voorontwerp van lijst werd vastgesteld, bepaalde wat volgt: "De Minister legt per gemeente één of meer voorontwerpen van lijst van de voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten aan en vervolledigt deze. Deze voorontwerpen van lijst bevatten de mogelijk op te leggen erfdienstbaarheden"; dat artikel 5, § 2, eerste lid, 3/, van hetzelfde decreet op hetzelfde ogenblik bepaalde wat volgt: "De voorontwerpen van lijst worden door de Minister gelijktijdig: (...) 3/ bij ter post aangetekende brief betekend aan de erop vermelde eigenaars en vruchtgebruikers van monumenten. Zowel bij de publicatie als bij de betekening wordt uitdrukkelijk vermeld de einddatum van de termijn gedurende welke bij het betrokken gemeentebestuur opmerkingen en bezwaren kunnen worden ingediend. De termijn van het openbaar onderzoek bedraagt dertig dagen"; Overwegende dat artikel 11, §1, van voornoemd decreet van 3 maart 1976, bepaalt wat volgt: "De eigenaars en vruchtgebruikers van een beschermd monument of van een in een beschermd stads- of dorpsgezicht gelegen onroerend goed, zijn ertoe gehouden, door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het in goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen"; dat uit de samenlezing van voornoemde bepalingen blijkt dat de in artikel 5, § 2, eerste lid, 3/, van hetzelfde decreet bedoelde voorontwerpen van lijst worden onderworpen aan een openbaar onderzoek; dat de betreffende eigenaars en de zakelijk gerechtigden gedurende de periode van het openbaar onderzoek bezwaren X-9520-5/8 of opmerkingen in verband met het voorontwerp ter kennis kunnen brengen bij het betrokken gemeentebestuur en dat de bevoegde overheden zich over de ingediende bewaren en opmerkingen dienen uit te spreken; dat deze openbaarmaking is voorgeschreven, eensdeels, om degenen die bezwaren zouden hebben tegen de gebeurlijke bescherming de mogelijkheid te bieden hun bezwaren en opmerkingen te doen gelden, anderdeels, aan de bevoegde overheden de nodige inlichtingen en gegevens te verstrekken opdat zij met kennis van zaken zouden kunnen oordelen; dat de formaliteit van het openbaar onderzoek een substantiële pleegvorm is; dat die substantiële pleegvorm wordt miskend indien, na het openbaar onderzoek, een aangepast ontwerp van lijst wordt opgemaakt dat verder niet aan de formaliteit van het openbaar onderzoek is onderworpen en dat als grondslag dient voor het beschermingsbesluit; dat de verplichting om de voorontwerpen van lijst aan een openbaar onderzoek te onderwerpen mede slaat op de instandhoudings- en onderhoudsverplichtingen die de overheid voornemens is aan de eigenaars en de houders van zakelijke rechten op te leggen; dat die verplichtingen met andere woorden reeds in de voorontwerpen van lijst vermeld moeten worden; Overwegende dat het voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten sub littera C.1 als "mogelijk op te leggen erfdienstbaarheden" "de beschikkingen van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en stads- en dorpsgezichten" vermeldt ; dat zowel het ontwerp van lijst als het bestreden besluit bepalen dat met het oog op de bescherming "de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten" van toepassing zijn; Overwegende dat voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 zwaardere verplichtingen oplegt aan verzoekende partij dan voornoemd koninklijk besluit van 6 december 1976; dat te dezen de verzoekende partij verwijst naar de beperkingen inzake het aanbrengen van publiciteit, het gebruik van verfsoorten, het buitenschrijnwerk en de beglaasde elementen (zie de artikelen 3,2/, 3,8/, 3,9/ en 3,10/, van het besluit van 17 november 1993); dat niet wordt betwist dat de verzoekende partij, als eigenares, geen aanvullend bezwaar heeft kunnen formuleren tegen het opleggen van de verplichtingen die voortvloeien uit voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 zoals dit voor het eerst werd aangehaald in voornoemd ontwerp van lijst; X-9520-6/8 Overwegende dat om de aangehaalde redenen de verzoekende partij terecht betoogt dat de erfdienstbaarheden op onregelmatige wijze zijn verzwaard, in vergelijking tot het voorontwerp; dat het middel in zoverre gegrond is; BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 9 juni 1995 van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming tot bescherming van een aantal gebouwen in De Panne als monument en van de oudste verkaveling van De Panne als stadsgezicht, in zoverre het de oudste verkaveling van De Panne zoals nader afgebakend in de bijlage bij het voornoemd besluit als stadsgezicht beschermt. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest wordt bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-9520-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9520-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.226 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.111.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.