id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.228 Rolnummer: A. 66010/X-9403 Zaak: Arrest 161228 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 00:27 Fiche Arrest nr 161.228 van 11 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.228 van 11 juli 2006 in de zaak A. 66.010/X-
- In zake : Maria LAUWERS, wonende te 8660 DE PANNE, Zeedijk 47 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria LAUWERS op 19 oktober 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming van 9 juni 1995 houdende bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, voor zover dit besluit het gebouw "Poupette", gelegen te De Panne, Zeedijk 47, op een perceel kadastraal bekend 2de afdeling, sectie E, nr. 680a (deel) als monument beschermt, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 augustus 1995; Gelet op het arrest nr. 137.152 van 9 november 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid wordt gelast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 28 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig uitgewisselde laatste memories; X-9403-1/6 Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. GOVAERT die loco Advocaat R. BOSSUYT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. DECLERCQ die loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekster een eerste middel afleidt uit de onbevoegdheid van de steller van het bestreden besluit, doordat dit is genomen "in extremis" door een ontslagnemend minister nauwelijks enkele dagen vóór de installatie van een nieuwe Vlaamse regering, dat dit besluit geenszins kan aanzien worden als een "lopende zaak", terwijl de bevoegdheid van de ontslagnemende regering beperkt blijkt tot de lopende zaken; dat zij toelicht dat de definitieve bescherming als monument of dorpsgezicht van een groot gedeelte van de gemeente De Panne niet kan worden gezien als een zaak van dagelijks bestuur, mede gelet op de ingrijpende gevolgen ten aanzien van de vermogenssituatie van de betrokken eigenaars; dat zij doet gelden dat de procedure overigens kennelijk met overhaasting is afgewerkt, "allicht mede omwille van de voor Uw Raad aanhangige procedures"; Overwegende dat het bestreden besluit van 9 juni 1995 van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming tot voorwerp heeft de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten; dat bij dit besluit onder meer het gebouw genaamd "Poupette", gelegen te De Panne, Zeedijk 47, kadastraal bekend sectie E, nr. 680a (deel), als monument wordt beschermd; Overwegende dat, na de ontbinding van de Wetgevende Kamers -en meteen ook van de gemeenschaps- en gewestraden- op 12 april 1995 en de rechtstreekse verkiezingen voor de Vlaamse Raad op 21 mei 1995, op 13 juni 1995 de Vlaamse Raad is geïnstalleerd (Parl. Hand., Vl. R. 13 juni 1995, nr. 1, 18) en op X-9403-2/6 20 juni 1995 de nieuwe Vlaamse regering is samengesteld (Parl. Hand., Vl. R., 20 juni 1995, nr. 2, 39); dat het bestreden besluit derhalve is genomen in de periode tussen de ontbinding van de Wetgevende Kamers en de gemeenschaps- en gewest- raden en het constitueren van de nieuwe rechtstreeks verkozen Vlaamse Raad, tijdens dewelke de bevoegdheden van de Vlaamse regering beperkingen dienen te ondergaan wegens het wegvallen van de parlementaire controle; dat zulks impliceert dat voor de wettigheid van het thans bestreden besluit vereist is dat het kan worden ingepast in die beperkte bevoegdheid; dat het bestreden besluit weliswaar niet als een loutere handeling van dagelijks bestuur kan worden aangemerkt, doch dat het evenmin kan worden geacht een zaak van algemeen politiek belang te zijn die een dermate belangrijke beleidskeuze inhoudt dat daarover alleen kan worden beslist door een regering die de steun van een meerderheid in de Vlaamse Raad heeft; dat uit de door de verwerende partij in de memorie van antwoord geschetste ontstaans-geschiedenis blijkt dat de beschermingsprocedure werd ingezet met een motiverings-nota van 11 september 1992, dat het voorontwerp van lijst dateert van 27 november 1992, dat de Provinciale Commissie voor monumenten en landschappen op 31 maart 1993 advies heeft verleend, dat het openbaar onderzoek is afgesloten op 17 mei 1994, dat bij besluit van 12 oktober 1994 het ontwerp van lijst is vastgesteld en dat het op 31 januari 1995 is betekend, dat de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen op 2 februari 1995 advies heeft uitgebracht en dat het bestreden besluit is genomen op 9 juni 1995; dat derhalve de procedure is gestart geruime tijd vóór de periode van de "lopende zaken"; dat het procedureel verloop niet aantoont dat de procedure overhaast werd gevoerd; dat het bestreden besluit geen belangrijke en nieuwe beleidskeuzes inhoudt; dat het bestreden besluit derhalve kan worden ingepast in de bevoegdheid welke de Vlaamse regering moet worden geacht te hebben behouden tot op het ogenblik dat de vernieuwde Vlaamse Raad een nieuwe Vlaamse regering heeft aangewezen; dat de omstandigheid dat de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen reeds op 2 februari 1995 advies heeft uitgebracht terwijl het ontwerp van lijst pas op 1 februari 1995 is betekend, terzake niet dienend is daar er geen enkele band van opeenvolging bestaat tussen beide handelingen en dit inzonderheid er niet op wijst dat de procedure overhaast werd gevoerd; dat ook het gegeven dat -zoals de verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt- de minister in dezelfde tijdspanne heel wat beschermings- besluiten heeft genomen, op zich geen overhaasting aantoont; dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster een tweede middel afleidt uit machtsoverschrijding, de schending van de artikelen 2, 2/ en 4/, en 5 van het decreet X-9403-3/6 van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en de schending van het redelijkheidsbeginsel, doordat het kwestieuze gebouw geen enkele specifieke bouwkundige of andere sociaal-culturele waarde heeft; dat zij in haar toelichting erkent dat de Vlaamse regering terzake een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft die ze evenwel in redelijkheid moet uitoefenenen, dat wanneer blijkt dat de genomen beslissing niet wordt gedragen door de rechtens vereiste feitelijke grondslag en kennelijk onredelijk is, de Raad van State tot vernietiging zal overgaan, dat dit in casu het geval is, dat het betrokken gebouw kennelijk geen artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde heeft, dat het overigens is gelegen op de zeedijk in een zone die bepaald en beheerst wordt door hoogbouw, dat in die omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gesteld dat het betrokken gebouw als "monument" binnen de "oudste verkaveling gebaseerd op aanlegplan van 1902-1904" moet worden opgenomen; Overwegende dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidsonderzoek niet vermag zijn beoordeling van de feiten, in casu de kwalificatie van het gebouw "La Poupette" als monument, in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur; dat hij enkel bevoegd is na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekster haar kritiek terzake beperkt tot de in het middel aangehaalde blote beweringen; dat gelet op het marginale toezicht terzake, deze weliswaar blijk geven van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de beslissende overheid, maar dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat het bevoegde bestuur in verband met de beoordeling van het gebouw als monument, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat de verzoekster niet aantoont dat het bevoegde bestuur bij de beoordeling van het gebouw als monument, de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden; dat het tweede middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster in ondergeschikte orde een vierde middel steunt op de "schending van substantiële vormvoorschriften en van de X-9403-4/6 uitdrukkelijke motiveringsplicht", doordat de in het bestreden besluit opgenomen motivering geenszins aanduidt waarom, ten aanzien van de eigendom van de verzoekster, het gemotiveerd negatief advies van het gemeentebestuur niet is gevolgd, terwijl artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat een bestuurshandeling uitdrukkelijk moet gemotiveerd worden, enerzijds, en de verplichting tot het inwinnen van het advies van het gemeentebestuur, neergelegd in artikel 5, § 2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, impliceert dat in het besluit de redenen worden opgenomen op grond waarvan dat advies niet wordt gevolgd, anderzijds; Overwegende dat wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, zij, om te voldoen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden waarop het gesteund is; dat deze formele motiveringseis de administratieve overheid er niet toe verplicht in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht; dat het middel in zoverre het aanklaagt dat in het bestreden besluit geen redenen worden opgegeven waarom het negatief advies van de gemeente niet wordt gevolgd, niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord, na gesteld te hebben dat ze zich gedraagt naar de wijsheid van de Raad in zoverre het middel de schending inroept van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, doet gelden dat zij het middel handhaaft in zoverre het steunt op de schending van artikel 5, § 2, van het hiervóór aangehaalde decreet van 3 maart 1976, "m.a.w. (...) te weten dat de verplichting tot het inwinnen van een advies impliceert dat dit advies ook nog wordt onderzocht en beantwoord"; dat zij doet gelden dat het "zgn. antwoord op het bezwaar van het College van burgemeester en schepenen van De Panne (...) niets meer (bevat) dan (een) vage fraseologie"; dat zodoende dit "handhaven" wezenlijk neerkomt op een nieuw middel, minstens een uitbreiding van het middel; dat dit al eerder, in het verzoekschrift, kon zijn aangevoerd, terwijl het niet van openbare orde is; dat de bedoelde grief onontvankelijk is; dat het vierde middel ongegrond is; Overwegende dat de verzoekster in een vijfde middel de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht aanvoert, doordat het bestreden besluit uitdrukkelijk steunt op het advies van de Koninklijke Commissie voor monumenten X-9403-5/6 en landschappen, terwijl dit advies niet aan het bestreden besluit is toegevoegd en er geen deel van uitmaakt, terwijl de genoemde wet van 29 juli 1991 vergt dat de uitdrukkelijke motivering alle feitelijke en juridische gegevens bevat; Overwegende dat, zoals de Raad van State reeds heeft overwogen in het arrest nr. 137.152 van 9 november 2004, de in het bestreden besluit opgegeven motieven voldoen aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat in deze omstandigheden de formele motiveringseis niet inhoudt dat het advies van de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen diende te worden toegevoegd aan het besluit; dat het middel ongegrond is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9403-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.228 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.