id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.251 Rolnummer: A. 92676/X-9594 Zaak: Arrest 161251 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 00:36 Fiche Arrest nr 161.251 van 11 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.251 van 11 juli 2006 in de zaak A. 92.676/X-
- In zake :
- Baudouin dELLA FAILLE d'HUYSSE,
- Jacqueline DE HANSCUTTER, die woonplaats kiezen bij Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen :
- de stad ZOTTEGEM,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : Wim BAEYENS, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DAEM, kantoor houdende te 1731 ZELLIK, Noorderlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Baudouin dELLA FAILLE d'HUYSSE en Jacqueline DE HANSCUTTER op 15 juli 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 januari 1999 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem waarbij aan Wim BAEYENS de bouwvergunning wordt verleend strekkende "tot de regularisatie uitbreiding gebouwen en opslagruimten" gelegen te Zottegem, Buke 136, kadastraal bekend onder 3de afdeling, sectie A, nr. 124z2 ; Gelet op het arrest nr. 91.274 van 4 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-9594-1/6 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 januari 2001 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 februari 2001 ingediend door Wim BAEYENS; Gelet op de beschikking van 14 maart 2001 die de tussenkomst van Wim BAEYENS toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij; Gezien de toelichtende memorie; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 22 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LIPPENS die loco Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat L. HAUBRECHTS die loco Advocaat W. DAEM verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; X-9594-2/6 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de tussenkomende partij op 14 augustus 1996 een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning met betrekking tot een perceel gelegen te Zottegem (Leeuwergem), Buke 136, kadastraal bekend onder 3de afdeling, sectie A, nr. 124z2, strekkende tot het bouwen van een opslagplaats en tot het uitbreiden van een woning; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem bij besluit van 21 oktober 1996 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat, op vordering van o.m. de huidige verzoekers, de Raad van State bij arrest nr. 72.214 van 4 maart 1998 (verbeterd bij arrest nr. 77.995 van 6 januari 1999) de schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld besluit van 21 oktober 1996 heeft bevolen, en bij arrest nr. 83.778 van 1 december 1999 dat besluit heeft vernietigd; dat de tussenkomende partij ondertussen, op 23 juni 1998, een nieuwe aanvraag heeft ingediend, strekkende tot het verkrijgen van een regularisatievergunning voor de inmiddels uitgevoerde werken; dat de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies heeft gegeven; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 6 januari 1999 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep;
- Overwegende dat de tussenkomende partij onder meer een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit de laattijdigheid van het beroep; dat zij aanvoert dat de tweede verzoekster sinds de ontvangst van een schrijven van het college van burgemeester en schepenen van 28 februari 2000, waarin melding gemaakt werd van de afgifte van de bestreden vergunning op 6 januari 1999, op de hoogte was van het bestaan van de vergunning, zodat het op 16 juni 2000 ingediende annulatieberoep manifest laattijdig is; dat de tussenkomende partij voorts aanvoert dat de eerste verzoeker niet zou kunnen beweren geen kennis gehad te hebben van de bestreden beslissing, nu blijkt dat hij en de tweede verzoekster samen reeds verscheidene gedingen m.b.t. de bouwvergunning en de milieuvergunning van de tussenkomende partij gevoerd hebben; Overwegende dat stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor een derde X-9594-3/6 belanghebbende de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen ingaat met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning; dat die dag is, hetzij de dag waarop de derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning, door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van zijn inzagerecht; (dat in de eerste hypothese niet vereist is dat de derde kennis heeft van de precieze inhoud van de vergunning); Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat, in antwoord op een vraag van de tweede verzoekster om informatie met betrekking tot de wettigheid van de inrichting geëxploiteerd door de tussenkomende partij, het College van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem op 28 februari 2000 liet weten dat de tussenkomende partij over een aantal bouwvergunningen beschikte, waaronder een "bouwvergunning voor regularisatie uitbreiding gebouwen en opslagruimten van 6 januari 1999"; dat de tweede verzoekster het college bij schrijven van 3 april 2000 vroeg om haar te laten weten wanneer en op welke wijze die laatste vergunning, zijnde de thans bestreden vergunning, was bekendgemaakt, en zij tevens om een afschrift van die vergunning vroeg; dat het college op 19 april 2000 verwees naar de regeling i.v.m. de aanplakking van verleende vergunningen, en de tweede verzoekster een kopie van de bestreden vergunning bezorgde; Overwegende dat de tweede verzoekster aldus op het ogenblik van de ontvangst van het schrijven van 28 februari 2000 kennis kreeg van het feit dat een stedenbouwkundige vergunning was afgegeven, met precisering dat het ging om een regularisatievergunning voor "uitbreiding gebouwen en opslagruimten"; dat zij m.a.w. op dat ogenblik kennis kreeg van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning; dat de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te stellen bijgevolg op dat ogenblik is beginnen lopen; dat het beroep tot nietigverklaring is ingesteld op 15 juni 2000, d.i. meer dan 60 dagen nadat de verzoekster ingevolge de ontvangst van het schrijven van 28 februari 2000 kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat het beroep tot nietigverklaring laattijdig is; dat de exceptie van onontvankelijkheid ten aanzien van de tweede verzoekster gegrond is; Overwegende dat de eerste verzoeker niet aangeeft wanneer hij kennis gekregen heeft van het bestaan van de bestreden vergunning; dat hij zich ertoe X-9594-4/6 beperkt in het verzoekschrift te stellen dat hij op het ogenblik van het indienen ervan "nog steeds niet op de hoogte (was) gesteld van (de bestreden) vergunning"; dat, zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, de eerste en de tweede verzoeker tot dan steeds gezamenlijk beroepen hebben ingesteld, samen met een of meer andere verzoekers, tegen besluiten die te maken hebben met de opslagplaats van de tussenkomende partij, met name tegen een milieuvergunning (zaak A. 73.780, die aanleiding gegeven heeft tot de arresten nr. 67.205 van 30 juni 1997 en nr. 121.006 van 26 juni 2003) en tegen de eerste bouwvergunning (zaak A. 74.088, die aanleiding gegeven heeft tot de genoemde arresten van 4 maart 1998 en 1 december 1999); dat het in die omstandigheden onwaarschijnlijk is dat de eerste verzoeker door de tweede verzoekster niet onmiddellijk op de hoogte zou zijn gebracht van de inhoud van het schrijven van het college van 28 februari 2000; dat dit laatste schrijven overigens ook melding maakt van de weerslag van de bestreden stedenbouwkundige vergunning op de milieuvergunning, die op dat ogenblik nog steeds het voorwerp uitmaakte van het genoemde, ook door de eerste verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring; dat de aangehaalde feiten het vermoeden opleveren dat ook de eerste verzoeker kort na 28 februari 2000 op de hoogte was van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden vergunning; dat de verzoekers overigens in hun laatste memorie wel ingaan op de exceptie van onontvankelijkheid, maar dat zij noch in die memorie, noch in enig ander procedurestuk enige duidelijkheid verschaffen over de omstandigheden waarin de eerste verzoeker kennis gekregen heeft van de bestreden vergunning; dat de exceptie van onontvankelijkheid ook ten aanzien van hem gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-9594-5/6 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9594-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.251 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.