← België

Arrest 161254 - - 11/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.254 Rolnummer: Zaak: Arrest 161254 - - 11/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 00:37 Fiche Arrest nr 161.254 van 11 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.254 van 11 juli 2006 in de zaken A. 95.050/XII-

  1. A. 95.051/XII-
  2. In zake : Jeanine DENYS, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de STAD BRUGGE. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jeanine Denys op 30 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij haar negatieve evaluatie als vast benoemd leraar verbonden aan de stedelijke Academie voor Schone Kunsten/DKO wordt behouden (zaak A.95.050); Gezien het verzoekschrift dat Jeanine Denys op 30 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij haar negatieve evaluatie als tijdelijk leraar vrije grafiek verbonden aan de stedelijke Academie voor Schone Kunsten/DKO wordt behouden (zaak A.95.051); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikkingen van 8 juli en 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2740-1\12 Gelet op de beschikkingen van 21 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor verzoekster; Gehoord, in de zaak A.95.050/XII-2470, het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gehoord, in de zaak A.95.051/XII-2471, het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De procedure
  3. Overwegende dat de verwerende partij vraagt om de zaken 95.050 en 95.051 te voegen, gezien de samenhang tussen de aan de beide collegebesluiten ten grondslag liggende evaluaties, de gelijklopende bezwaarprocedure, de gelijktijdi- ge beslissing van het college en de identieke opbouw van de beide verzoekschriften; dat verzoekster zich in de memorie van wederantwoord aansluit bij het verzoek; dat het kan worden ingewilligd; De gegevens van de zaken 2.
  4. Overwegende dat verzoekster deels vast benoemd, deels tijdelijk aangesteld is als leraar aan de stedelijke Academie voor Schone Kunsten - deeltijds kunstonderwijs van de stad Brugge; dat zij in die dubbele hoedanigheid onderworpen is aan de “evaluatie- en beoordelingsprocedure voor het personeel van het stedelijk onderwijs”, waarvan de voor deze zaken relevante bepalingen luiden : “Hoofdstuk
  5. Evaluatie van personeelsleden in vast verband Artikel 4 : Elk in artikel 1 bedoeld personeelslid moet in de periode van drie jaar ten minste éénmaal geëvalueerd worden door het inrichtingshoofd. [...] XII-2740-2\12 Artikel 15: Bij de toekenning van de vermelding ‘onvoldoende’ moet het schooljaar daarna een pedagogisch begeleidingsplan worden opgemaakt voor het lopend schooljaar met een evaluatie door de pedagogische begeleidings-dienst van O.V.S.G. Op het eind van dat schooljaar (15 mei) evalueert het instellingshoofd het personeelslid opnieuw. Bij herhaling van de vermelding ‘onvoldoende’ wordt het evaluatiedossier samen met een advies van de pedagogische begeleidingsdienst aan het College van Burgemeester en Schepenen voorgelegd. Het College van Burgemeester en Schepenen beslist, eventueel na afhandeling van de door het personeelslid ingestelde beroepsprocedure, over de te nemen maatregelen. Hoofdstuk
  6. Beoordeling van tijdelijke personeelsleden Artikel 16: Op het einde van iedere activiteitsperiode met een duur van minstens dertig kalenderdagen, maakt het inrichtingshoofd op grond van een persoonlijke nota een uitvoerig verslag op over de manier waarop dit personeelslid zich van de taak heeft gekweten. Dit verslag moet aan het betrokken tijdelijk personeelslid ter visering worden voorgelegd en bij zijn/haar persoonlijk dossier worden gevoegd. Het verslag over de wijze van dienen van het tijdelijk personeelslid blijft bewaard in de school. Een kopie van dit verslag wordt overgemaakt aan de stedelijke dienst onderwijs en een kopie van dit verslag wordt aan het tijdelijk personeelslid overhandigd. Het tijdelijk personeelslid kan binnen de tien dagen beroep aantekenen tegen de beslissing van het instellingshoofd bij het College van Burgemeester en Schepenen. Het College van Burgemeester en Schepenen wint het advies in van de beroepscommissie en doet uitspraak binnen de maand volgend op de datum van indienen van het beroep. [...] Hoofdstuk
  7. Modellen Artikel 24 : Het verslag van wijze van dienen van een tijdelijk personeelslid (model 1), de evaluatiestaat (model 2) en de persoonlijke nota (model 3) worden opgemaakt volgens bijgaande modellen”; 2.
  8. Overwegende dat het inrichtingshoofd op 13 mei 2000 een “evaluatie van een vastbenoemd personeelslid (model 2)” opstelt met als eindevaluatie “onvoldoende”; Overwegende dat verzoekster op 23 mei 2000 een gemotiveerd bezwaar aantekent bij het inrichtingshoofd; Overwegende dat het inrichtingshoofd op 27 mei 2000 in een “Bijlage bij model 2 [...] Antwoord op het bezwaarschrift” repliceert op de bezwaren betreffende zijn “evaluatie model 2” en besluit dat de eindevaluatie blijft behouden; Overwegende dat verzoekster zich op 8 juni 2000 met een gemotiveerd beroepschrift wendt tot het college van burgemeester en schepenen XII-2740-3\12 waarin zij stelt “[o]vereenkomstig artikel 13 van het beoordelingsreglement voor het personeel van het Stedelijk Onderwijs” klacht in te dienen; dat zij in dit bezwaar haar eerdere opmerkingen handhaaft en repliceert op het antwoord van het instellingshoofd van 27 mei 2000; 2.
  9. Overwegende dat het instellingshoofd, eveneens op 13 mei 2000, een “evaluatie van tijdelijke personeelsleden (model 1)” opstelt over verzoekster met een evaluatieverslag en met als advies “De betrokkene heeft mij geen voldoening gegeven”; Overwegende dat verzoekster zich op 23 mei 2000 “overeenkomstig art. 16 van het reglement inzake beoordeling” in beroep voorziet tegen deze beslissing van het instellingshoofd bij het college van burgemeester en schepenen; 2.
  10. Overwegende dat de door het college samengeroepen beroepscommissie op 19 juni 2000 verzoekster en haar raadsman hoort, evenals de directeur, en vervolgens overgaat tot geheime stemming, op één stembiljet voor beide vragen, over het al of niet behouden van de negatieve evaluaties van verzoekster als tijdelijk en vast benoemd leraar; dat het resultaat van de stemming over de evaluatie als tijdelijke is: behoud negatieve evaluatie 4 - geen negatieve evaluatie 2; dat het resultaat van de stemming over de negatieve evaluatie als vast benoemde drie stemmen oplevert voor behoud van de negatieve evaluatie en drie stemmen om geen negatieve evaluatie toe te kennen; dat het stemgedrag op het stembiljet mag worden gemotiveerd; dat op drie stembiljetten een motief is genoteerd, te weten op een eerste (met “neen/neen”) “evaluatiedossier onvoldoende gestaafd volgens artikel 6, 7, 8 van de beoordeling van het stedelijk onderwijs”, op een tweede (met “neen/neen”) “onvoldoende bewijs dat de persoon in kwestie over onvoldoende beroepsbekwaam- heid beschikt” en op een derde (met “ja/ja”) “geen collegiale aanpak 6 motivatie instelling is gering”; dat de drie andere stembiljetten (“ja/neen”, “ja/ja”, “ja/ja”) blanco zijn bij de rubriek “eventuele motivatie”; 2.
  11. Overwegende dat het college op 23 juni 2000 met twee collegebesluiten de negatieve evaluaties behoudt, daarbij verwijzend naar het resultaat van de geheime stemming van de beroepscommissie en telkens overwegende “dat geen procedurefouten bij de evaluatie weerhouden werden” en “dat er een verdeeld advies uitgebracht werd inzake het inhoudelijk aspect van de evaluatie XII-2740-4\12 waarbij [vier, resp. drie] leden inhoudelijk de onvoldoende weerhouden hebben”; dat deze collegebesluiten op 30 juni 2000 aan verzoekster worden meegedeeld; De ontvankelijkheid van de beide beroepen
  12. Overwegende dat de verwerende partij in de beide zaken de ontvankelijkheid van het beroep betwist naar het voorwerp; dat zij telkens uiteenzet dat de betrokken evaluatie zonder gevolgen blijft; dat zij aldus het aanvechtbaar karakter van de evaluatiebeslissingen in vraag stelt; dat die exceptie voor elke zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld; dat immers het hiervoor overgeschreven beoordelingsreglement voor de evaluatie van personeelsleden in vast verband (artikel 15) en voor de beoordeling van de wijze van dienen van tijdelijke personeelsleden (artikel 16) niet hetzelfde procedureverloop voorschrijft; dat, zoals hierna zal blijken, dit verschil een decisief gegeven vormt voor de beoordeling van de exceptie; Het beroep in de zaak A.95.050 4.
  13. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat het “enig gevolg” van de negatieve evaluatie als vast benoemde, overeenkomstig artikel 15 van het beoordelingsreglement er in bestaat dat het erop volgende jaar opnieuw moet worden geëvalueerd “met gebeurlijk beroepsmogelijk- heid”; Overwegende dat, hierom gevraagd, verwerende partij informatie geeft over hetgeen zich heeft afgespeeld na het indienen van voorliggend annulatiebe- roep; dat blijkens haar antwoord, de pedagogische begeleidingsdienst na gesprekken met de betrokkenen en een klasbezoek “tot de conclusie [komt] dat mevrouw Denys niets ten laste kan gelegd worden op didactisch-pedagogisch vlak”; dat ondanks deze conclusie aan verzoekster op 12 mei 2001 weerom een negatieve evaluatie wordt gegeven door de directie, waartegen verzoekster beroep heeft aangetekend bij het college; dat het college na advies van de beroepscommissie op 12 oktober 2001 beslist : “[...] Overwegende dat er een unaniem advies uitgebracht werd inzake het inhoudelijk aspect van de evaluatie waarbij alle leden inhoudelijk de onvoldoende niet weerhouden hebben met als uitdrukkelijke motivatie dat uit het dossier blijkt dat deze evaluatie niet door concrete feiten kan gestaafd worden; Na beraadslaging; Besluit: XII-2740-5\12 De negatieve evaluatie van mevrouw Jeanine Denys dd 12 mei 2001 als vastbenoemd leraar verbonden aan de stedelijke Academie voor Schone Kunsten/DKO wordt niet behouden”; Overwegende dat de verwerende partij daarbij nog herhaalt dat de negatieve evaluaties “geen negatieve gevolgen hadden voor de loopbaan van betrokkene als leerkracht algemeen beeldende vorming en leerkracht tekenen”, waarvoor zij vast benoemd is voor in totaal 12u/w; Overwegende dat verzoekster repliceert dat een negatieve evaluatie “per definitie een belang [impliceert] ten aanzien van de negatief geëvalueerde”; dat zij haar morele schade groot noemt en op haar moreel belang wijst om haar arbeid niet als schromelijk onvoldoende beoordeeld te weten; dat zij ook opmerkt dat het beoordelingsreglement er niet in voorziet dat de negatieve evaluatie op een of andere wijze uit het dossier wordt verwijderd; dat zij ten slotte argumenteert dat een evaluatie uiteraard rechtsgevolgen heeft indien wordt geëvalueerd overeenkomstig een aantal beginselen en overeenkomstig een reglement; 4.
  14. Overwegende dat, opdat een bestuurshandeling voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking zou komen, het in beginsel een handeling moet zijn die wijzigingen brengt in een bestaande rechtstoestand of die belet dat dergelijke wijziging tot stand komt; dat zulks vereist dat het moet gaan om een eindbeslissing of minstens om een zogenaamde vóór-beslissing, terwijl handelingen die geen zulk definitief karakter hebben, van het annulatiecontentieux zijn uitgesloten; dat zulks overigens niet uitsluit dat een onwettigheid die het bestuur begaat bij het stellen van een voorafgaande handeling in voorkomend geval tot de onwettigheid van de eindbeslissing kan leiden; 4.
  15. Overwegende dat te dezen alleszins uit het administratief dossier niet blijkt, noch door de partijen maar wordt beweerd, dat een eerste negatieve evaluatie zoals de voorliggende dadelijk een weerslag heeft op de ambtelijke loopbaan van het personeelslid zoals, bij voorbeeld, een vertraging bij de berekening van de geldelijke anciënniteit; dat de toekenning van de vermelding “onvoldoende” aan het vast benoemd personeelslid luidens het hiervoor aangehaalde artikel 15 gevolgd dient te worden -en te dezen gevolgd is- door een nieuwe evaluatie door de pedagogische begeleidingsdienst van OVSG en door het instellingshoofd, met -bij herhaling van de vermelding “onvoldoende”- beroepsmogelijkheid voor het personeelslid; dat het college van burgemeester en schepenen enkel bij herhaling van XII-2740-6\12 de vermelding “onvoldoende” en na afhandeling van de beroepsprocedure, blijkens het artikel 15, vierde lid, “beslist [...] over de te nemen maatregelen”, welke in het reglement zelfs niet nader zijn gespecificeerd; Overwegende dat verzoekster, met de herhaalde verwijzing naar het moreel nadeel dat zij van de bestreden evaluatie kan ondervinden, een gegeven aanbrengt dat mogelijk haar persoonlijk belang bij een annulatieberoep kan staven; dat daarmee niet gezegd is dat de bestreden beslissing ook een eindbeslissing is die haar rechtstoestand wijzigt; dat dit blijkens het reglement slechts mogelijk wordt bij herhaling van de eerste negatieve evaluatie; dat aan de eerste, hier bestreden evaluatie bovendien slechts een voorlopig karakter wordt toegemeten; dat, aangezien het college van burgemeester en schepenen de tweede negatieve evaluatie niet behouden heeft, er enerzijds een gunstige eindbeslissing voor verzoekster is getroffen nopens haar beoordeling -waardoor er aan het morele nadeel overigens ruimschoots is tegemoet gekomen- en er anderzijds ook geen grond meer was om binnen het raam van de evaluatieprocedure nog te beslissen “over de te nemen maatregelen” als bedoeld in artikel 15 van het beoordelingsreglement; dat dienvolgens niet enkel de eerste evaluatiebeslissing op zich, maar zelfs de gehele evaluatieprocedure geen rechtsgevolgen heeft gehad in de zin dat zij de ambtelijke situatie van verzoekster zou hebben gewijzigd; Overwegende dat verzoekster wel terecht opmerkt dat het beoordelingsreglement geen uitdrukkelijke bepaling bevat over het lot van de eerst toegekende vermelding; dat ook de verwerende partij erkent dat het beoordelings- reglement “zich niet uit[spreekt] nopens de gevolgen van het niet weerhouden van de tweede negatieve evaluatie”; dat het bestuur de negatieve evaluatie echter heeft verworpen omdat “deze evaluatie niet door concrete feiten gestaafd kan worden”; dat zij voorts in de memorie van antwoord en in de haar gevraagde actualisering van het dossier er stellig op wijst dat de bestreden evaluatie geen negatieve gevolgen heeft voor de loopbaan van verzoekster; dat tegen de achtergrond van die herhaalde stellingname, artikel 15 van het beoordelingsreglement en het collegebesluit van 12 oktober 2001 niet anders begrepen mogen worden dan dat met de eerste evaluatie ook bij latere beslissingen over de loopbaan van verzoekster geen rekening meer mag worden gehouden; 4.
  16. Overwegende dat uit de zo-even gemaakte vaststellingen volgt dat het beroep in de zaak A.95.050 niet is gericht tegen een voor vernietiging vatbare XII-2740-7\12 rechtshandeling; dat het onontvankelijk is ratione materiae; dat, volledigheidshalve, de verwerping van het beroep en de in de verwerpingsgrond gedane vaststellingen niet zonder gezag van gewijsde zijn; dat verwerende partij niet zo ver gaat te verklaren dat de bestreden eerste evaluatiebeslissing ook effectief uit het personeels- dossier van verzoekster is verwijderd, zodat zij er nog een formeel bestaan lijkt te hebben; dat het niettemin met het gezag van gewijsde onverenigbaar zou zijn om, alleszins in de verhoudingen tussen partijen, in rechte nog met de bestreden handeling rekening te houden; Het beroep in de zaak A.95.051 5.
  17. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat de negatieve beoordeling van verzoekster als tijdelijk aangestelde “op zich helemaal geen nadelige gevolgen [heeft]”, dat aan die aanstelling “namelijk volgens de normale regels en geheel los van de evaluatie een einde gekomen [is] per einde schooljaar 1999-2000” overeenkomstig artikel 21, § 1, f, van het decreet rechtspositie en dat verzoekster voor het schooljaar 2000-2001 in het kader van de zogenaamde vervangingspool bovendien al een nieuwe aanstelling kreeg voor 9u/w in het stedelijk kunstsecundair onderwijs; Overwegende dat verwerende partij bij de gevraagde actualisering van het dossier meldt dat verzoekster, vast benoemd voor 12 u/w, geen bijkomende tijdelijke uren kan opnemen in het deeltijds kunstonderwijs “omwille van het feit dat alle vacante uren, waar zij als deeltijds vastbenoemd personeelslid aanspraak kan op maken, parallel lopen met haar opdracht”, dat haar werd voorgesteld in te stappen in de vervangingspool, dat verzoekster daarmee instemde en dat zij sedert het schooljaar 2001-2002 is “voorgedragen bij de vervangingspool onderwijs zodat zij thans voltijds fungeert als leerkracht”, dat zij anciënniteit kan opbouwen in het voltijds kunstonderwijs en dat “aldus uitbreiding van opdracht in vast verband mogelijk is”; Overwegende dat volgens verzoekster de uren die zij waarnam in de tijd verplaatst werden en parallel geplaatst met andere uren precies “in reactie op de bestreden negatieve evaluatie”, dat zij gezien de parallel gezette uren materiële schade ondergaat omdat tewerkstelling in poolvorming niet tot anciënniteitsvorming leidt en nadeliger is; dat verzoekster ook op deze zaak betrekt, de argumentatie dat XII-2740-8\12 een evaluatie uiteraard rechtsgevolgen heeft indien wordt geëvalueerd overeenkomstig een aantal beginselen en overeenkomstig een reglement; 5.
  18. Overwegende dat te dezen, anders dan in de eerste zaak, de hier bestreden beoordeling verschijnt als het eindpunt van de daartoe voorgeschreven procedure; dat, als gezien, ze zich daarin onderscheidt van de in de vorige zaak bestreden evaluatie; 5.
  19. Overwegende dat evenwel het beoordelingsreglement zwijgt over de rechtspositionele gevolgen van de negatieve beoordeling van een tijdelijk aangesteld personeelslid; dat verzoekster niet tegenspreekt dat haar tijdelijke aanstelling op het einde van het schooljaar waarvoor de aanstelling is gedaan met toepassing van artikel 21, § 1, f, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 van rechtswege en “los van de evaluatie” is geëindigd; Overwegende dat een evaluatie of een beoordeling geen tuchtmaat- regel is of anderszins gericht is op enige bestraffing maar, door een waardering uit te drukken van het bestuur over de wijze van dienen van zijn personeelslid beoogt aanmoedigend of aanmanend te werken voor de betrokken persoon; dat wanneer een evaluatie of beoordeling daartoe beperkt blijft, zoals hier het geval lijkt te zijn, aldus ook vragen kunnen rijzen of, in die concrete omstandigheden, het verslag over de wijze van dienen van het personeelslid wel méér is dan een -weliswaar uitvoerbare- maatregel van louter interne orde, en meer bepaald of het een beslissing is die op zichzelf rechtsgevolgen sorteert in de zin dat ze zelf een element in verzoeksters rechtstoestand zou bepalen; Overwegende dat evenwel niet op die vraag hoeft ingegaan; dat immers de toepasselijke statuutbepalingen in een strikte (beroeps)procedureregeling voorzien tegen de beslissing van het instellingshoofd; dat in zulk een geval, een verzoekende partij op ontvankelijke wijze tegen de uitkomst van die procedure een annulatieberoep mag instellen met een precies op schending van die statutair geboden waarborgen gesteund middel; dat, zoals hierna zal blijken, verzoekster terdege de schending van de statuutregelen aanvoert; dat deze kwestie dus met de grond van de zaak verband houdt; 5.
  20. Overwegende dat verzoekster als derde middel uiteenzet dat zij in haar beroepschrift uitvoerig geargumenteerd heeft waarom de beoordeling van het XII-2740-9\12 inrichtingshoofd niet kan worden aanvaard maar dat uit geen enkel element blijkt dat er enig materieel motief zou bestaan -materiële motieven die geformaliseerd moeten zijn- om tot een negatieve oordeelsvorming te komen zodat elk materieel motief ontbreekt; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar de stukken van het administratief dossier waaruit genoegzaam blijkt “welk geheel van feiten en elementen aan de basis lagen van de negatieve evaluaties van verzoekster door het inrichtingshoofd, bevestigd door het college van burgemeester en schepenen”; dat die feiten en elementen volgens haar wel degelijk de negatieve evaluatie in rechte kunnen schragen; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert dat de beoordelingsprocedure minstens in graad van beroep “met woord en wederwoord” verloopt en dat het college niet heeft aangegeven waarom het wederwoord van verzoekende partij niet zou opwegen tegen het woord van de aanvankelijk negatief beoordelende directeur; dat verzoekster er nog op wijst dat ook de beroepscommissie dit niet aangeeft; Overwegende dat de laatste memorie van verzoekster geen bijkomende argumenten bevat, en de laatste memorie van verwerende partij slechts verwijst naar de memorie van antwoord; 5.
  21. Overwegende dat het tijdelijke personeelslid overeenkomstig artikel 16 van het beoordelingsreglement beroep kan aantekenen tegen een ongunstige evaluatie bij het college van burgemeester en schepenen dat uitspraak doet, na advies te hebben ingewonnen van de beroepscommissie; dat, wanneer het bestuur een dergelijke beroepsprocedure invoert, zij enig nut moet hebben; dat het beroep zinloos zou zijn indien het slechts als een pro forma procedurestap wordt opgevat; dat het, integendeel, vereist dat aan de grieven die worden uiteengezet in het bezwaarschrift een onderzoek wordt besteed, wat moet blijken uit de eind- beslissing van de beroepsinstantie; dat, zonder dat daarom alle grieven puntsgewijs en expliciet weerlegd moeten worden, het afwijzen van een beroep slechts te rechtvaardigen is voor zover de beroepsinstantie er minstens blijk van geeft dat de argumentatie van de betrokkene daadwerkelijk in haar besluitvorming is betrokken; dat stijlformules daarbij niet geduld worden; XII-2740-10\12 Overwegende dat uit de schets van de feiten blijkt, dat de motivering van het collegebesluit beperkt is tot een referentie aan de geheime stemming in de beroepscommissie, de ontstentenis van procedurefouten en het verdeeld advies; dat noch op wat verzoekster en haar raadsman zelf op de hoorzitting van de beroepscommissie hebben verwoord, noch op het bezwaarschrift in de motivering van het collegebesluit enig antwoord is gegeven; dat het advies waar het college naar verwijst uit niet meer bestaat dan het resultaat van de geheime stemming; dat ook de beroepscommissie niet verder is gekomen dan enkel de standpunten en het resultaat van de stemming weer te geven; dat de individuele motivering van drie leden niet de motivering van de beroepscommissie vormt, des te minder nu twee ervan precies argumenteren om de evaluatievoorstellen niet te handhaven; Overwegende dat die vaststelling tot de conclusie noopt dat de bij artikel 16 van het beoordelingsreglement aan verzoekster geboden statutaire waarborgen enkel naar de vorm zijn nageleefd; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. De zaken nrs. A. 95.050/XII-2740 en A. 95.051/XII-2741 worden gevoegd. Artikel
  23. Het beroep in de zaak A.95.050/XII-2740 wordt verworpen. XII-2740-11\12 Artikel
  24. Vernietigd wordt het besluit van 23 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij de negatieve evaluatie van Jeanine Denys als tijdelijk leraar vrije grafiek verbonden aan de stedelijke Academie voor Schone Kunsten/DKO wordt behouden. Artikel
  25. De kosten van het beroep in de zaak A. 95.050/XII-2740, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van het beroep in de zaak A. 95.051/XII-2741, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2740-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.