← België

Arrest 161282 - - 13/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.282 Rolnummer: A. 73030/XII-2671 Zaak: Arrest 161282 - - 13/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 00:46 Fiche Arrest nr 161.282 van 13 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.282 van 13 juli 2006 in de zaak A. 73.030/XII-

  1. In zake : Tihamer TASNADY, die woonplaats kiest bij advocaat J. Peeters, kantoor houdende te Turnhout, Gemeentestraat 4, bus
  2. tegen :
  3. de BURGEMEESTER VAN DE STAD TURNHOUT,
  4. de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tihamer Tasnady op 27 januari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van 26 november 1996 van de heer gouverneur van de provincie Antwerpen inzoverre het beroep van verzoeker werd afgewezen en dat strekte tot de niet-goedkeuring van het besluit van de heer burgemeester der stad Turnhout van 6 september 1996” waarbij aan verzoeker de tuchtstraf “waarschuwing” werd opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 17 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2671-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. D’Haene, die loco advocaat J. Peeters verschijnt voor verzoeker, en van adjunct van de directeur J. Verhulst, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker is politieagent-brigadier bij de stedelijke politie van Turnhout. Op 7, 8 en 11 april 1996 vordert verzoeker de garage Lauwers om een voertuig weg te takelen. Telkens wordt een proces-verbaal opgesteld. Omtrent die feiten richt de procureur des Konings van Turnhout op 30 april 1996 een schrijven aan de politiecommissaris van de stad Turnhout. In dit schrijven zet de procureur des Konings omstandig het verschil uiteen tussen het wegtakelen van een voertuig in het raam van artikel 4.
  6. van de wegcode en de inbeslagneming ingevolge artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering of de aansprakelijkheidsverzekering en komt hij, na een even omstandige analyse van voornoemde processen-verbaal, tot het besluit dat verzoeker “niet alleen ten onrechte [is] overgegaan tot een in feite werkelijke inbeslagneming van een voertuig, maar deze maatregel [heeft] ingekleed als een administratieve maatregel, die daardoor niet zou zijn onderworpen aan de controle van het parket”. Voormeld schrijven eindigt als volgt : “U gelieve mij te laten weten welke maatregelen U neemt om herhaling te voorkomen en om de passende gevolgen te geven of te doen geven op tuchtrechtelijk vlak. XII-2671-2/11 Een kopie van dit schrijven zend ik aan de Burgemeester van de stad Turnhout”. Omtrent voornoemde feiten stelt verzoekers korpschef op 5 juni 1996 een tuchtverslag op, waarin expliciet vermeld wordt dat verzoeker “driemaal tekort is gekomen aan zijn beroepsplichten”. Op 27 juni 1996 wordt verzoeker uitgenodigd om, in het raam van een tuchtprocedure, vóór de burgemeester te verschijnen en zich omtrent meergenoemde feiten die omschreven worden als “een tekortkoming aan [zijn] beroepsplichten”, op 25 juli 1996 te verantwoorden. Na verzoeker gehoord te hebben, beslist de burgemeester, op 6 september 1996, wat volgt : “De Burgemeester der stad Turnhout; Gelet op het schrijven van 30 april 1996 van de Heer Procureur des Konings aan de heer Politiecommissaris; Gelet op het tuchtverslag van 05 juni 1996 van de heer Politiecommissaris te Turnhout; Gelet op de oproepingen bij aangetekend schrijven d.d. 14 juni 1996, 27 juni 1996 en 08 juli 1996; Gelet op het verhoor op datum van 06 augustus1996 van brigadier Tihamèr Tasnady, bijgestaan door zijn raadsman meester J. Peeters en gelet op het verdedigingsdossier dat door hen werd neergelegd; Gelet op de bevoegdheid van de burgemeester bij artikel 292 van de nieuwe gemeentewet; Stelt vast dat de heer Procureur des Konings verzoekt om een tuchtprocedure lastens voornoemde brigadier, zich baserend op het feit dat in drie gevallen van wegslepen van voertuigen, de verbalisant zich baseerde op het K.B. van 31/12/53, wat de heer Procureur des Konings ten onrechte vindt omdat deze wettelijke bepaling die mogelijkheid niet biedt; Stelt vast dat de heer Procureur des Konings aanvoert dat de verbalisant overging tot een in beslagname van het voertuig terwijl hij naar de bewaarnemer én de gemeente toe deze gerechtelijke in beslagname heeft vermomd als een maatregel van administratieve politie; Stelt vast dat de heer Procureur des Konings aanvoert dat de verbalisant zich lichtzinnig beroept op artikel 3 van het K.B. van 31/12/53, wat op zich geen beslag toelaat buiten het bepaalde in artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering; Stelt vast dat de heer Procureur des Konings aanvoert dat de verbalisant enkel tot inbeslagname van de voertuigen kon overgaan na contact en mits akkoord van de heer Procureur van dienst; Stelt vast dat de heer Procureur des Konings aanvoert dat de brigadier Tasnady zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die een tekortkoming uitmaken van de beroepsplichten. Stelt vast dat in alle drie feiten de betrokkene akkoord gaat dat hij voor het wegslepen geen contact nam met de heer Procureur van dienst, omdat hij meende dat hij bevoegd was tot de gestelde daad; XII-2671-3/11 Stelt vast dat brigadier Tasnady aanvoert dat hij niet overging tot een in beslagname van het voertuig, maar tot een in bewaring nemen om de inbreuk die werd vastgesteld te doen ophouden; Stelt vast dat brigadier Tasnady de aanklacht van de heer Procureur des Konings verwerpt, omdat naar zijn mening de navolgende processen-verbaal eveneens tot de dossiers behoren en dat het parket niet alleen moet oordelen op basis van het aanvankelijke proces-verbaal; Stelt vast dat in zijn schrijven d.d. 30 april 1996 de heer Procureur des Konings aanhaalt in welke omstandigheden een voertuig in beslag of in bewaring kan genomen worden, te weten : - een in beslagname kan gebeuren overeenkomstig artikel 20 van de wet van 21 november 1989 wegens niet-verzekerd rijden. Deze inbeslagname kan gebeuren zonder voorafgaandelijk contact met het parket. - een in beslagname kan gebeuren bij toepassing van artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering. In deze is de heer Procureur des Konings bevoegd en dient gecontacteerd alvorens de inbeslagname gebeurt. - ingevolge artikel 4.4 van de wegcode kan een voertuig weggetakeld of verplaatst worden, bijvoorbeeld wanneer het een hindernis vormt voor het verkeer. Ieder agent bezit hiertoe de bevoegdheid. Stelt vast dat brigadier Tasnady verwijst naar het handelen ‘te velde’ en dat de beoordeling door de burgemeester posterieur geschiedt én met kennis van andere elementen én na juridische advisering door de heer Procureur des Konings; Stelt vast dat de verdediging van brigadier Tasnady aanvoert dat de interpretatie van de feiten door de heer Procureur des Konings een uiting is van een actueel beleid en niet van een wettelijke gegevenheid die onaantastbaar zou zijn; Stelt vast dat de door de heer Procureur des Konings aangehaalde feiten zich voordeden in een zelfde tijdsspanne, te weten respectievelijk op 07/04/96, op 08/04/96 en op 11/04/96, dus binnen de vier dagen, terwijl uit persberichten blijkt dat er in dezelfde periode nog minstens één zelfde optreden gebeurde door de politie van Turnhout, waarvan de heer Procureur des Konings evenwel geen gewag maakt; Stelt vast dat uit de verklaring van brigadier Tasnady blijkt dat benevens het proces-verbaal voor verkeersovertredingen er telkens ook een fiscaal P.V. werd opgemaakt; Stelt vast dat de verdediging aanhaalt dat de beoordeling door de burgemeester sterk bemoeilijkt wordt door het feit dat hij geen inzage heeft van de opgestelde P.V.’s en dus enkel moet oordelen op basis van het schrijven van de heer Procureur des Konings; Stelt vast dat in het verweer van de betrokkene wordt verwezen naar de onduidelijkheid die er heerste binnen het korps rond het wegtakelen van voertuigen en dat hierop nooit een klaar antwoord gekomen is, ook niet nadat een officier van het politiekorps een jaar terug tot tweemaal toe tijdens een onderhoud met de diensten van de heer Procureur des Konings hierom verzocht, waarop nooit een omzendbrief volgde; Overwegende dat de argumentatie van brigadier Tasnady dat het niet om een inbeslagname gaat, maar wel om een in bewaring met het doel het misdrijf te doen ophouden, weinig steek houdt vermits in de drie gevallen de betrokken eigenaars onmiddellijk na het wegtakelen bij het bedrijf Lauwers hun voertuigen konden gaan ophalen na het vervullen van één enkele formaliteit, te weten het betalen van de rekening voor het takelen, en zo onmiddellijk het misdrijf konden voortzetten; Overwegende dat uit de verklaring van brigadier Tasnady blijkt dat het wegtakelen van een niet-reglementair ingeschreven voertuig een eigen initiatief was en niet het gevolg was van een opdracht van de korpschef. Brigadier XII-2671-4/11 Tasnady verklaarde terzake ‘wij hebben dit doordacht gedaan; wij hebben het artikel grondig doorgenomen en hebben geconcludeerd dat dit toepasselijk was ’; Overwegende dat uit navraag en uit de verklaringen van brigadier Tasnady blijkt dat deze wijze van optreden, te weten het onmiddellijk wegtakelen, nieuw was in het korps en slechts door enkele leden van het korps werd toegepast; Overwegende dat uit de verklaringen blijkt dat er telkens ook een fiscaal P.V. werd opgesteld, waarvoor de verbalisant een bepaalde financiële beloning krijgt van de Minister van Financiën en dat ook het opstellen van deze fiscale P.V.’s vrij nieuw is in het korps en slechts door enkele leden wordt toegepast; Overwegende dat het niet aan een brigadier van het korps toekomt een nieuwe beleidslijn uit te tekenen en daar zijn activiteiten naar te gaan richten (wat blijkt uit de drie feiten op vier dagen tijd), maar deze bevoegdheid bij de korpschef ligt; Overwegende dat uit de verklaringen blijkt dat deze wijze van optreden niet vooraf besproken werd met korpschef, noch met de officier van dienst, en dat ook bij het concreet optreden noch contact werd genomen met de heer Procureur des Konings, noch met de officier van dienst bij de politie, maar dat op eigen initiatief van de verbalisanten werd gewerkt; Overwegende dat in de drie gevallen de verbalisant zich in het aanvankelijk P.V. steunt op het K.B. van 31/12/53 en dat hij pas later tijdens zijn verweer zich gaat steunen op de wet op de verzekeringen of de verkeerscode om zijn handelwijze te verrechtvaardigen; Overwegende dat de burgemeester alle begrip heeft voor de moeilijkheden die verbonden zijn aan een optreden “te velde” en dat de concrete materie van het wegtakelen van voertuigen mogelijk te laat werd toegelicht door de hiërarchische overheid; Overwegende dat twijfel dus begrijpelijk is, doch dat de verbalisant thans deze twijfel inroept ter eigen verdediging, terwijl hij bij het vaststellen van de mogelijke overtredingen de twijfels die hij bezat niet liet spelen ten voordele van de overtreder, zoals het rechtsprincipe voorschrijft; Overwegende dat het extreem maximalistisch optreden (strafrechtelijk P.V., wegslepen en fiscaal P.V.) duidelijk niet door iedere politiedienst wordt toegepast en tot voor de bewuste periode ook niet door de Turnhoutse politie, noch door de drie politiefunctionarissen waarvoor de heer Procureur des Konings een tuchtprocedure vroeg, wat blijkt uit : - het feit dat de rijkswacht zich op 14.03.96 ten overstaan van de genaamde Chichimi beperkte tot het opstellen van een P.V. en dit voor gelijkaardige feiten dan deze waarvoor de brigadiers Boogers en Tasnady lieten wegslepen; - de verklaring tijdens het onderhoor van brigadier Van der Borght dat de overtreder Van Gorp (feiten 11/04/96) reeds door Van der Borght en brigadier Schoeters was verwittigd en geverbaliseerd door de hulpagenten en door brigadier Schoeters; Overwegende dat de burgemeester meent dat enerzijds het schrijven van de heer Procureur des Konings en anderzijds de verklaringen van betrokkene tijdens het verhoor en in zijn verweerschriften, hem wel in staat stellen een beoordeling te doen van de feiten omdat nergens essentiële vragen openblijven over de inhoud van de P.V.’s; Overwegende dat de burgemeester het bedoelde schrijven van de heer Procureur des Konings niet hoeft te toetsen, maar mag aannemen als in overeenstemming met de waarheid; Overwegende dat de hiërarchie tussen verbalisanten normaal met zich brengt dat de verbalisant met de meeste anciënniteit binnen het korps de leiding en het initiatief neemt, wat door brigadier Tasnady wordt aangegrepen in zijn verweer. ‘In elk van de drie gevallen handelde vertoger tezamen met een (oudere) collega XII-2671-5/11 die de leiding had zodat niet mag worden afgeleid dat het vertoger was die de leiding nam voor de betwiste handelswijze’. Overwegende dat de burgemeester erkent dat brigadier Tasnady tot nog toe een goede staat van dienst heeft, zelfs al enkele malen door hem werd gefeliciteerd omwille van succesvolle acties; Overwegende dat een zware sanctie een bedreiging zou zijn voor de verdere loopbaanplanning van betrokkene ingevolge de op til staande inschakeling in het nieuwe personeelsbehoefteplan en dat daardoor een onevenwicht zou kunnen ontstaan tussen tuchtstraf en gevolgen ervan; Overwegende dat de burgemeester meent dat bij de drie vastgestelde overtredingen terecht moest opgetreden worden door de politie, maar dat dit diende te gebeuren binnen de correcte toepassing van de wet; Overwegende dat door dit niet correct toepassen van de wet de stadsfinanciën bedreigd zijn, vermits de slepingskosten mogelijk ten laste van de stad vallen; Overwegende dat de burgemeester toejuicht dat leden van het korps zich inspanningen getroosten om wetteksten te bestuderen, maar dat het hem niet meer dan logisch overkomt dat voor de toepassing van blijkbaar ingewikkelde wetten advies gevraagd wordt aan de korpschef of andere hiërarchische overheden; Overwegende dat een gepland en systematisch optreden van de politie naar welbepaalde overtredingen het gevolg moet zijn van een opdracht van de korpsleiding binnen het korps. Om al die redenen, meent ondergetekende, Marcel Hendrickx, burgemeester van Turnhout volgende tuchtstraf te moeten uitspreken : waarschuwing”. Tegen die tuchtbeslissing, die aan verzoeker bij aangetekende brief van 11 september 1996 wordt toegestuurd, tekent hij op 3 oktober 1996 beroep aan bij de gouverneur van de provincie Antwerpen. Op 26 november 1996 keurt de gouverneur de door de burgemeester genomen tuchtbeslissing goed;
  7. Het voorwerp van het beroep. Overwegende dat verzoeker zich in zijn inleidend verzoekschrift in zijn gevraagd dispositief enkel richt tegen de goedkeuringsbeslissing van de gouverneur van 26 november 1996; dat verzoeker echter alvast ook de beslissing van de burgemeester van 6 september 1996 aan kritiek onderwerpt; dat er aldus mag worden van uitgegaan dat beide beslissingen tot het voorwerp van het beroep behoren; XII-2671-6/11
  8. De gegrondheid van het beroep. 3.
  9. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel betoogt wat volgt : “de aangevochten beslissing vermeldt niet welke tuchtrechtelijke inbreuken werden gepleegd met inachtname van de bepalingen van artikel 282 van de Gemeentewet dat aanduidt welke feiten voor bestraffing in aanmerking komen”; Overwegende dat artikel 282 van de nieuwe gemeentewet bepaalt hetgeen volgt : “De tuchtstraffen vermeld in artikel 283 kunnen opgelegd worden wegens : 1/ tekortkomingen aan de beroepsplichten; 2/ handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; 3/ overtredingen van het verbod bedoeld in de artikelen 27, 68, §1, 70, 153, 195 en 216, eerste lid”; Overwegende dat in het burgemeestersbesluit van 6 september 1996 -het enige besluit dat in de memorie van wederantwoord ter sprake komt- betreffende de tegen verzoeker in aanmerking genomen feiten, niet aangegeven wordt of die feiten worden aangemerkt als tekortkomingen aan de beroepsplichten, dan wel als handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of als overtredingen van het verbod bedoeld in de artikelen 27, 68, §1, 70, 153, 195 en 216, eerste lid; dat echter, anders dan verzoeker aanneemt, dit artikel 282 er niet toe verplicht dat op straffe van nietigheid van de getroffen tuchtmaatregel in het tuchtbesluit zelf met zoveel woorden de bedoelde feiten worden ondergebracht in een van de voormelde drie categorieën; dat overigens uit de gegevens van de zaak blijkt dat zowel het tuchtverslag van de korpschef van 5 juni 1996 als de oproepingsbrief van 27 juni 1996, zijnde stukken die deel uitmaken van het tuchtdossier en waarnaar het betwist burgemeestersbesluit trouwens uitdrukkelijk verwijst, de aan verzoeker verweten tuchtfeiten aanmerken als zijnde tekortkomingen aan de beroepsplichten; dat voorts verzoeker, tijdens de tuchtprocedure, die kwalificatie zelf niet heeft in vraag gesteld en deze trouwens ook thans nog niet betwist; dat het middel niet gegrond is; XII-2671-7/11 3.
  10. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel stelt wat volgt : “de aangevochten beslissing werd genomen door de Heer Gouverneur van de Provincie Antwerpen terwijl hij niet aanwezig was bij de behandeling in graad van beroep; op heden is niet duidelijk of kontroleerbaar hoe en op welke wijze de heer Gouverneur kennis heeft genomen van het bundel zodat de rechten van verdediging zijn geschonden”; Overwegende dat uit artikel 7, eerste lid, van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, blijkt dat de toeziende overheid geen uitspraak in beroep mag doen dan nadat aan het personeelslid en aan het gemeentebestuur de gelegenheid werd geboden, gehoord te worden; dat volgens het tweede lid van dat artikel de hoorzitting wordt geleid door een ambtenaar van niveau 1 van de provinciale gouvernementen; Overwegende dat uit de voornoemde bepalingen blijkt dat de gouverneur niet verplicht is zelf het bedoelde verhoor te leiden of erop aanwezig te zijn; dat het tweede middel dienvolgens niet gegrond is; 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert, wat volgt : “de aangevochten beslissingen werd genomen zonder dat de overheid of verzoeker inzage hebben gehad van de eraan ten grondslag liggende dossiers terwijl, ondermeer door de intussen daarover tussengekomen vonnissen, is gebleken dat de kennis van deze bundels essentieel was om de beoordeling van de handelswijze van vertoger te kunnen doen”; Overwegende dat in zijn schrijven van 30 april 1996 de procureur des Konings stelt dat verzoeker ten onrechte tot driemaal toe garage Lauwers heeft gevorderd een wagen te takelen; dat de procureur tot die vaststelling blijkt te zijn gekomen op grond van de reden van wegtakeling, namelijk wegens inbreuken op het koninklijk besluit van 31 december 1953 houdende reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens, welke reden vermeld is in mede door verzoeker opgestelde processen-verbaal; dat verzoeker in zijn verweer vóór de burgemeester weliswaar heeft gesteld dat het ontbreken, in het tuchtdossier, van voornoemde processen-verbaal zijn rechten van verdediging aantast, maar noch in dit schriftelijk verweer, noch tijdens zijn verhoor door de burgemeester verzoeker XII-2671-8/11 betwist of ontkend heeft dat hij zich voor de wegtakeling van voertuigen gesteund heeft op het voornoemde koninklijk besluit van 31 december 1953; dat met andere woorden verzoeker die door de procureur gedane feitelijke vaststelling niet heeft betwist; dat verzoeker zulks, blijkens de bewoordingen van het derde middel, overigens nog steeds niet doet; dat aldus verzoeker evenmin de conclusie van de procureur des Konings in vraag stelt, naar luid waarvan er bij die wegtakeling werd overgegaan tot een in feite werkelijke inbeslagneming van een voertuig, maar dat deze maatregel werd ingekleed als een administratieve maatregel, die daardoor niet zou zijn onderworpen aan de controle van het parket; dat de bestreden besluiten nu juist steunen op de voormelde conclusie alsmede op de voornoemde feitelijke vaststelling; Overwegende dat in de gegeven omstandigheden dan ook niet wordt ingezien hoe, wegens ontstentenis in verzoekers tuchtdossier van voornoemde processen-verbaal, van de daaropvolgende processen-verbaal en van de “intussen daarover tussengekomen vonnissen”, verzoekers rechten van verdediging zouden zijn geschonden of de tuchtoverheden geacht zouden moeten worden hun beslissingen onzorgvuldig te hebben voorbereid in de bewoordingen die verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord gebruikt; dat het derde middel niet gegrond is; 3.
  12. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel doet gelden, wat volgt : “de aangevochten beslissing van de heer gouverneur vermeldt verkeerdelijk dat het door de heer Burgemeester ten onrechte in acht genomen feit (met name dat vertoger financiële vergoeding bekwam door het opstellen van fiskale processen-verbaal terwijl thans vaststaat dat zulks niet het geval was) geen invloed zou hebben gehad op zijn beoordeling terwijl integendeel de heer Burgemeester deze overweging letterlijk aanhaalt in zijn motivering zodat moet worden aangenomen dat zij een element van beoordeling is geweest”; dat verzoeker in zijn memories nader betoogt dat tweede verwerende partij ten onrechte aanneemt dat de onjuiste overweging geen invloed zou hebben gehad, en dat, afgezien van het voor concluant beledigend karakter van deze onjuiste overweging -waarbij minstens de indruk wordt gewekt alsof concluant geldgewin zou nastreven bij de uitoefening van zijn ambt- “uit de herhaaldelijke vermelding van het onjuiste feit niets anders besloten kan worden dan dat deze overweging de uiteindelijke beslissing in negatieve zin heeft beïnvloed”; XII-2671-9/11 Overwegende dat de burgemeester in zijn besluit onder meer overweegt, dat “uit de verklaringen blijkt dat er telkens ook een fiscaal P.V. werd opgesteld waarvoor de verbalisant een bepaalde financiële beloning krijgt van de Minister van Financiën en dat ook het opstellen van deze fiscale P.V.’s vrij nieuw is in het korps en slechts door enkele leden wordt toegepast”; dat op grond van die overweging verzoeker vóór de toeziende overheid heeft doen gelden dat door zich hierop mede te baseren de beslissing een onjuiste basis heeft : ingevolge het ministerieel besluit van 6 juli 1994 wordt aan de gemeentepolitie immers geen vergoeding terzake meer betaald; dat in zijn goedkeuringsbesluit de gouverneur hierop het volgende heeft geantwoord : “overwegende dat de tuchtoverheid de agenten het krijgen van een financiële beloning niet ten laste heeft gelegd, noch dit als een verzwarende omstandigheid heeft in acht genomen; dat het louter een feitelijke vaststelling betrof zonder repercussie op de genomen beslissing”; Overwegende dat verzoeker niet wordt bijgevallen waar hij ervan uitgaat dat die ene gewraakte zinsnede uit een vijftal bladzijden tellend tuchtbesluit mede de tuchtmaat heeft bepaald op een dergelijke wijze dat hem de bestreden tuchtstraf, zijnde overigens volgens artikel 283 van de nieuwe gemeentewet de lichtst mogelijke tuchtstraf, zonder dit gegeven niet zou zijn opgelegd; Overwegende dat dienvolgens het vierde middel niet gegrond is; 3.
  13. Overwegende dat verzoeker een vijfde middel als volgt verwoordt : “de heer Burgemeester vermeldde herhaaldelijk dat er nog financiële nadelige gevolgen dreigen voor de stad Turnhout terwijl, naar aanleiding van de intussen uitgesproken vonnissen, zal blijken dat zulks onjuist is zodat alweer ten onrechte geen rekening werd gehouden met de opgestelde strafbundels en de daaraan verleende gevolgen”; Overwegende dat, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de overweging in de bestreden burgemeestersbeslissing, naar luid waarvan “door dit niet correct toepassen van de wet de stadsfinanciën bedreigd zijn, vermits de slepingskosten mogelijk ten laste van de stad vallen”, achteraf feitelijk onjuist zou blijken te zijn, dan nog niet kan worden ingezien hoe die overweging de bestreden tuchtbeslissing dermate zou kunnen vitiëren dat zij noodzakelijkerwijze en enkel op grond van een middel dat zich op dat gegeven steunt zou moeten worden nietigverklaard; XII-2671-10/11 Overwegende immers dat de bestreden beslissing slechts stelt dat de slepingskosten “mogelijk” ten laste van de stad zullen vallen; dat niet de effectieve financiële schade maar wel een gedraging met kans op financiële schade aan verzoeker wordt verweten; dat vervolgens analoog aan wat bij het onderzoek van het vierde middel is overwogen niet kan worden aanvaard dat de voornoemde overweging dermate bij de beoordeling van invloed is geweest dat zonder dit gegeven de bestreden tuchtsanctie niet zou zijn opgelegd; dat ook het vijfde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2671-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.