id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.283 Rolnummer: A. 88078/XII-2326 Zaak: Arrest 161283 - - 13/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 00:47 Fiche Arrest nr 161.283 van 13 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.283 van 13 juli 2006 in de zaak A. 88.078/XII-
- In zake : Hugo VERLEYEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Deyaert, kantoor houdende te Sint-Niklaas, Pr. Jos. Charlottelaan 37 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo Verleyen op 18 november 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 september 1999 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen waarbij zijn vergunning tot het voorhanden hebben van het verweervuurwapen Browning FN, kaliber 22” Short wordt beperkt tot “zonder munitie”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2326-1/8 Gehoord de opmerkingen van attaché E. De Baene, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 28 september 1992 wordt aan Hugo Verleyen een vergunning verleend tot het voorhanden hebben van het verweervuurwapen Browning FN, kaliber 22” Short. 1.
- Naar aanleiding van de omzendbrief van 5 mei 1998 inzake het toezicht op het legaal wapenbezit, controleert de politie van Hamme binnen de gemeente alle eigenaars op het bezit van hun verweervuurwapens en worden zij verzocht een formulier in te vullen en terug te bezorgen. Op 28 juli 1998 vermeldt Hugo Verleyen op voormeld formulier dat hij een wapenvergunning bezit voor een geweer Browning .22 S, dat hij geen lid is van een schietclub, dat hij geen actief jager is en geen jachtvergunning bezit, dat hij het wapen niet beroepsmatig bezit of draagt, dat hij voor het betrokken wapen over munitie beschikt en dat hij het wapen wenst te behouden. Hij antwoordt niet op de vraag of hij een geldige reden of motief kan voorleggen voor de aankoop van munitie voor dat wapen en evenmin op de vraag of hij bereid is alle munitie binnen te leveren of over te dragen wanneer de wapenvergunning wordt beperkt tot “enkel tot bezit - niet aankoop van munitie”. 1.
- Op 20 september 1999 neemt de gouverneur van Oost-Vlaanderen het bestreden besluit om de vergunning tot het voorhanden hebben van het verweervuurwapen Browning FN, kaliber 22” Short van Hugo Verleyen te beperken tot “zonder munitie”. De overwegingen van het besluit luiden als volgt : “Gelet op art. 6, par. 1, 3e alinea van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in XII-2326-2/8 munitie, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1934, 4 mei 1936, 6 juli 1978, 30 januari 1991, 5 augustus 1991, 9 maart 1995, 24 juni 1996 en 18 juli 1997; Gelet op art. 14 van het kb van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1993, 30 maart 1995, 6 februari 1996 en 4 augustus 1996; Gelet op de gecoördineerde omzendbrief van 26 februari 1996, met referte 3636/1/8 (B.S. 29 januari 1996) van de minister van Justitie betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, gewijzigd op 15 mei 1997 en 8 oktober 1997; Gelet op de omzendbrieven van 4 november 1996, 1 oktober 1997 en 5 mei 1998 met referentie 6/3630/7/13 van de minister van Justitie inzake het toezicht op het legaal wapenbezit; Gelet op het wapenbezit van de heer Hugo Verleyen met woonplaats [...] te 9220 Hamme: - geweer Browning FN, kaliber 22” Short, serienummer 01870 RR 146; Gelet op de brief van de politiecommissaris van Hamme d.d. 2 september 1998; Overwegende dat de politiecommissaris meldt dat alle eigenaars binnen de gemeente Hamme werden gecontroleerd op het bezit van hun verweervuurwapen(s) en iedereen een ‘formulier toezicht legaal wapenbezit’ invulde; Gelet op het formulier d.d. 28 juli 1998 ondertekend door de heer Hugo Verleyen; Overwegende dat hij meldt geen lid te zijn van een schietclub, geen jager is en beroepshalve geen wapen draagt; Dat betrokkene meldt dat hij in het bezit is van munitie; Dat hij het wapen wenst te behouden; Overwegende dat in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en gezinsleden het nuttig lijkt de vergunning te beperken; Dat deze administratieve maatregel niets te maken heeft met de persoonlijkheid van betrokkene, maar enkel wil bijdragen tot een rustig en veilig genot in hoofde van de vergunninghouder”;
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel onder meer aanvoert dat de bestreden beslissing de artikelen 6 en 16 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet) en de artikelen 14 en 20 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet, schendt; dat hij daartoe betoogt dat de bestreden beslissing door voldoende ernstige en concrete redenen moet worden gemotiveerd terwijl zij zich beperkt tot de algemene en vage motivering dat “in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en gezinsleden het nuttig lijkt de vergunning te beperken”, dat niets erop wijst dat hij door het bezit van zijn vergunning de openbare orde zou verstoren of zijn veiligheid en die van zijn gezinsleden in gevaar zou brengen, dat het motiveren van de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt voorgeschreven door artikel 6 van de wapenwet, dat XII-2326-3/8 de in de bestreden beslissing ingeroepen redenen deze niet op een pertinente, afdoende en wettige wijze verantwoorden, dat bovendien artikel 265 van het “koninklijk besluit van 23 september 1958 (wet op de springstoffen)” uitdrukkelijk bepaalt dat het louter bezit van munitie niet verboden is en iedere eigenaar over een aantal veiligheidspatronen voor draagbare wapens mag beschikken, dat de betrokken vergunning hem werd verleend op grond van objectieve criteria die sedertdien geen wijzigingen hebben ondergaan, dat hij van onberispelijk gedrag is, een blanco strafrechterlijk verleden heeft, over de fysieke en psychische geschiktheid beschikt om een wapen te dragen en te bezitten en als reserveofficier van het Belgisch leger over de vereiste kwalificaties beschikt om een wapen en de daarbij horende munitie met kennis van zaken te hanteren en te bewaren, dat uit het voorafgaande blijkt “dat het behoeden van het algemeen belang en het vrijwaren van zijn veiligheid en die van zijn gezinsleden de bestreden beslissing niet wettig kan motiveren”, dat moet worden besloten dat de bestreden beslissing niet berust op een feitelijk juist, afdoend en wettig motief dat de beslissing kan rechtvaardigen zodat zij voormelde bepalingen schendt; 2.
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden dat wel degelijk werd voldaan aan de door artikel 6 van de wapenwet voorgeschreven motiveringsplicht; dat zij in dit verband verwijst naar de aanhef van het bestreden besluit waarin onder meer wordt gesteld dat verzoeker geen lid is van een schietclub, geen jager is en beroepshalve geen wapen draagt, dat het in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en zijn gezinsleden nuttig lijkt de vergunning te beperken en dat de administratieve maatregel niets te maken heeft met verzoekers persoonlijkheid maar enkel wil bijdragen tot een rustig en veilig genot in hoofde van verzoeker; dat verwerende partij voorts verwijst naar een omzendbrief van 5 mei 1998 van de minister van Justitie waarin wordt gesteld : “Artikel 5 van de Europese richtlijn 91/477/EG van 18 juni 1991 vereist duidelijk een wettige reden voor het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens. Bij de uitreiking van vergunningen zal (de gouverneur) erop moeten toezien dat de reden die een particulier opgeeft bij de aanvraag van een wapenvergunning aanvaardbaar (en controleerbaar) is. Een niet concreet aanwijsbaar en subjectief gevoel van veiligheid kan in geen geval een wettige reden vormen voor vuurwapenbezit. De betrokkene moet erop worden gewezen dat wapenbezit in zulk geval slechts leidt tot een vals gevoel van veiligheid en veel risico’s inhoudt. (...) Ingeval het wapen enkel nog omwille van een historische, financiële of emotionele waarde in bezit wordt gehouden, is het aangewezen de betrokkene op de risico’s te wijzen en het bezit van munitie te ontraden. Indien er enerzijds sprake zou kunnen zijn van een beperkt risico voor de openbare orde, maar er anderzijds onvoldoende redenen zijn om de vergunning XII-2326-4/8 in te trekken kan de oplossing erin bestaan de mogelijkheid munitie te verwerven uit te sluiten”; dat verwerende partij voorts stelt dat uit de vragenlijst blijkt dat er geen specifieke redenen zijn om verzoeker in het bezit te laten van munitie, dat ten onrechte wordt verwezen naar artikel 16 van de wapenwet aangezien dit artikel enkel betrekking heeft op de opslag van wapens en munitie, dat ook artikel 265 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 ten onrechte wordt ingeroepen omdat die bepaling moet worden gelezen in de context van de wet op de springstoffen en niets verandert aan het vergunningstelsel uit de wapenwet, dat artikel 15, § 1, van de wapenwet de verkoop en de overdracht van munitie voor verweer- of oorlogswapens aan particulieren verbiedt, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning is verleend, dat verzoeker in de vragenlijst geen argumenten voor het behoud van munitie heeft vermeld en dat de argumenten die voor het eerst worden geformuleerd in het verzoekschrift niets veranderen aan het feit dat het bezitten van munitie een gevaar kan inhouden voor de openbare veiligheid en dat verzoeker hiervoor geen geldige reden kan inroepen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de feitelijke toestand ten tijde van het verlenen van de vergunning dezelfde was als die op het ogenblik van het beperken ervan zodat die feitelijke toestand geen motief kan vormen voor het beperken van de vergunning, dat bijgevolg de vage verwijzing naar het algemeen belang en de veiligheid van hemzelf en zijn gezinsleden de enige motivering is die overigens op iedereen van toepassing zou kunnen zijn, dat de verwijzing naar de omzendbrief van 5 mei 1998 van de minister van Justitie niet relevant is omdat daarin sprake is van het “ontraden” van het bezit van munitie en de uitsluiting enkel wordt vermeld indien er een beperkt risico voor de openbare orde zou kunnen zijn, hetgeen te dezen zelfs niet wordt beweerd, dat verwerende partij zich bezondigt aan het omkeren van de bewijslast door te stellen dat verzoeker geen argumenten aanvoert om de munitie te behouden en dat er geen specifieke redenen zijn om hem in het bezit te laten van munitie, dat artikel 16 van de wapenwet wel van toepassing is omdat hij houder is van drie verweervuurwapens en zes jachtwapens, dat ook het koninklijk besluit van 23 september 1958 van toepassing is omdat er expliciet sprake is van draagbare wapens; dat hij met betrekking tot artikel 15 van de wapenwet opmerkt dat hij beschikt over de vereiste vergunningen voor de wapens die hij in zijn bezit heeft; XII-2326-5/8 2.
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare motieven, dat er onvoldoende grond bestaat om verzoekers vergunning te schorsen of in te trekken, doch dat de beperking van zijn vergunning tot een vergunning “zonder munitie” geoorloofd is, dat het gegeven dat verzoeker geen enkele aanvaardbare reden kan opgeven voor het bezit van wapens en munitie, doet vermoeden dat er een ongeoorloofd gebruik van zou kunnen worden gemaakt, dat dit moet worden beschouwd als een beperkt risico voor de openbare orde zodat beperkend diende te worden opgetreden; 2.
- Overwegende, in zoverre de bestreden beslissing steunt op de wapenwet, dat deze niet bepaalt dat voor het bezit van een beperkte hoeveelheid munitie een vergunning is vereist; dat artikel 15 van voormelde wet wel bepaalt dat het verboden is aan particulieren munitie voor verweer- of oorlogswapens te verkopen of over te dragen, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning bepaald in de artikelen 6 of 11 is verleend; dat krachtens artikel 16 van de wapenwet een vergunning vereist is voor het bezitten van een opslagplaats van verweer- of oorlogswapens en van munitie; dat in artikel 265 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, overigens uitdrukkelijk is bepaald dat voor particulieren geen vergunning is vereist voor het onder zich houden van onder meer “veiligheidspatronen voor draagbare wapens [...] tot een gewicht van tien kilogram daarin gesloten kruit”; dat de vergunning een verweervuurwapen voorhanden te hebben in de regel dan ook het recht omvat munitie voor dat wapen aan te kopen en in bezit te hebben zonder dat daarvoor een bijkomende vergunning vereist is; Overwegende voorts dat artikel 6, § 2, van de wapenwet wel bepaalt dat indien de verzoeker geen woonplaats heeft in België, de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt verleend door de minister van Justitie en dat zij kan “worden beperkt tot het voorhanden hebben van het wapen zonder de munitie”; dat voornoemde beperkingsmogelijkheid niet wordt vermeld in artikel 6, § 1, van de wapenwet voor vergunningen die door de korpschef van de gemeentepolitie, de commandant van de rijkswachtbrigade of de provinciegouverneur worden verleend; dat echter artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet bepaalt dat de provinciegouverneur de vergunning bij met redenen omklede beslissing kan schorsen of intrekken zodat mag worden aangenomen dat de gouverneur de XII-2326-6/8 vergunning niet noodzakelijk volledig moet intrekken maar ze eventueel ook mag beperken tot het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie; dat evenwel de voormelde intrekking of schorsing krachtens artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet, enkel mogelijk is indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; Overwegende te dezen dat in de aanhef van het bestreden besluit niet wordt gesteld dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen -met munitie- de openbare orde zou kunnen verstoren en er evenmin concrete feitelijke overwegingen worden vermeld die op een dergelijk gevaar zouden kunnen wijzen; dat de beslissende motieven zijn dat verzoeker een wapenvergunning en munitie bezit, dat hij geen lid is van een schietclub, geen jager is en het wapen niet beroepsmatig draagt maar het wapen toch wenst te behouden; dat vervolgens wordt overwogen dat het “in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en gezinsleden” nuttig lijkt de vergunning te beperken en dat die maatregel niets te maken heeft met verzoekers persoonlijkheid, maar “enkel wil bijdragen tot een rustig en veilig genot in hoofde van de vergunninghouder”; dat daarenboven verwerende partij hetgeen zij in haar laatste memorie betoogt, nergens aantoont, namelijk dat het feit dat verzoeker “geen enkele aanvaardbare reden [...] kan opgeven voor het bezit van zijn wapens samen met munitie, doet vermoeden dat er een ongeoorloofd gebruik zou kunnen gemaakt worden” wat van dit motief een stijlformule maakt; dat de bestreden beslissing dan ook niet op motieven steunt die de toepassing van artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet rechtvaardigen; Overwegende, in zoverre de bestreden beslissing steunt op ministeriële omzendbrieven, dat de minister van Justitie in een aantal omzendbrieven bij de provinciegouverneurs inderdaad heeft aangedrongen op een beter toezicht op het legaal wapenbezit; dat aldus in een omzendbrief van 4 november 1996 werd gesteld dat het passend is te onderzoeken of de reden die leidde tot het afgeven van een vergunning nog steeds actueel is en dat wie een wapen nog enkel als herinnering of als sierstuk wenst te behouden, het recht “dient” te worden ontzegd er nog munitie voor aan te kopen; dat in een omzendbrief van 5 mei 1998 wordt gesteld dat het “aangewezen” is de betrokkene op de risico’s te wijzen en het bezit van munitie “te ontraden” indien het wapen enkel nog om reden van een historische, financiële of emotionele waarde in bezit wordt gehouden en dat “de oplossing er in kan bestaan de mogelijkheid munitie te verwerven uit te sluiten” indien er een beperkt risico voor de openbare orde kan bestaan maar er onvoldoende redenen zijn om de vergunning XII-2326-7/8 in te trekken; dat voormelde omzendbrieven evenwel niet vermogen bepalingen toe te voegen aan de wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten aangezien ze alsdan een verordenend karakter zouden hebben en krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zouden moeten worden gelaten; dat die omzendbrieven voor de bestreden beslissing dienvolgens niet als deugdelijke motieven kunnen dienen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel gegrond is in zoverre het de beslissing aanwrijft niet te steunen op rechtens aanvaardbare motieven, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 20 september 1999 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen waarbij de vergunning tot het voorhanden hebben van het verweervuurwapen Browning FN, kaliber 22” Short van Hugo Verleyen wordt beperkt tot “zonder munitie”. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2326-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.