← België

Arrest 161284 - - 13/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.284 Rolnummer: A. 89262/XII-2423 Zaak: Arrest 161284 - - 13/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 00:47 Fiche Arrest nr 161.284 van 13 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.284 van 13 juli 2006 in de zaak A. 89.262/XII-

  1. In zake : Philemon SOMERS, wonende te Buggenhout, Provincialebaan 120 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philemon Somers op 28 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 november 1999 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van vijf verweer- en oorlogsvuurwapens worden beperkt tot “zonder munitie”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste-auditeur afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 7 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van verzoeker; XII-2423-1/8 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Op 13 oktober 1982 verkrijgt Philemon Somers een vergunning tot het voorhanden hebben van een pistool. Op 12 maart 1993 verkrijgt hij een vergunning tot het voorhanden hebben van vier verweervuurwapens. 1.
  4. Naar aanleiding van de omzendbrief van 5 mei 1998 van de minister van Justitie inzake het toezicht op het legaal wapenbezit, controleert de politie van Buggenhout alle houders van een wapenvergunning in de gemeente op het bezit van vuurwapens en verzoekt hen een formulier in te vullen en terug te bezorgen. Op 11 september 1998 vermeldt Philemon Somers op voornoemd formulier dat hij geen lid is van een schietclub, geen actief jager is en geen jachtvergunning bezit, de wapens niet beroepsmatig bezit en/of draagt, over munitie beschikt voor de vergunde wapens en de wapens wenst te behouden. Als reden voor het aankopen van munitie vermeldt hij: “verdediging, oefening, verdelging ongedierte”. Ten slotte verklaart hij dat hij niet bereid is de munitie in te leveren of over te dragen wanneer zijn vergunningen worden beperkt tot “enkel tot bezit - niet tot aankoop van munitie” daar hij zijn wapens op een wettelijke manier heeft verworven, hij ze als goede burger spontaan heeft aangegeven en er geen wettige reden is om aan deze vergunningen iets te wijzigen. 1.
  5. In een nota van 25 november 1999 stelt de dienst wapen- vergunningen van de provincie Oost-Vlaanderen aan de gouverneur voor de vergunningen van Philemon Somers te beperken tot “zonder munitie”. Op 26 november 1999 neemt de gouverneur van Oost-Vlaanderen de bestreden beslissing. In de aanhef van deze beslissing wordt gesteld: XII-2423-2/8 “Gelet op art. 6, par. 1, 3e alinea van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1934, 4 mei 1936, 6 juli 1978, 30 januari 1991, 5 augustus 1991, 9 maart 1995, 24 juni 1996 en 18 juli 1997; Gelet op art. 14 van het kb van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1993, 30 maart 1995, 6 februari 1996 en 4 augustus 1996; Gelet op de omzendbrief van de minister van Justitie d.d. 18 mei 1993 waarin gesteld wordt dat de vergunningen voor de karabijnen ERMA EM1 afgeleverd door de gemeentepolitie niet dienden vervangen te worden; Gelet op de gecoördineerde omzendbrief van 26 februari 1996, met referte 3636/1/8 (B.S. 29 januari 1996) van de minister van Justitie betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, gewijzigd op 15 mei 1997 en 8 oktober 1997; Gelet op de omzendbrieven van 4 november 1996, 1 oktober 1997 en 5 mei 1998 met referentie 6/3630/7/13 van de minister van Justitie inzake het toezicht op het legaal wapenbezit; Gelet op het wapenbezit van de heer Philemon Somers met woonplaats aan Provincialebaan 120 te 9255 Buggenhout : [...] Gelet op de brief van de politie van Buggenhout d.d. 22 februari 1999; Overwegende dat de politie alle verweervuurwapenbezitters in de gemeente Buggenhout een ‘formulier toezicht legaal wapenbezit’ liet invullen; Gelet op het ‘formulier toezicht legaal wapenbezit’ d.d. 11 september 1998 ondertekend door de heer Philemon Somers; Overwegende dat hij meldt dat de reden voor de aankoop van munitie voor het wapen verdediging, oefening en verdelging van ongedierte is; Dat betrokkene geen lid is van een schietclub, geen jager is en beroepshalve geen wapen draagt; Dat betrokkene meldt dat hij in het bezit is van munitie voor de wapens; Dat hij de wapens wenst te behouden; Dat hij niet bereid is zijn vergunningen te laten beperken tot ‘enkel bezit - niet tot aankoop van munitie’ daar hij opmerkt dat hij deze wapens reeds voor 1991 in zijn bezit spontaan als een goede burger in 1992 liet regulariseren en dat er ook geen wettige reden is om aan deze vergunningen iets te wijzigen; Overwegende dat de omzendbrieven van de minister van Justitie d.d. 4 november 1996, 1 oktober 1997 en 5 mei 1998 uitdrukkelijk stellen dat er een motief voorhanden moet zijn voor het houden van munitie nl. sportschieten, het beoefenen van de jacht of beroepshalve een wapen dragen; Overwegende dat in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en gezinsleden het nuttig lijkt de vergunningen te beperken; Dat wettige zelfverdediging als motief op zich niet voldoende is; Dat de risico’s waartegen men zich wil beschermen voldoende aanwijsbaar moeten zijn; Dat verder het gebruik van een wapen een grote ervaring vereist ondermeer op te doen door een doorgedreven training; Dat een verweervuurwapen niet mag aangewend worden om ongedierte te verdelgen; XII-2423-3/8 Dat deze administratieve maatregel niets te maken heeft met de persoonlijkheid van betrokkene, maar enkel wil bijdragen tot een rustig en veilig genot in hoofde van de vergunninghouder”;
  6. De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord aanvoert dat in het verzoekschrift in strijd met artikel 2, §1, 3/, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State nergens haar naam en zetel worden vermeld, dat bijgevolg het beroep als onontvankelijk dient te worden afgewezen; Overwegende dat het niet vermelden van verwerende partij of het onvolledig of onjuist aanduiden van verwerende partij geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van het beroep; dat de procedure voor de Raad van State van inquisitoriale aard is zodat de Raad van State in voorkomend geval ambtshalve de overheid zal aanwijzen die als verwerende partij dient op te treden; dat verzoeker bij zijn verzoekschrift een afschrift van de bestreden beslissing heeft gevoegd zodat het bevoegde lid van het auditoraat de verwerende partij zonder moeite heeft kunnen aanwijzen en de procesvoering haar normaal verloop heeft gehad; dat de exceptie wordt verworpen;
  7. De grond van de zaak. 3.
  8. Overwegende dat verzoeker in een enig middel betoogt dat de motieven van de bestreden beslissing geen wettelijke grondslag hebben, dat artikel 6, § 1, derde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet) voorziet in het schorsen of intrekken van de vergunning door de gouverneur, bij een met redenen omklede beslissing, na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat voornoemd advies werd ingewonnen, dat de wapenwet in zijn geval niet voorziet in het beperken van de vergunning tot bezit zonder munitie, dat artikel 6, §2, van de wapenwet wel voorziet in bezit zonder munitie maar zulks indien verzoeker geen woonplaats heeft in België, dat ook artikel 14 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet geen bepaling bevat in verband met het beperken van een vergunning tot bezit zonder munitie, dat de omzendbrieven van 4 november 1996 XII-2423-4/8 en 1 oktober 1997 van de minister van Justitie werden vervangen door de omzendbrief van 5 mei 1998 waarin niet uitdrukkelijk wordt gesteld dat er een motief voorhanden moet zijn voor het houden van munitie; 3.
  9. Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat vermits zij een vergunning kan schorsen of intrekken, zij deze ook kan beperken tot bezit zonder munitie, dat het advies van de procureur des Konings niet diende te worden ingewonnen aangezien verzoekers vergunning niet werd ingetrokken of geschorst, dat het niet-inwinnen van het advies van de procureur des Konings niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien verzoeker niet aantoont dat het advies van de procureur des Konings tot een andere beslissing zou hebben geleid, dat uit de omzendbrief van 5 mei 1998 van de minister van Justitie blijkt dat zij bevoegd is verzoekers vergunning te beperken tot bezit zonder munitie aangezien hierin wordt gesteld : “Indien er enerzijds sprake zou kunnen zijn van een beperkt risico voor de openbare orde, maar er anderzijds onvoldoende redenen zijn om de vergunning in te trekken kan de oplossing erin bestaan de mogelijkheid munitie te verwerven uit te sluiten. Een dergelijke beperking van de vergunning kan uitsluitend gebeuren door de gouverneur, bijvoorbeeld op voorstel van de politie. Ze geschiedt door een vermelding op het origineel document”, dat er dus voldoende gronden waren om verzoekers vergunning te beperken tot bezit zonder munitie; 3.
  10. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord argumenteert dat verwerende partij door het advies van de procureur des Konings niet in te winnen de voorwaarden voor het schorsen of intrekken van zijn vergunningen niet heeft vervuld zodat zij deze vergunningen ook niet kan beperken tot bezit zonder munitie, dat hij tijdens zijn militaire dienstplicht met tal van wapens heeft leren omgaan, dat hij zijn wapens reeds jaren zonder problemen bezit, dat men niet wettelijk verplicht is lid te zijn van een schuttersvereniging om munitie te mogen bezitten of aan te kopen, dat de omzendbrief van 5 mei 1998 geen kracht van wet bezit; 3.
  11. Overwegende dat, in zoverre de bestreden beslissing steunt op de wapenwet, deze niet bepaalt dat voor het bezit van een beperkte hoeveelheid munitie een vergunning is vereist; dat artikel 15 van voormelde wet wel bepaalt dat het verboden is aan particulieren munitie voor verweer- of oorlogswapens te verkopen XII-2423-5/8 of over te dragen, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning bepaald in de artikelen 6 of 11 is verleend; dat krachtens artikel 16 van de wapenwet een vergunning vereist is voor het bezitten van een opslagplaats van wapens en van munitie; dat in artikel 265 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, overigens uitdrukkelijk is bepaald dat voor particulieren geen vergunning is vereist voor het onder zich houden van onder meer “veiligheidspatronen voor draagbare wapens [...] tot een gewicht van tien kilogram daarin gesloten kruit”; dat de vergunning een verweervuurwapen voorhanden te hebben in de regel dan ook het recht omvat munitie voor dat wapen aan te kopen en in bezit te hebben zonder dat daarvoor een bijkomende vergunning vereist is; Overwegende voorts dat artikel 6, § 2, van de wapenwet wel bepaalt dat indien de verzoeker geen woonplaats heeft in België, de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt verleend door de minister van Justitie en dat zij kan “worden beperkt tot het voorhanden hebben van het wapen zonder de munitie”; dat voornoemde beperkingsmogelijkheid niet wordt vermeld in artikel 6, § 1, van de wapenwet voor vergunningen die door de korpschef van de gemeentepolitie, de commandant van de rijkswachtbrigade of de provinciegouverneur worden verleend; dat echter artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet bepaalt dat de provinciegouverneur de vergunning kan schorsen of intrekken, zodat kan worden aangenomen dat de gouverneur de vergunning niet noodzakelijk volledig moet intrekken maar ze eventueel ook mag beperken tot het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie; dat evenwel de voormelde intrekking of schorsing krachtens artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet enkel mogelijk is indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; Overwegende dat te dezen in de aanhef van het bestreden besluit niet wordt gesteld dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen -met munitie- de openbare orde zou kunnen verstoren en er evenmin concrete feitelijke overwegingen worden vermeld die op een dergelijk gevaar zouden kunnen wijzen; dat de beslissende motieven zijn dat het “in het kader van het algemeen belang en de veiligheid van betrokkene en gezinsleden” nuttig lijkt de vergunningen te beperken, dat wettige zelfverdediging als motief op zich niet voldoende is, dat de risico’s waartegen men zich wil beschermen voldoende aanwijsbaar moeten zijn, dat het gebruik van een wapen een grote ervaring vereist die ondermeer wordt opgedaan XII-2423-6/8 door doorgedreven training, dat een verweervuurwapen niet mag worden gebruikt voor het verdelgen van ongedierte en dat de beslissing niets te maken heeft met de persoonlijkheid van betrokkene, maar “enkel wil bijdragen tot een rustig en veilig genot in hoofde van de vergunninghouder”; dat de bestreden beslissing als zodanig dan ook niet op motieven steunt die de toepassing van artikel 6, § 1, derde lid, van de wapenwet rechtvaardigen; Overwegende, in zoverre de bestreden beslissing steunt op ministeriële omzendbrieven, dat de minister van Justitie in een aantal omzendbrieven bij de provinciegouverneurs inderdaad heeft aangedrongen op een beter toezicht op het legaal wapenbezit; dat aldus in een omzendbrief van 4 november 1996 werd gesteld dat het passend is te onderzoeken of de reden die leidde tot het afgeven van een vergunning nog steeds actueel is en dat wie een wapen nog enkel als herinnering of als sierstuk wenst te behouden, het recht “dient” te worden ontzegd er nog munitie voor aan te kopen; dat in een omzendbrief van 5 mei 1998 wordt gesteld dat het “aangewezen” is de betrokkene op de risico’s te wijzen en het bezit van munitie “te ontraden” indien het wapen enkel nog omwille van een historische, financiële of emotionele waarde in bezit wordt gehouden en dat “de oplossing er in kan bestaan de mogelijkheid munitie te verwerven uit te sluiten” indien er een beperkt risico voor de openbare orde kan bestaan maar er onvoldoende redenen zijn om de vergunning in te trekken; dat voormelde omzendbrieven evenwel niet vermogen bepalingen toe te voegen aan de wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten aangezien ze alsdan een verordenend karakter zouden hebben en krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zouden moeten worden gelaten; dat voor de bestreden beslissing dienvolgens die omzendbrieven niet als deugdelijke motieven kunnen dienen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel gegrond is in zoverre het de beslissing aanwrijft niet te steunen op rechtens aanvaardbare motieven, XII-2423-7/8 BESLUIT: Artikel
  12. Vernietigd wordt het besluit van 26 november 1999 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen waarbij de vergunningen van Philemon Somers tot het voorhanden hebben van vijf verweer- en oorlogsvuurwapens worden beperkt tot “zonder munitie”. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2423-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.