← België

Arrest 161287 - - 13/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.287 Rolnummer: Zaak: Arrest 161287 - - 13/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 00:48 Fiche Arrest nr 161.287 van 13 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.287 van 13 juli 2006 in de zaken A. 97.302/XII-

  1. A. 101.768/XII-
  2. A. 101.135/XII-
  3. In zake : Stevy DE GROODT, die woonplaats kiest bij advocaten O. Ronse en Ph. Simonart, kantoor houdende te 1190 Brussel, Zeven Bunderslaan 130 tegen :
  4. de BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE KOEKELBERG,
  5. de GEMEENTE KOEKELBERG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stevy De Groodt op 8 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van
  6. het besluit van 24 oktober 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij hij bij wijze van ordemaatregel preventief wordt geschorst,
  7. het besluit van 26 oktober 2000 van de gemeenteraad van de gemeente Koekelberg waarbij dat besluit van 24 oktober 2000 wordt bekrachtigd (zaak nr. A. 97.302/XII-2827); Gezien het verzoekschrift dat Stevy De Groodt op 15 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van
  8. het besluit van 15 november 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij het besluit van 24 oktober 2000 gedeeltelijk wordt ingetrokken en
  9. het besluit van 30 november 2000 van de gemeenteraad van de gemeente Koekelberg waarbij dat besluit van 15 november 2000 wordt bekrachtigd (zaak nr. A. 101.768/XII-2996); XII-2827-1/10 Gezien het verzoekschrift dat Stevy De Groodt op 2 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 december 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij hem de tuchtstraf van schorsing wordt opgelegd van 1 november tot en met 14 november 2000 (zaak nr. A. 101.135/XII-2975); Gelet op het arrest nr. 95.918 van 29 mei 2001 in de zaak A. 97.302/XII-2827 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 4 juli 2001 ingediend door verzoeker in de zaak A. 97.302/XII-2827; Gezien de toelichtende memorie van verzoeker in de zaak nr. A. 101.768/XII-
  10. Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak nr. A. 101.135/XII-2975; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikkingen van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 7 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Penninckx, die loco advocaten O. Ronse en Ph. Simonart verschijnt voor verzoeker, en van advocaat G. Schoonjans, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; XII-2827-2/10 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  11. De samenvoeging. Overwegende dat er reden is om de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen;
  12. De gegevens van de zaken.
  13. Verzoeker is agent-brigadier van politie bij de gemeente Koekelberg.
  14. Op 24 oktober 2000 stelt de hoofdpolitiecommissaris een voorlopig verslag op lastens verzoeker en een van zijn collega’s, naar aanleiding van feiten die zich hebben voorgedaan op 23 oktober
  15. De hoofdpolitiecommissaris is van oordeel dat hem de gelegenheid moet worden gegeven om alle bewijselementen te verzamelen, en dat, in afwachting van het resultaat van het onderzoek, verzoeker en zijn collega onmiddellijk uit het politiekorps moeten worden verwijderd.
  16. Eveneens op 24 oktober 2000 beslist de burgemeester verzoeker met onmiddellijke ingang voor een periode van vier maanden preventief te schorsen bij wijze van ordemaatregel, met inhouding van de helft van zijn wedde en ontzegging van aanspraken op bevordering. Die beslissing maakt het eerste voorwerp uit van het beroep in de zaak nr. A. 97.302/XII-
  17. Op 26 oktober 2000 wordt het besluit van 24 oktober 2000 van de burgemeester door de gemeenteraad bekrachtigd. Die beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het beroep in de zaak nr. A. 97.302/XII-
  18. XII-2827-3/10
  19. Op 15 november 2000 stelt de hoofdpolitiecommissaris een tweede verslag op ten laste van verzoeker en zijn collega. Hij meent enerzijds dat beide politieagenten verscheidene grove fouten hebben gemaakt tijdens de uitoefening van hun ambt, maar nuanceert anderzijds bepaalde aspecten van de gebeurde feiten. In fine van zijn verslag stelt hij voor : - dat de twee politieagenten vanaf heden terug in hun functie hersteld worden en dat de voorlopige schorsing als administratieve maatregel omgezet wordt in verlofdagen, in onderling overleg met de geïnteresseerden; - dat hun een schorsing van één maand wordt opgelegd op grond van het niet nakomen van hun verplichtingen en nalatigheid.
  20. Eveneens op 15 november 2000 neemt de burgemeester het volgende besluit : “Enig artikel - Het besluit van de Burgemeester van 24 oktober 2000 houdende preventieve schorsing bij wijze van ordemaatregel van dhr De Groodt Stevy, agent-brigadier van politie, en dit met onmiddellijke ingang voor een periode van 4 maanden, inhouding van zijn wedde voor de helft en ontzegging van aanspraken op bevorderingen, wordt ingetrokken voor het gedeelte vanaf 15 november
  21. De wettelijke procedure met betrekking tot de preventieve schorsing en een eventuele tuchtstraf wordt verder gezet”. Dat besluit maakt, in zoverre het de preventieve schorsing bevestigt voor de periode van 24 oktober 2000 tot en met 14 november 2000, het eerste voorwerp uit van het beroep in de zaak nr. A. 101.768/XII-
  22. Op 30 november 2000 wordt het besluit van 15 november 2000 van de burgemeester door de gemeenteraad bekrachtigd. Dat besluit maakt het tweede voorwerp uit van het beroep in de zaak nr. A. 101.768/XII-
  23. Op 5 december 2000 wordt verzoekers raadsman ervan in kennis gesteld dat ingevolge de feiten die zich hebben voorgedaan op 23 oktober 2000 een tuchtdossier werd opgesteld lastens verzoeker en zijn collega, en dat de datum van de hoorzitting met betrekking tot het tuchtdossier van verzoeker werd vastgesteld op 20 december
  24. XII-2827-4/10
  25. Op 20 december 2000 worden verzoeker en zijn collega, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord.
  26. Bij besluit van 29 december 2000 van de burgemeester wordt aan verzoeker “de tuchtstraf van schorsing opgelegd van 1 november tot en met 14 november 2000 voor de feiten die zich hebben voorgedaan op 23 oktober 2000 omstreeks 1 uur”. Dat besluit maakt het voorwerp uit van het beroep in de zaak nr. A. 101.135/XII-2975;
  27. De zaken nr. A. 97.302/XII-2827 en nr. A. 101.768/XII-
  28. Overwegende dat luidens artikel 312, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet de preventieve schorsing uitgesproken wordt voor een termijn van ten hoogste vier maanden; dat overeenkomstig de tweede paragraaf van dat artikel alle effecten van de preventieve schorsing vervallen indien binnen de termijn ervan geen tuchtstraf wordt opgelegd; dat het de overheid aldus vrijstaat een preventieve schorsing uit te spreken voor een kortere termijn dan vier maanden, waarbij zij er dan wel rekening mee moet houden dat binnen die kortere termijn het tuchtonderzoek moet worden afgerond en een beslissing moet worden genomen, op gevaar af alle effecten van de preventieve schorsing te zien vervallen; Overwegende dat te dezen verzoeker weliswaar bij besluit van 24 oktober 2000 met ingang van dezelfde datum voor een periode van vier maanden werd geschorst, maar dat besluit nadien bij besluit van 15 november 2000 werd “ingetrokken voor het gedeelte vanaf 15 november 2000”, dat wil zeggen, met ingang van 15 november 2000 opgeheven, vermits verzoeker volgens dezelfde beslissing vanaf die datum in het politiekorps in zijn functie werd hersteld; dat aldus de oorspronkelijke termijn van vier maanden waarvoor de preventieve schorsing werd uitgesproken, werd teruggebracht tot een termijn van tweeëntwintig dagen; dat binnen die termijn evenwel geen tuchtstraf werd opgelegd, zodat krachtens artikel 312, § 2, van de nieuwe gemeentewet de effecten van de aan verzoeker opgelegde preventieve schorsing van rechtswege vervallen zijn; Overwegende dat aldus de in de eerste en de tweede zaak bestreden besluiten geen materiële rechtskracht meer hebben, vermits de wet XII-2827-5/10 uitdrukkelijk bepaalt dat verzoeker er geen enkel gevolg meer kan en mag van ondergaan; dat, vermits de desbetreffende besluiten formeel nog wel bestaan, het passend is ze in het belang van de duidelijkheid in het rechtsverkeer uitdrukkelijk te vernietigen;
  29. De zaak nr. A. 101.135/XII-
  30. 4.
  31. De ontvankelijkheid 4.1.
  32. Overwegende dat de verwerende partijen in een exceptie doen gelden dat verzoeker in zijn verzoekschrift nooit gepreciseerd heeft tot welke taalrol hij behoort, “hetgeen een inbreuk uitmaakt op de wetten m.b.t. de procedure en de beroepen voor de Raad van State”; 4.1.
  33. Overwegende dat luidens artikel 54 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer het beroep tot nietigverklaring uitgaat van een ambtenaar in overheidsdienst en betrekking heeft op een beslissing waarbij de individuele rechtstoestand van deze ambtenaar bepaald of zijn statuut geregeld wordt, de taal waarin de zaak moet worden behandeld bepaald wordt op grond van de navolgende criteria, in de opgegeven volgorde : 1/ het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent; 2/ de taalrol waartoe hij behoort; 3/ de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd; 4/ de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen; 5/ de taal van de akte waarbij de zaak werd ingediend; Overwegende dat luidens artikel 2, § 2, a, van het regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, het verzoekschrift “in het geval bedoeld in artikel 25, § 4, van de wet” -te weten het huidige artikel 54 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State- één der navolgende aanduidingen in de opgegeven volgorde moet bevatten : 1/ het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent; 2/ de taalrol waartoe hij behoort; 3/ de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd; 4/ de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen; Overwegende dat de taalgegevens die aldus in het verzoekschrift moeten staan, klaarblijkelijk tot doel hebben de Raad van State, overeenkomstig XII-2827-6/10 artikel 54 van de voormelde gecoördineerde wetten, in staat te stellen de taal van de procedure te bepalen; dat te dezen uit het verzoekschrift alleszins kan worden afgeleid dat verzoeker zijn ambt niet in een eentalig gebied uitoefent; dat daarenboven uit het in het Nederlands opgesteld verzoekschrift en de bij dat verzoekschrift gevoegde bijlagen impliciet maar zeker kon worden afgeleid dat verzoeker tot de Nederlandse taalrol behoort, enerzijds omdat uit de bijlagen blijkt dat alle stukken van verzoeker, gericht aan de overheid, alsook alle stukken van de overheid, gericht aan verzoeker in het Nederlands zijn opgesteld, anderzijds omdat verzoeker er in zijn betoog ten gronde, meer bepaald in zijn vijfde middel, op wijst dat de procedure die tot de thans bestreden beslissing heeft geleid diende te gebeuren in de taal van de groep waartoe hij behoort op grond van zijn hoofdtaal, en hij zijn rechten van de verdediging geschonden acht doordat sommige stukken van het tuchtdossier enkel in het Frans zijn opgesteld en ook de hoorzitting enkel in de Franse taal werd gehouden; dat het niet expliciet vermelden van het feit dat verzoeker tot de Nederlandse taalrol behoort het beroep dan ook niet onontvankelijk maakt; dat de exceptie niet wordt aanvaard; 4.
  34. De gegrondheid 4.2.
  35. Overwegende dat verzoeker een vijfde middel ontleent aan de schending van artikel 17, § 1, b., 1/, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, en van het beginsel van de rechten van de verdediging; dat verzoeker daartoe betoogt dat onder meer het rapport van de korpsoverste enkel in het Frans is opgesteld, dat ook de hoorzitting enkel in de Franse taal werd gehouden, hetgeen “zal blijken uit de handgeschreven nota’s van de secretaresse die nota nam tijdens de hoorzitting”, en dat de door hem ingeroepen bepaling van openbare orde is; 4.2.
  36. Overwegende dat de verwerende partijen tegenwerpen dat verzoeker, die zijn activiteiten als agent uitoefent in het tweetalig gewest Brussel-Hoofdstad, tijdens de verhoren nooit enig voorbehoud heeft geformuleerd nopens een aantal procedurestukken noch nopens het feit dat de verhoren in de Franse taal plaats vonden, hoewel hij van zijn rechten van verdediging gebruik kon maken; 4.2.
  37. Overwegende dat verzoeker daarop antwoordt dat de verwerende partijen niet betwisten dat de verhoren in het Frans verliepen en dat het argument dat XII-2827-7/10 hij nooit enig voorbehoud heeft geformuleerd geen afbreuk doet aan de gegrondheid van het middel, vermits het middel een schending van een wet van openbare orde betreft en hij aan zijn rechten dan ook niet kon verzaken; 4.2.
  38. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 1, b., 1/ van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, iedere plaatselijke dienst die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is voor de daarin bedoelde zaken die een ambtenaar van de dienst betreffen gebruik moet maken van de taal van diens toelatingsexamen of, bij ontstentenis van dergelijk examen, van de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; Overwegende dat deze bepaling van openbare orde is en in geen geval, ook niet met de instemming van degene wie de voorschriften in een bepaald geval bescherming geven, buiten werking mag worden gesteld; Overwegende dat de uit de in het middel aangevoerde bepaling de verplichting volgt om een ambtenarenzaak als een zaak van intern bestuur volledig in de taal van de ambtenaar af te handelen; dat dit meebrengt dat in tuchtzaken de betrokken ambtenaar in zijn eigen taal moet worden ondervraagd en gehoord; Overwegende dat te dezen de verwerende partijen niet betwisten dat verzoeker tot de Nederlandse taalgroep van het personeel van de gemeente Koekelberg behoort, noch het feit dat hij dienvolgens in het Nederlands diende te worden gehoord, noch het feit dat de hoorzitting, in weerwil van de voornoemde wetsbepaling, enkel in het Frans werd gehouden; dat het dan ook, met het oog op het onderzoek van de wettigheid van het bestreden tuchtstrafbesluit, van geen belang is na te gaan of verzoeker ooit enig voorbehoud zou hebben geformuleerd tegen het gebruik van de Franse taal; Overwegende dat het vijfde middel gegrond is, XII-2827-8/10 BESLUIT: Artikel
  39. De zaken nrs. A. 97.302/XII-2827, A. 101.768/XII-2996 en A. 101.135/XII-2975 worden samengevoegd. Artikel
  40. Vernietigd worden - de beslissing van 24 oktober 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij Stevy De Groodt vanaf 24 oktober 2000 voor een periode van vier maanden preventief wordt geschorst; - de beslissing van 26 oktober 2000 van de gemeenteraad van Koekelberg waarbij de beslissing van 24 oktober 2000 van de burgemeester wordt bekrachtigd; - de beslissing van 15 november 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij hij zijn beslissing van 24 oktober 2000 “gedeeltelijk intrekt met ingang van 15.11.2000”; - de beslissing van 30 november 2000 van de gemeenteraad van Koekelberg waarbij de beslissing van 15 november 2000 van de burgemeester wordt bekrachtigd; - de beslissing van 29 december 2000 van de burgemeester van de gemeente Koekelberg waarbij aan Stevy De Groodt de tuchtstraf van schorsing van 1 november tot en met 14 november 2000 wordt opgelegd. Artikel
  41. De kosten van de beroepen, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Het door verzoeker teveel gekweten zegelrecht van 520,59 euro dient hem te worden terugbetaald. XII-2827-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2827-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.