id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.313 Rolnummer: A. 147058/X-11736 Zaak: Arrest 161313 - - 13/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 00:50 Fiche Arrest nr 161.313 van 13 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.313 van 13 juli 2006 in de zaak A. 147.058/X-11.
- In zake :
- Benny VANHAELEWIJN,
- Sabien VANDENBROUCKE, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Benny VANHAELEWIJN en Sabien VANDENBROUCKE op 28 januari 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 5 december 2003 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 17 juli 2003 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hen de stedenbouwkundige vergunning is verleend voor de regularisatie van een woning aan de Sint-Elooistraat 34 te Staden, kadastraal bekend sectie A, nr. 161v; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 9 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 maart 2004; X-11.736-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. FLAMEY die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. ROTSAERT die eveneens, loco Advocaat L. OCKIER verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen op 20 december 2002 aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden een stedenbouwkundige vergunning vragen voor de regularisatie van hun woning aan de Sint-Elooistraat 34 te Staden, kadastraal bekend sectie A, nr. 161v; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden na een openbaar onderzoek en een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar de gevraagde vergunning weigert; Overwegende dat de verzoekende partijen op 16 juni 2003 tegen die weigering beroep aantekenen bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie met een besluit van 17 juli 2003 de gevraagde vergunning geeft; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een aangetekend schrijven van 21 augustus 2003 tegen dat vergunningsbesluit beroep aantekent bij de bevoegde minister; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar met het bestreden besluit gegrond wordt verklaard en dat de door de verzoekende partijen gevraagde vergunning alsnog wordt geweigerd; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.736-2/6 2.2.
- Overwegende, wat de eerste door artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening) en machtsoverschrijding opwerpen; dat zij in essentie aanvoeren dat de gemachtigde ambtenaar met een aangetekend schrijven van 21 augustus 2003 beroep heeft aangetekend bij de minister en van dat beroep op dezelfde datum een onvolledig afschrift aan de verzoekende partijen heeft gestuurd, dat de gemachtigde ambtenaar met een afzonderlijk aangetekend schrijven van 21 augustus 2003 een administratief dossier aan de AROHM heeft overgemaakt zonder daarvan een kopie aan de verzoekende partijen te sturen, dat artikel 53, § 2, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening hem de verplichting oplegt het beroepschrift zelf met al zijn bijlagen ter kennis van de aanvrager te brengen, dat het niet volstaat het blote feit van het beroep ter kennis te brengen omdat de aanvrager anders niet in de mogelijkheid is om nuttig gebruik te maken van het recht om voor de minister of zijn gemachtigde voor zijn belangen op te komen, dat deze visie in talloze arresten van de Raad van State is bevestigd, dat ook de bijlagen moeten worden betekend, dat de gemachtigde ambtenaar deze verplichting in casu heeft omzeild door de bijlagen met een afzonderlijk schrijven naar de minister te sturen, dat dit flagrant in strijd is met artikel 53, § 2, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening, dat het van geen belang is of de bijlagen als onderdeel van het beroepschrift dan wel met een afzonderlijk schrijven naar de minister zijn gestuurd, dat het evenmin van belang is dat met een aangetekend schrijven van 7 oktober 2003 aan de raadsman van de verzoekende partijen werd meegedeeld dat het dossier tijdens de hoorzitting ter inzage zou worden gelegd en op verzoek voorafgaandelijk zou kunnen worden geconsulteerd, dat de verzoekende partijen in het ongewisse werden gelaten van de stukken waarop de gemachtigde ambtenaar zijn beroep steunde en dat de minister derhalve niet op ontvankelijke wijze kennis kon nemen van het beroep van de gemachtigde ambtenaar, zodat de door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen gegeven vergunning van 17 juli 2003 als definitief moet worden beschouwd; 2.2.
- Overwegende dat artikel 53, § 2, eerste lid, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, als volgt luidde: "§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Koning in beroep komen binnen dertig dagen na X-11.736-3/6 ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfdertijd ter kennis van de aanvrager en van de Minister gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college"; Overwegende dat die bepaling, zoals gewijzigd door artikel 67 van het decreet van 21 november 2003, als volgt luidt: "§
- Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...)"; Overwegende dat het met het voornoemde decreet van 21 november 2003 ingevoegde artikel 53 krachtens het derde lid van toepassing is "op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State"; dat aldus moet worden vastgesteld dat, bij een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit, het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld hoger beroep alsnog aan het voornoemde artikel 53, § 2, zoals gewijzigd met het decreet van 21 november 2003, zou moeten worden getoetst; X-11.736-4/6 Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een op 21 augustus 2003 ter post aangetekende brief beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 juli 2003 waarmee de gevraagde stedenbouwkundige vergunning werd gegeven; dat hij met een op dezelfde dag ter post aangetekende brief aan de verzoekende partijen een afschrift van het beroepschrift heeft gestuurd, waarvan de verzoekende partijen trouwens een kopie bij het verzoekschrift tot schorsing hebben gevoegd; dat daaruit prima facie blijkt, anders dan de verzoekende partijen thans voorhouden, dat hen geen "onvolledig" afschrift van dat beroepschrift werd betekend; dat in het beroepschrift niet wordt verwezen naar bijlagen; dat de gemachtigde ambtenaar wel met een afzonderlijke zending van 21 augustus 2003 het dossier aan de bevoegde administratie heeft overgemaakt; Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de "bijlagen" door de gemachtigde ambtenaar met een afzonderlijk schrijven van 21 augustus 2003 wel aan de bevoegde administratie doch niet aan de verzoekende partijen werden verstuurd; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen met een ter post aangetekende brief van 7 oktober 2003 werden uitgenodigd voor een hoorzitting op 23 oktober 2003 en dat hen met die brief werd meegedeeld dat het administratief dossier ter inzage zou liggen op de hoorzitting en dat zij het dossier voorafgaandelijk na telefonisch contact konden inkijken; dat de verzoekende partijen zelf een kopie van die brief bij het verzoekschrift tot schorsing hebben gevoegd; dat de verzoekende partijen met hun raadsman op de voornoemde hoorzitting aanwezig waren en werden gehoord, zoals blijkt uit de bewoordingen van het bestreden besluit; dat het bestuur aldus, ook al werden het administratief dossier en de inventaris ervan niet samen met het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht, aan dat gebrek alsnog overeenkomstig artikel 53, § 2, 3/, in fine, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening heeft verholpen; dat aan de finaliteit van die bepaling, met name dat de aanvrager op de hoorzitting met volledige kennis van zaken zijn standpunt kan uiteenzetten, lijkt te zijn voldaan; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de raadsman van de verzoekende partijen met een brief van 16 december 2003, na de kennisgeving van het bestreden besluit, inzage van het administratief dossier heeft gevraagd; dat de verzoekende partijen overigens niet aangeven, laat staan aannemelijk maken, dat zij van bepaalde stukken uit het dossier geen kennis konden nemen; dat in deze stand van het geding moet worden aangenomen dat de X-11.736-5/6 verzoekende partijen derhalve geen nuttig belang kunnen doen gelden bij het middel; dat het enige middel om die reden niet ernstig is; 2.
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2006, door : de H. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. C. ADAMS. X-11.736-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.313 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.