id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.390 Rolnummer: A. 142822/XIV-17149 Zaak: Arrest 161390 - - 19/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 01:17 Fiche Arrest nr 161.390 van 19 juli 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.390 van 19 juli 2006 in de zaak A. 142.822/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : . de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 17 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 september 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk werd verklaard “en van het bevel om het grondgebied te verlaten dat daarvan het gevolg is”; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-17.149-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. KECHICHE die, loco Advocaat P. ROBERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, dient op 26 september 2000 een eerste aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 11 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. 1.
- Op 17 april 2003 dient verzoekster een tweede aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 12 september 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX nationaliteit: Ecuador geboren te Cotacachi op 20/10/1967 adres: in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): het feit dat het kind van betrokkene lijdt aan het Syndroom van Seckel en geen instellingen bestaan die instaan voor de opvang van het kind en de verzorging van het kind, door het langdurig verblijf in België al volledig geïntegreerd is. Uit medische vraagstelling van onze controlearts en uit contacten met onze ambassade blijdt dat het XIV-17.149-2/6 CENTRO DE PARALISIS CEREBRAS in Quito medische zorgen biedt en gesteund werd door de Staatsinstelling INNFA-Instituto Nacional del Nino y de la Familia - in Conocoto Ciudad del Nino... Bijgevolg dient gevolg te geven aan het bevel betekend op 10/04/
- (...)”;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat in zoverre het beroep gericht is tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aan verzoekster betekend op 10 april 2003, dient te worden besloten tot de onontvankelijkheid ratione temporis;
- Over de gegrondheid van het beroep 3.
- Overwegende dat in het enig middel verzoekster stelt dat haar kind aan een zware aandoening lijdt welke niet door de verwerende partij wordt betwist, dat zij in haar aanvraag om machtiging tot verblijf heeft benadrukt dat de medische zorgen in Ecuador niet bestonden ofwel onbetaalbaar waren, wat erop neerkomt dat ze voor verzoeksters kind ontoegankelijk zouden zijn, dat zij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat bij het nemen van een dergelijke beslissing het bestuur moet nagaan of de betrokkene een daadwerkelijke toegang tot de medische verzorging heeft in zijn land van herkomst, dat het openbaar systeem van sociale zekerheid in Ecuador zo goed als bankroet is, dat het feit dat volgens de verwerende partij de “Centro de Paralisis Cerebral” gesteund wordt door de staatsinstelling INNFA, niet met de werkelijkheid strookt, aangezien het in casu gaat om een privé-vereniging, hetgeen blijkt uit de statuten, dat de veronderstelling dat het hier gaat om een door de overheid gefinancierde instelling op niets steunt, dat door het tegendeel te beweren, de Minister een kennelijke beoordelingsfout maakt en niet antwoordt op het belangrijkste element van de regularisatieaanvraag van verzoeker, namelijk dat de zorgen in Ecuador niet beschikbaar zijn, dat de dokter die in Quito door de Belgische ambassade geraadpleegd werd, schrijft dat zijn antwoord gesteund wordt door de opinie van collega-neuroloog I. C. U., dat het advies van dr. U. niet in het dossier werd bijgevoegd, zodat onmogelijk kan worden begrepen hoe hij tot de conclusie kwam dat de INNFA een staatsinstelling is; dat aldus niet voldoende geantwoord is op verzoeksters motieven voor regularisatie; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Belgische overheid zich niet enkel heeft gesteund op het door de Belgische ambassade gedane onderzoek waaruit blijkt dat zorgen mogelijk zijn in het land van herkomst, dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster zelf aangaf dat gedurende opeenvolgende periodes het kind wel degelijk in Equator verbleef, al dan niet door haar vergezeld en dat de zorgverstrekking gebeurde op twee uur afstand van haar gewone verblijfplaats, dat daaruit blijkt dat zelfs zonder de bijstand van de genoemde instelling de nodige zorgverstrekking mogelijk is; XIV-17.149-3/6 3.3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat blijkt dat in verzoeksters land van herkomst wel degelijk verzorging mogelijk is voor haar kind en dat zij bijgevolg gevolg dient te geven aan het eerder gegeven bevel van 10 april 2004; dat de verwerende partij in haar nota poogt de bestreden beslissing a posteriori bijkomend te motiveren; 3.3.
- Overwegende dat verzoekster ter ondersteuning van haar aanvraag om machtiging tot verblijf het volgende inriep: “Als buitengewone omstandigheden roepen mijn cliënten het volgende in: ! Mijn cliënten zijn wegens hun lange verblijf in België goed geïntegreerd. ! Het kind van mijn cliënt is ernstig gehandicapt. Hij lijdt aan een zeldzame, ongeneeslijke aandoening: het Seckel syndroom. Dit syndroom gaat gepaard met urologische anomalie, wervelzuilafwijking, neurologische afwijking, lichamelijke afwijkingen, belangrijke achterstand in motorische en mentale ontwikkeling, groeiachterstand, mentale retardatie, stoornissen in de verbening van het skelet... ! Mijn cliënte brengt medische stukken voor welke deze ernstige handicap aantonen. ! Mijn cliënte toont eveneens met stukken aan dat er voor haar zoon in haar thuisland voor “gewone” mensen niet toegankelijk is, enkel voor de upper class. De brief van kinderarts D. van het Algemeen Ziekenhuis Middelheim te Antwerpen stelt dat het kind geplaatst dient te worden in een aangepaste schoolomgeving voor motorisch en mentaal gehandicapte kinderen. ! Verder brengt mijn cliënte eveneens een brief voor van VZW Esmeraldas, welke bevestigt dat in Ecuador, en meer bepaald de geboortestreek van mijn cliënte, geen instellingen bestaan voor opvang van gehandicapte kinderen. Deze bevinden zich enkel in de hoofdsteden doch zij zijn onbetaalbaar voor de doorsnee Ecuadoriaan. ! Sociale Zekerheid is in Ecuador praktisch onbestaand, zodat mijn cliënte ook van daaruit geen steun dient te verwachten. ! Mijn cliënte brengt tevens een verklaring voor van de VZW Casa Chile, Centrum voor Latijns Amerikaanse vluchtelingen en ontwikkelingssamenwerking welke attesteert dat het vanuit de streek waar mijn cliënte met haar familie woonde, nog minstens 2 uur reizen is naar het dichtst mogelijke medisch centrum, gebruik makend van het openbaar vervoer, wat met een dergelijke gehandicapt kind al niet evident is; en dit driemaal per week. ! Het kind van mijn cliënte verblijft al een tijd in een Belgische instelling waar hij reeds aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt. ! Mijn cliënte heeft hier werk al schoonmaakster en heeft hier dus een inkomen. In Ecuador is de economische situatie zo slecht dat er geen werk te vinden is.”; 3.3.
- Overwegende dat verzoekster de nadruk legde op de praktische en financiële onmogelijkheid om in haar land van herkomst toegang te krijgen tot de nodige medische zorgen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken er zich toe beperkt te antwoorden dat “uit medische vraagstelling van onze controlearts en uit contacten met onze ambassade blijkt dat het Centro De Paralisis Cerebral in Quito medische zorgen biedt en gesteund wordt door de Staatsinstelling INNFA - Instituto Nacional del Nino y de Familia in Conocoto del Nino”; dat vooreerst blijkt dat het INNFA geen staatsinstelling is, maar een privé-vereniging; dat deze motivering aldus feitelijke grondslag mist; dat voor het overige niet door de verwerende partij wordt geantwoord op de door verzoekster aangevoerde argumenten ter staving van haar aanvraag; dat het enig middel in die mate gegrond is; XIV-17.149-4/6
- Overwegende dat de vordering tot schorsing van de beide bestreden beslissingen dient te worden verworpen;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 september 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster onontvankelijk werd verklaard. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-17.149-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juli tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.149-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.390 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.