id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.446 Rolnummer: A. 119055/IX-3287 Zaak: Arrest 161446 - - 25/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 01:24 Fiche Arrest nr 161.446 van 25 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.446 van 25 juli 2006 in de zaak A. 119.055/IX-
- In zake : Freddy MAES, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te LANDEN, Brugstraat 17 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Freddy MAES op 2 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 januari 2002, genomen door de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie van de Federale Politie, waarbij hem de tuchtstraf van de blaam opgelegd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-3287-1/47 Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 28 september 1973 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Sedert 26 september 1986 is hij titularis van de graad van adjudant. Hij is sinds 12 september 1988 aangesteld als commandant van de rijkswachtbrigade Voeren. 1.
- In 1998 en 1999 wordt, inzonderheid na de ontvangst van een klacht van 26 november 1998 van een rijkswachter van de brigade Voeren en rekening houdend met de wantoestanden die de interne onderzoeken over de werking van de brigade Voeren aan het licht gebracht hadden, op last van de procureur des Konings te Tongeren door de Enquêtedienst van het Comité P een opsporingsonderzoek gevoerd naar misdrijven die verschillende leden van de rijkswachtbrigade Voeren zouden gepleegd hebben. Die onderzoeken resulteren in een beslissing van de procureur des Konings -1 en 11 september 2000 gedagtekend- om de zaken strafrechtelijk zonder gevolg te laten wegens onvoldoende bewijzen of omdat het om toevallige feiten ging die hun oorzaak vonden in de specifieke omstandigheden waarin de dader zich bevond. Op 30 oktober 2000 wordt de verwerende partij de toelating gegeven om kennis te nemen van het geseponeerde strafdossier. IX-3287-2/47 1.
- In september 2000 wordt verzoeker bij ordemaatregel overgeplaatst naar de rijkswachtbrigade RIEMST. 1.4.
- Op 10 januari 2001 vestigt rijkswachter P. VANDERSTEEN, steller van de klacht van 26 november 1998 en inmiddels gepensioneerd, opnieuw de aandacht van de overheid op een aantal feiten die zich binnen de rijkswachtbrigade Voeren hebben voorgedaan en vraagt hij om “dringende interventie”. De brief, gericht aan het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken en daar ingekomen op 17 januari 2001, maakt onder meer melding van het “ongeoorloofd optreden van adjudant Maes, brigade Voeren, i.v.m. het wapenregister”. Aansluitend bij zijn vroegere klacht geeft hij nu een gelijklopende uitleg over de interesse van verzoeker in de aan- en verkoop van wapens bij personen die zich aanmelden om zich in regel te stellen met de vergunningsregeling, wijst hij erop dat hij van verschillende personen vernomen heeft dat “er iets onregelmatig verloopt betreffende het wapenregister”, dat met name verzoeker geen wapenvergunningen aflevert maar dat hij als beheerder van het wapenregister toch weet waar de wapens zich bevinden en dat het hem opvalt dat verzoeker sinds zijn detachering naar Riemst nog steeds “in het bezit (is) van het wapenregister”. 1.4.
- Na onderzoek van de zaak, aangebracht in de klacht van 10 januari 2001, redigeert de Algemene Inspectie van de Federale politie en van de Lokale politie (hierna: de Algemene Inspectie) op 8 maart 2001 ten behoeve van de procureur des Konings te Tongeren een proces-verbaal waarin volgende tekortkomingen vastgesteld worden : “- vanaf 1993 tot heden zijn geen wapens meer geregistreerd in het Centraal Wapenregister, behalve één wapen dat door de politie VOEREN werd geregistreerd op 07-10-1993; - diverse fouten in de nummergeving van de wapenvergunningen, bij sommige naderhand aangepast; - vergunningen die niet gedagtekend en/of genaamtekend werden door de autoriteit en/of titularis; - kenmerken van het wapen op de vergunning werden niet ingevuld; - andere handtekening dan MAES, maar met zijn naamstempel op de vergunning; - deel A van de vergunningsaanvraag, dat normaal bij de houder van de vergunning hoort te zijn, bevindt zich meermaals in de farde; - het strookje (souche) van de vergunning ontbreekt; - vergunningen ontbreken; - fiscale zegels ontbreken op vergunningen; - op de vergunning werd een verkeerd identificatienummer gebruikt voor de Brigade VOEREN, met name 73100 in plaats van 73109; - er zijn geen gegevens aanwezig per dossier van aanvrager (medisch attest, inlichtingen gemeente, criteria goedkeuring, ...).” IX-3287-3/47 Intern binnen de politiediensten leiden deze vaststellingen tot een administratief verslag nr. EIO/2001/032 dat op 2 juli 2001 aan de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie (hierna : DGA) ter kennis wordt gebracht. 1.
- Op 16 juli 2001 geeft de directeur-generaal van DGA opdracht om een voorafgaand tuchtonderzoek uit te voeren. De voorafgaand onderzoeker plaatst zijn opdracht in het verlengde van de interne onderzoeken die in 1999 en 2000 waren gevoerd over de mistoestanden in de brigade Voeren en hij gaat ervan uit dat de tuchtprocedure begin 2001 geschorst was wegens de inwerkingtreding van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP). In zijn verslag van 26 september 2001 aan de directeur-generaal DGA bespreekt hij dan de verschillende vergrijpen die tegen verzoeker ingebracht kunnen worden. Punt 4.12 handelt over “mogelijk onvoldoende professioneel optreden van commissaris van politie MAES inzake het bijhouden van het wapenregister” en daar wordt vermeld : “4.12.1 Datum van de feiten Wapenregister VOEREN is tot op heden niet in orde 4.12.2 Omschrijving van tenlastelegging CP MAES was als Bde Comd van VOEREN verantwoordelijk voor het bij- houden van het wapenregister. De algemene inspectie van de federale en de lokale politie hebben een onderzoek ingesteld naar de manier waarop het wapenregister van VOEREN werd bijgehouden. Volgende tekortkomingen werden vastgesteld. . Vanaf ‘93 zijn de wapens niet meer geregistreerd in het centraal wapen- register. De gegevens van het wapenregister in VOEREN werden niet meer overgemaakt. . Verschillende vergunningen werden niet getekend door de houder en/of de Bde Comd en/of de overdrager. Verschillende keren tekent CP MAES met ‘P.O.’ in plaats van de overdrager. (vb zie bijlage 6E, 6F, 6G, 6H, 6I). . Een vergunning voor het eigen wapen van CP MAES werd door hem zelf opgesteld (zie vb. bijlage 6J) en ondertekend. . Bij verschillende vergunningen is het strookje A, dat bestemd is voor de houder van het wapen, nog steeds aanwezig in het wapenregister (vb zie bijlage 6E en 6F). . Vergunning 00037, 00054, 00074, 00273 ontbreekt. . De strook van het soucheboekje dient in het wapenregister te zitten. Bij verschillende vergunningen ontbreekt deze strook (Vb zie bijlage 6K) . Strook B dient eveneens bewaard te worden in het register. Bij verschillende vergunningen ontbreekt dit strookje (zie bijlage 6L) . Het niet vermelden van de kenmerken van het wapen zoals aard, merk, type, serienr (zie bijlage 6I) . Bij sommige vergunningen steekt een kladbriefje met ‘verkocht’ erop. Nergens zijn verdere verwijzingen aan wie het wapen verkocht is (Bijlage 6M). IX-3287-4/47 . Andere vergunningen worden correct doorkruist met de vermelding ‘overleden’, maar de verwijzing naar de nieuwe eigenaar en vergunning klopt niet (zie bijlage 6N en 6O) . De vergunningen moeten voorzien zijn van takszegels. Er is bij nazicht echter op geen enkele vergunning een zegel te vinden. . Om een vergunning te verkrijgen moeten vragenlijsten ingevuld worden en theoretische en praktische proeven afgelegd worden. Hier is geen enkel van deze documenten terug te vinden in het wapenregister. Art 123 WGP : De politieambtenaren dragen te allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze mogen verwachten, (...) (...) Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven. 4.12.3 Elementen ten laste en ten ontlaste . Zie verklaring bijlage 5 Pt 13 4.12.4 Besluit CP MAES verklaart dat de vele tekortkomingen in het wapenregister te wijten zijn aan het feit dat hij andere prioriteiten van het Dist opgelegd kreeg. Dit is mijn inziens echter geen reden om het bijhouden van het wapenregister naast zich neer te leggen. CP MAES verklaart tevens dat hij in de Bde VOEREN niet in het bezit was van enige onderrichtingen ter zake. Toch werden er Nota’s vanuit het CBO overgemaakt aan de Bde VOERDEN m.b.t. het afleveren van machtigingen (zie bijlage 6P). Indien CP MAES de procedure voor het bijhouden van het wapenregister niet kende kon hij ofwel raad vragen aan het hoger echelon (Dist of CBO/sectie wapens) of de desbetreffende wetteksten raadplegen. Een verder tuchtonderzoek is aangewezen.” 1.6.
- Op 6 december 2001 stelt de directeur-generaal DGA een inleidend tuchtverslag op. Voor het relaas van de feiten stipt hij vooreerst aan dat een aantal van de feiten waarover het voorafgaand onderzoek handelt “nu niet worden weerhouden omdat ze ofwel niet bewezen zijn, ofwel verjaard zijn ofwel niet als tuchtinbreuk kunnen weerhouden worden”. Vervolgens stelt hij dat uit het verslag EIO/2001/032 van de Algemene Inspectie blijkt dat de punctuele controle van het wapenregister, getoetst aan het centraal wapenregister, aangetoond heeft dat aan verzoeker “op zijn minst een ernstig gebrek aan zorgvuldigheid moet worden ten laste gelegd” en dat “volgende tekortkomingen” werden vastgesteld : “vanaf 1993 zijn de wapens van Voeren niet meer geregistreerd in het Centraal Wapenregister, op uitzondering van één wapen dat op mysterieuze wijze werd ingeschreven door de politie van Voeren; verkeerde nummergeving, bij sommige naderhand aangepast; vergunningen niet gedagtekend en/of genaamtekend door uzelf en/of de houder van het wapen; kenmerk van het wapen niet ingevuld; deel A van de vergunning, dat bij de houder van het wapen behoort te zijn, zit nog in de farde; vergunningen ontbreken; de elementen voor het verlenen van elke vergunning ontbreken (vragen- lijsten, onderzoek door de politiediensten, theoretische en praktische proef), zodat geen opvolging van de situatie mogelijk is; IX-3287-5/47 fiscale zegels (1350 BEF per vergunning) ontbreken.” Op basis van die vaststellingen formuleert de directeur-generaal dan de volgende tenlastelegging : “Door als brigadecommandant vanaf 1993 tot op het ogenblik van uw detachering op 12 september 2000 het wapenregister bijzonder onzorgvuldig bij te houden, heeft u niet elke gedraging vermeden die het vervullen van de ambt- plichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig en is u ernstig te kort gekomen aan uw beroepsplichten. Wettelijke referentie : Artikel 132 van de wet op de geïntegreerde politie en artikel 3 van de wet houdende het tuchtstatuut.” Vervolgens wordt het voorstel geformuleerd om de tuchtstraf van de blaam op te leggen en wordt verzoeker in kennis gesteld van zijn verdedigingsmogelijkheden (indienen verweerschrift, mondeling horen, bijstand raadsman, mogelijkheid van getuigenverhoor en indienen van bijkomende stukken). In de rubriek “raadpleging van het dossier” wordt gesteld dat verzoeker gratis een kopie van het dossier verstrekt zal worden, waar en wanneer het tuchtdossier kan ingezien worden (bij DPMD Gent) en met de bijkomende bemerking : “het lijvige gerechtelijk dossier, waarvan geen elementen gebruikt worden in onderhavige tuchtprocedure, ligt ter inzage op het secretariaat CSD Genk (...).” 1.6.
- Het inleidend verslag wordt op 18 december 2001 aan verzoeker ter kennis gebracht. Verzoeker vraagt om door de bevoegde tuchtoverheid gehoord te worden. Op 15 januari 2002 vult de verwerende partij op uitdrukkelijke vraag van verzoeker het tuchtdossier aan met de stukken van het opsporingsonderzoek TG.36A.95.17-01, -te weten het door de procureur des Konings inmiddels geseponeerd strafonderzoek dat de Algemene Inspectie uitgevoerd had als gevolg van de klacht van 10 januari 2001- ; zij verlengt ook, wegens die aanvulling, de termijn voor het indienen van een verweerschrift tot 23 januari
- 1.6.
- Verzoeker dient op 22 januari 2002 een uitvoerig verweerschrift in en vult dit op 24 januari 2002 nog aan met de mededeling van de klacht met burgerlijke partijstelling die hij dezelfde dag bij de onderzoeksrechter indient tegen onder meer P. VANDERSTEEN, steller van de klacht die de gehele tuchtprocedure op gang gebracht heeft. IX-3287-6/47 1.
- Op 25 januari 2002 wordt verzoeker gehoord door de hoofdcommissaris die de directeur-generaal DGA daartoe had aangesteld. 1.
- Op 28 januari 2002 legt de directeur-generaal DGA aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam op. In de beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep, gaat de directeur-generaal eerst uitvoerig in op alle argumenten die verzoeker in zijn verweerschrift uiteengezet heeft. De tuchtstraf van de blaam wordt vervolgens als volgt verantwoord : “(...) 3.15 De feiten die ten laste gelegd worden maken wel degelijk een tuchtinbreuk uit omdat zij afbreuk doen aan artikel 123 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. U was, als brigadecommandant van een gemeente zonder politiecommissaris, krachtens het koninklijk besluit tot uitvoering van de wapenwet van 3 januari 1933 belast met een aantal zeer specifieke en wel omschreven taken. Bovendien is een tekortkoming aan de beroepsplichten ook in de voorheen van toepassing zijnde wetgeving omschreven als een tuchtinbreuk : artikel 24/2 van de hiervoor vermelde wet van 1973 bepaalde dat de personeelsleden de gegeven bevelen correct moeten uitvoeren en zich moeten gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst worden gegeven. Artikel 72 van de wet van 13 mei regelt enkel het probleem van de procedure die moet gehanteerd worden, ongeacht de juiste datum waarop de feiten begaan werden. Verder moet er op gewezen worden dat het voorafgaand onderzoek niet tot doel heeft de kwalificatie van de tuchtinbreuk als dusdanig vast te leggen maar wel de elementen ten laste en ten ontlaste in te zamelen zodat de tuchtoverheid zich een juist beeld kan vormen van de feiten die ten laste gelegd worden. 3.16 De feiten blijken uit het onderzoek van de Algemene Inspectie en worden toegegeven. Er kan aanvaard worden dat andere instanties hun taken met betrekking tot de uitvoering van de wapenwet en/of hun taak van toezicht en controle niet of onvoldoende ter harte genomen hebben. Dit doet echter geen afbreuk aan uw plichten. U heeft niet alleen de problemen die u zegt niet zelf te hebben kunnen oplossen niet of alleszins in onvoldoende mate gesignaleerd aan de diverse overheden. U heeft ook de taken die U wel naar behoren kon uitvoeren niet ter harte genomen. U wijt één en ander aan het leggen van prioriteiten in andere domeinen. Er wordt aanvaard dat er inderdaad belangrijke prioriteiten waren. Dit betekent echter niet dat minder prioritaire zaken ongeveer totaal verwaarloosd mogen worden. Het feit alleen al dat u meer dan drie jaar, nadat u een deel van het wapenregister ter beschikking had gesteld van de brigadecommissaris die belast was door de provinciegouverneur met een controle van de uitgereikte vergunningen, dit deel van het wapenregister niet had teruggevraagd is een duidelijke indicatie van een verregaande desinteresse. Bovendien getuigt het feit dat de rest van het wapenregister zich meerdere maanden bij u thuis bevond niettegenstaande u voorafgaandelijk naar een andere brigade was gedetacheerd van verregaande slordigheid. IX-3287-7/47 De brigade Voeren was, net als alle andere operationele rijkswachteenheden, wel degelijk bestemmeling van de wetgeving en de diverse richtlijnen met betrekking tot die wetgeving. Dit blijkt ten andere uit de bijlagen 6P en 6Q gevoegd bij het intern onderzoek van de Algemene Inspectie. De wetgeving en de korpsonderrichtingen met betrekking tot de wapenwet- geving werden op ruime wijze ter kennis gebracht binnen het Korps. De wijziging van de wapenwetgeving was ten andere zo ingrijpend dat zij op het ogenblik van de invoering ervan zeer geregeld het voorwerp uitmaakte van de dagdagelijkse gesprekken. Nadien was de brigade Voeren steeds bestemmeling van de wijzigingen aan deze wapenwetgeving. In de gemeente Voeren is de jacht wijd verspreid en minstens één van uw ondergeschikten was een fervent jager. De feiten maken een tekortkoming uit aan de beroepsplichten. 3.17 Door de vergaande slordigheid bij het beheer van het wapenregister is sinds 1993 geen efficiënt toezicht meer mogelijk op het legaal wapenbezit in die gemeente. Daardoor werden eventuele misbruiken mogelijk. 3.18 Bovendien konden daardoor personen zonder noodzakelijk aan de wettelijke voorwaarden (zoals onderzoek door de politiediensten, theoretische en praktische proef) te voldoen houder zijn van een vuurwapen waardoor mogelijks gevaarlijke toestanden konden ontstaan. 3.19 Het ontbreken van de fiscale zegels op een aantal vergunningen leidde tot minder inkomsten voor de Overheid. 3.20 De feiten hebben betrekking op de uitvoering van de dienst. 3.21 Door de verregaande slordigheid bij het bijhouden van het wapen- register heeft u niet steeds in alle omstandigheden bijgedragen tot de bescherming die de medeburgers mogen verwachten en heeft u niet steeds de nodige geest van dienstverlening betoond. 3.22 De goede werking van het korps en het welslagen van de acties vereisen dat de personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven. 3.23 Als brigadecommandant had u op het ogenblik van de feiten een voorbeeldfunctie. 3.24 De feiten zijn van aard het vertrouwen van de overheden en van het publiek in uw persoon in het gedrang te brengen. 3.25 Er zijn geen andere ongunstige vermeldingen bekend met betrekking tot uw wijze van dienen. 3.26 U werd door uw chef beoordeeld als een goed brigadecommandant. 3.27 ten laste gelegde tuchtinbreuk : Door als brigadecommandant vanaf 1993 tot op het ogenblik van uw detachering op 12 september 2000 het wapenregister bijzonder onzorgvuldig bij te houden heeft u niet steeds in alle omstandigheden bijgedragen tot de bescherming die de medeburgers mogen verwachten en is u ernstig te kort gekomen aan uw beroepsplichten. Wettelijke referentie : artikel 123 van de wet op de geïntegreerde politie en artikel 3 van de wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Beslissing Rekening houdend met de ernst van de feiten, met de afwezigheid van veroordelingen en tuchtstraffen en met uw staat van dienst heb ik beslist om u voor de ten laste gelegde tuchtvergrijpen een lichte straf op te leggen, met name de blaam. Deze straf heeft uitwerking op de dag van kennisgeving.” IX-3287-8/47 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep, verzonden op 2 april 2002, laattijdig ingediend is, aangezien verzoeker het bestreden besluit op 30 januari 2002 ontvangen heeft en de termijn om ertegen in beroep te gaan derhalve verstreek op maandag 1 april 2002; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord terecht stelt dat maandag 1 april 2002 een wettelijke feestdag -Paasmaandag- was en dat hij derhalve ook nog op dinsdag 2 april 2002 zijn beroep mocht indienen; dat de exceptie niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 1, § 1, 2, 3, 41 en 58 van de bestuurstaalwet, doordat de stukken uit een tuchtdossier opgesteld moeten zijn in de taal van de betrokken ambtenaar -in dit geval het Nederlands-, terwijl in dit geval een aantal stukken uit het gerechtelijk dossier dat op 15 januari 2002 bij zijn tuchtdossier gevoegd is, in het Frans gesteld zijn; dat naar zijn oordeel het tuchtdossier om die reden onwettig is, zeker nu hij uitdrukkelijk om de vertaling ervan gevraagd had; dat hij daarbij uiteenzet dat hij de aandacht van de tuchtoverheid op het probleem gevestigd heeft maar dat het bestuur de in het Frans gestelde stukken niet vertaald of vervangen heeft, dat het integendeel blijft voorhouden dat de betrokken stukken niet gebruikt zijn maar dat zulks niet relevant is aangezien die stukken, waarvan hij de inhoud -gelet op de verkeerde taal waarin zij gesteld zijn- niet kent, gegevens kunnen bevatten die voor hem voordelig zijn; dat hij ook betoogt dat de verwerende partij zich niet kan verschuilen achter het feit dat de toevoeging aan het dossier van in het Frans gestelde stukken het gevolg is van een uitdrukkelijke vraag van zijnentwege; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : verzoeker doelt op een verklaring van A. LINKENS over de herkomst van een aantal wapens en de verkoop ervan aan hem, opgenomen in het strafrechtelijk dossier TG.36.A.95.17-01 dat op 17 januari 2001 op vraag van verzoeker bij het tuchtdossier gevoegd werd; wat hier aan de orde staat is het tuchtdossier van verzoeker, dat betrekking heeft op het onzorgvuldig beheer van het wapenregister in Voeren en dat geen uitstaans heeft met de handel in wapens; de betrokken stukken vormen geen bewijs- of overtuigingsstuk in de tuchtzaak tegen verzoeker en derhalve moest zij er geen vertaling van laten opmaken; IX-3287-9/47 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volgende repliek naar voren brengt: niet betwist wordt dat de tuchtprocedure in het Nederlands gevoerd moest worden en dat het tuchtdossier stukken uit het strafdossier bevatte die in het Frans gesteld waren; aangezien een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich moet kunnen verdedigen over alle gegevens waarover de tuchtoverheid beschikt, is het van geen enkel belang of de betrokken stukken uit het strafdossier als bewijsstuk in aanmerking genomen zijn en moesten alle stukken van zijn tuchtdossier in het Nederlands gesteld zijn, zeker nu hij om een vertaling had gevraagd; overigens is het niet juist dat de Franstalige stukken niet in de besluitvorming betrokken zijn, aangezien de tuchtstraf slechts opgelegd is na de kennisneming door de tuchtoverheid van het strafdossier waarvan de Franstalige stukken een integrerend deel vormen; dat hij besluit dat essentieel acht geslagen moet worden op het feit dat de overheid hem een tuchtdossier ter inzage gegeven heeft dat niet beantwoordt aan de bestuurstaalwet die van openbare orde is en op het feit dat zijn rechten van verdediging miskend zijn doordat het voorgelegde tuchtdossier, ondanks zijn vraag naar een vertaling, stukken in een vreemde taal bevatte; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nogmaals benadrukt dat het gerechtelijk dossier Franstalige stukken bevatte en dat de verwerende partij daar acht op geslagen heeft; dat hij daarnaast nu ook nog verwijst naar andere Franstalige stukken die bij het tuchtdossier betrokken zouden geworden zijn, met name een zestal attesten van afgeleverde wapenvergunningen die tijdens het tuchtrechtelijk vooronderzoek door de dienst Enquêtes van het Comtié P aan de vooronderzoeker zijn bezorgd en dus in het tuchtdossier beland zijn en zodoende bij de vaststelling van de tekortkomingen gebruikt; dat hij opnieuw besluit dat, vanuit het oogpunt van zijn rechten van verdediging, niet aanvaard kan worden dat hij geconfronteerd wordt met anderstalige stukken, zelfs wanneer de tuchtoverheid er geen belang aan gehecht heeft; 3.5.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat de besluitvorming over de tuchtmaatregel die aan verzoeker opgelegd is, uitsluitend in het Nederlands moest gebeuren; dat in dit geval verzoeker ook niet betwist dat de verwerende partij die verplichting nagekomen is; dat hij wel erop wijst dat het strafdossier nr. TG.36.A.95.17-01, dat bij het tuchtdossier gevoegd werd, stukken bevat die in het Frans gesteld zijn en die hij niet begrijpt; dat hij met zijn laatste memorie een kopie overlegt van een aantal in het Frans gestelde wapenvergunningen die de vooronderzoeker als bewijs van de tenlastelegging in het dossier heeft opgenomen; IX-3287-10/47 dat in het kader van het middel onderzocht moet worden of de opname van die stukken in het tuchtdossier, zonder vertaling, de besluitvorming vitieert; 3.5.
- Overwegende dat de verplichting om het tuchtdossier in het Nederlands te behandelen inhoudt dat alle essentiële stukken waarop die besluitvorming steunt in het Nederlands gesteld moeten zijn, zonder dat daarbij gebruik gemaakt wordt van vertalingen; dat die verplichting doorwerkt ten aanzien van de onderliggende bewijsgegevens waarvan het bestuur zich bedient en dat de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar er aldus recht op heeft dat de stukken van het dossier, waarover hij zich moet verdedigen, in zijn taal opgesteld zijn; dat zulks evenwel niet betekent dat een tuchtprocedure steeds onregelmatig is als het dossier stukken bevat die niet in de taal van de betrokken ambtenaar opgesteld zijn; dat zulks enkel het geval zal zijn wanneer het een stuk betreft dat relevant is voor de bewijsvoering; 3.5.
- Overwegende dat de verwerende partij op vraag van de raadsman van verzoeker een afschrift van een gerechtelijk dossier bij het tuchtdossier gevoegd heeft; dat dit dossier TG.36.A.95.17-01, dat werd opgestart voor de onregelmatigheden in het bijhouden van het wapenregister door de rijkswachtbrigade te Voeren, twee processen-verbaal bevat -stukken nr. 50 tot 58- nopens het onderzoek naar de aankoop, door verzoeker in 1993, van een verweervuurwapen van een persoon die het wapen ter regularisatie bij de rijkswacht kwam aangeven; dat dit feit niets te maken heeft met de vraag naar het regelmatig bijhouden van het wapenregister van Voeren; dat bijgevolg, zeker nu hij die stukken zelf bij het dossier heeft laten voegen, het ontbreken van Nederlandse vertaling verzoeker op geen enkele wijze gehinderd kan hebben bij de voorbereiding van zijn verdediging in de tuchtzaak; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker ook verwijst naar de opname in het dossier van een aantal in het Frans gestelde documenten aangaande wapenvergunningen; dat het evenwel blijkt te gaan om wapenvergunningen die hijzelf behandeld heeft of waarvoor hij zelf verantwoordelijk was en die in het Frans zijn opgesteld wegens de taalfaciliteiten waarop de inwoners van Voeren zich in hun contacten met het bestuur kunnen beroepen; dat verzoeker te dien aanzien aan het bestuur niet kan verwijten dat hij deze stukken niet begrijpt en dat zij daarom niet zonder vertaling bij zijn tuchtdossier gevoegd hadden mogen worden; IX-3287-11/47 3.6.
- Overwegende dat de raadsman van verzoeker, met betrekking tot de schending van de bestuurstaalwet, ter terechtzitting ook nog betoogt dat de aanstelling van P. WARNY, de auteur van de bestreden beslissing, tot directeur- generaal DGA door de Raad van State met het arrest nr. 146.858 vernietigd is en dat hij zich daarbij afvraagt of betrokkene wel de vereiste kennis van het Nederlands had; dat hij vraagt dat die problematiek nader onderzocht zou worden; 3.6.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de bestuurstaalwet de openbare orde raakt niet betekent dat een verzoeker, wanneer hij als in dit geval reeds geruime tijd kennis kan hebben van alle gegevens ter adstructie van het middel, ter terechtzetting en zonder de verwerende partij daar voorafgaandelijk van te verwittigen, mondeling nog een nieuw middel aan de orde mag stellen; dat in elk geval louter uit de vernietiging van de aanstelling van P. WARNY niet volgt dat de bestreden beslissing met miskenning van de bestuurstaalwet getroffen zou zijn en dat de stukken van het dossier ook niet aantonen dat de directeur-generaal DGA in strijd met de bestuurstaalwet zou gehandeld hebben; 3.
- Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 4.1 Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 72 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet) luidens hetwelk “de bij de inwerkingtreding van deze wet hangende procedures met betrekking tot de personeelsleden op wie deze wet van toepassing is, [...] afgehandeld [worden] overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van deze wet toepasselijke regels”; dat hij betoogt dat krachtens dit artikel de tuchtwet -luidens artikel 2 van de wet van 30 maart 2001 tot wijziging van artikel 74 van de tuchtwet in werking getreden op 1 april 2001- niet van toepassing is op de tuchtprocedure, aangezien hij reeds voor 1 april 2001 tuchtrechtelijk vervolgd werd, wat uitdrukkelijk blijkt uit het voorafgaand verslag van 26 september 2001 van de commissaris-onderzoeker dat vermeldt dat op 10 november 1998 reeds opdracht gegeven werd tot een voorafgaand onderzoek, dat de dienst Enquêtes van het Comité P op 14 maart 2000 de schorsing van het “disciplinair” onderzoek vroeg, wat bevestigd werd door de Algemene Directie van het Personeel op 16 maart 2000 en dat op 29 december 2000 inleidende verslagen werden opgesteld, die nooit betekend werden en wat ook blijkt uit de bijlagen van het op 18 december 2001 aan verzoeker betekend inleidend verslag die duiden op “verder onderzoek” sedert 23 januari 2001 door de Algemene IX-3287-12/47 Inspectie -bijlagen echter niet in het administratief dossier of in de stukken van verzoeker terug te vinden- en uit het schrijven van 29 januari 2001 gericht aan verzoeker met de melding dat “de lopende tuchtprocedure niet verder kan gezet worden” -evenmin in het administratief dossier of in de stukken van verzoeker terug te vinden-; dat verzoeker voorts aanvoert dat ook de problematiek van het slecht beheer van het wapenregister van Voeren reeds voor 1 april 2001 aangegeven en onderzocht werd in het toen tegen hem lopende tuchtdossier, aangezien vooreerst de commissaris-onderzoeker zich op 24 juli 2001 gericht heeft tot de Algemene Directie Personeel/Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer Vlaanderen om erop te wijzen dat het “feit” betreffende het wapenregister van Voeren, waarvan sprake in de brief van 10 januari 2001 van een oud-rijkswachter, reeds vervat is in het lopende tuchtdossier en waarbij de commissaris-onderzoeker vroeg of beide dossiers samen behandeld dienden te worden, overeenkomstig artikel 7 van de tuchtwet, gezien hun samenhang, wat de directie van de Mobiliteit en het Loopbaanbeheer op 30 juli 2001 bevestigend beantwoordde, zodat de bestreden beslissing, die stelt dat de nota van 24 juli 2001 van de commissaris-onderzoeker niet volledig correct is, volledig tegengesproken wordt door het dossier, aangezien daarnaast de commissaris- onderzoeker in zijn voorafgaand verslag van 26 september 2001, gericht tot de DGA, stelt dat “het feit”, betreffende het slecht beheer van het wapenregister van Voeren, verbonden is met het lopend tuchtdossier dat geschorst werd, aangezien ook een oud-rijkswachter het probleem betreffende het wapenregister reeds in 1998 ter kennis bracht van een tuchtoverheid in zijn klachtenbundel van 28 oktober 1998 onder punt 8: “Ongeoorloofde handel door Adj. Maes” -bijgevoegd in strafdossier I- waar deze terzake op een “rel” duidde tussen verzoeker en diens brigadecommissaris en vermeldde dat om “bepaalde redenen” verzoeker het wapenregister van Voeren toch wenste te behouden, uiteraard onregelmatigheden inzake het wapenregister insinuerend gezien zijn doelstelling en aangezien ten slotte een lid van de dienst Enquêtes van het Comité P in zijn proces-verbaal nr. 99/5661 van 25 juni 1999 - bijgevoegd in strafdossier II- concludeerde dat verzoeker het beheer van het wapenregister moest ontnomen worden, wat een voorafgaand allesomvattend onderzoek betreffende het wapenregister impliceert, te meer gezien een onderzoek naar ongeoorloofde handel van wapens “onlosmakelijk” verbonden is met een onderzoek van het wapenregister indien de verdachte van de ongeoorloofde handel ook het wapenregister beheerde; dat verzoeker van oordeel is dat voor die feiten de tuchtprocedure diende te steunen niet op de tuchtwet, maar wel op de regels van toepassing voor de inwerkingtreding van die wet, meer bepaald tot en met 31 maart 2001; IX-3287-13/47 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat krachtens artikel 56 van de tuchtwet de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen de zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid; dat zij voorts betoogt dat het verslag van 8 maart 2001 van de Algemene Inspectie de feiten omschrijft als een ernstig gebrek aan zorgvuldigheid bij het beheer van het wapenregister van Voeren, zodat het geen strafrechtelijke, maar wel een tuchtrechtelijke inbreuk betreft en bijgevolg voornoemd artikel 56 van toepassing is; dat zij aanvoert dat dit artikel correct werd toegepast op verzoekers tuchtprocedure, aangezien de directeur- generaal van de DGA kennis kreeg van de feiten op 2 juli 2001 en binnen de zes maanden het inleidend verslag betekende aan verzoeker, meer bepaald op 18 december 2001; dat de verwerende partij erop duidt dat, alhoewel het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de tuchtwet dat een artikel 20, 2/, a, bevat dat bepaalt dat de directeur-generaal de bevoegde tuchtoverheid is van de personeelsleden van het middenkader van de federale politie slechts gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2001, de DGA op het ogenblik van het opstellen en betekenen van het inleidend verslag toch de bevoegde tuchtoverheid was omdat bij gebrek aan een tuchtoverheid hij over volheid van bevoegdheid beschikte; dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoekers tuchtprocedure onder de toepassing valt van de tuchtwet aangezien de bevoegde tuchtoverheid kennis kreeg van de feiten op 2 juli 2001, dus na de inwerkingtreding van de tuchtwet op 1 april 2001; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de bevoegde tuchtoverheid reeds voor 1 april 2001 kennis had van mogelijke tekortkomingen in het beheer van het wapenregister van Voeren en dat dit feit reeds deel uitmaakte van het lopende tuchtdossier, aangezien de commissaris- onderzoeker zich op 24 juli 2001 gericht heeft tot de Algemene Directie Personeel/Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer Vlaanderen om erop te duiden dat het feit betreffende het wapenregister van Voeren, waarvan sprake in de brief van een oud-rijkswachter van 10 januari 2001, geen nieuw feit uitmaakte maar reeds vervat was in het reeds voor 10 januari 2001 lopende tuchtdossier en aangezien een lid van de dienst Enquêtes van het Comité P op 25 juni 1999 reeds onderzoek gevoerd had inzake het wapenregister en geconcludeerd had dat het beheer van het wapenregister verzoeker diende ontnomen te worden; dat verzoeker voorts betoogt dat het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de tuchtwet inderdaad pas in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd op 28 december 2001, IX-3287-14/47 zodat op het ogenblik van de betekening van het inleidend verslag op 18 december 2001 er nog geen juridisch kader bestond voor het verloop van de nieuwe tuchtprocedure en bijgevolg de oude regels hadden moeten worden toegepast; dat hij er ook op duidt dat op tuchtrechtelijk vlak er slechts volheid van bevoegdheid bestaat indien een wetsbepaling die uitdrukkelijk heeft toegewezen, terwijl geen wetsbepaling bekend is die volheid van bevoegdheid toekende aan de DGA; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat een procedure niet pas “hangende” is indien een inleidend verslag formeel betekend wordt, doch wel vanaf het ogenblik dat er tegen een persoon onderzoeksverrichtingen gevoerd worden en verdenkingen geuit, zo niet zou er tegen een persoon die nog niet formeel tuchtrechtelijk vervolgd wordt willekeurig kunnen opgetreden worden; 4.5.
- Overwegende dat krachtens artikel 72 van de tuchtwet een tuchtprocedure wordt afgehandeld volgens de voorheen bestaande procedure wanneer de tuchtprocedure op 1 april 2001 “hangende” is; dat de voorheen bestaande regeling vervat was in de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht; dat krachtens artikel 24/27 van die wet een tuchtprocedure aangevat wordt met het inleidend verslag dat aan de betrokkene ter kennis moet worden gebracht; dat de omstandigheid dat er met het oog op de redactie van een inleidend verslag een voorafgaand onderzoek uitgevoerd wordt niet betekent dat de tuchtprocedure op een vroeger tijdstip zou kunnen aanvangen; 4.5.
- Overwegende dat, aangezien in dit geval er op 1 april 2001 nog geen inleidend verslag was opgesteld waarin specifiek aan verzoeker ten laste werd gelegd dat hij het wapenregister van Voeren onzorgvuldig had bijgehouden, er ook geen sprake is van een “hangende procedure” in de zin van artikel 72 van de wet van 13 mei 1999; 4.5.
- Overwegende dat verzoeker, om aan te tonen dat de onderhavige tuchtprocedure wel reeds hangende was op 1 april 2001, verwijst naar het verslag van 26 september 2001 van de voorafgaande onderzoeker in de onderhavige tuchtzaak, waarin gewezen wordt op het bestaan van een “inleidend verslag van 29 december 2000”, maar dat nooit aan verzoeker werd betekend; dat in elk geval verzoeker niet aantoont dat dit verslag, dat blijkbaar steun vindt in het -inmiddels IX-3287-15/47 door de procureur des Konings geseponeerde- strafonderzoek dat opgestart was na het indienen van klachten over de werking van de rijkswachtbrigade Voeren, ook reeds betrekking had op het onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister van de gemeente Voeren; dat integendeel uit die strafonderzoeken, zoals ze aan de Raad van State overgelegd zijn, blijkt dat toen alleen een onderzoek is gewijd aan de aankoop door verzoeker van een wapen dat hem was aangeboden in het kader van de wapenwetgeving; dat overigens de voorafgaand onderzoeker in zijn conclusie geen enkel verband meer legt met het verslag van 29 december 2000, maar dat hij nog enkel verwijst naar het verslag van de Algemene Inspectie en besluit dat met betrekking tot het onzorgvuldig beheer van het wapenregister “verder tuchtonderzoek aangewezen (is)”; dat de verwerende partij dan ook in het bestreden besluit terecht gesteld heeft -overweging 3.5.- : “Er moet verder op gewezen worden dat de nota van CP Robin Minten van 24 juli 2001 aan DGP/DPMD Vlaanderen niet volledig correct is. Betrokkene stelt ten onrechte dat het bijhouden van het wapenregister reeds vervat is in het lopende tuchtdossier. In het eerste voorafgaand onderzoek was enkel sprake van transacties van wapens en niet van het onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister. Wel is het zo dat een bepaald stuk, de verklaring van de heer Lambert André m.b.t. de verkoop van zijn wapen in 1992 in beide dossiers is terug te vinden. In 1998 maakte de heer Vandersteen wel gewag van ongeoorloofde handel maar niet van het bijzonder onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister. In deze context moet er verder op gewezen worden dat de conclusie van de heer Van Herck omtrent de wijze waarop het wapenregister zou moeten bijgehouden worden geen enkel formeel element inhoudt dat zou bewijzen dat het wapenregister zeer onzorgvuldig werd bijgehouden. Verder stelt CP Robin Minten enkel vast dat inzake uw persoon twee voorafgaande onderzoeken lopende zijn en stelt hij de vraag of beide, in het licht van artikel 7 van de wet van 13 mei 1999, mogen samengevoegd worden. Uit wat voorafgaat moet afgeleid worden dat de tuchtoverheid pas na het schrijven van de heer Vandersteen van 10 januari 2001 op de hoogte werd gebracht van het onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister en dat bijgevolg de wet van 13 mei 1999 van toepassing is op dit ten laste gelegde feit;” 4.5.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij geen toepassing mocht maken van artikel 72 van de wet van 13 mei 1999; dat het middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 38bis van de tuchtwet overeenkomstig hetwelk de betekening van het inleidend verslag gebeurde en luidens hetwelk “de hogere tuchtoverheid die oordeelt dat de feiten kunnen leiden tot de zware tuchtstraf [...] het inleidend verslag ter kennis [brengt] van de betrokkene, hetzij door de overhandiging van bedoeld IX-3287-16/47 verslag tegen een ontvangstbewijs, hetzij door een ter post aangetekend schrijven” en luidens hetwelk “het inleidend verslag meldt : 1/ alle ten laste gelegde feiten; 2/ het feit dat een tuchtdossier wordt samengesteld, dat een zware tuchtstraf wordt overwogen en welke straf de tuchtoverheid overweegt (...)”; dat hij betoogt dat er in het inleidend verslag van de DGA echter geen sprake is van een zware tuchtstraf, doch er wel gesteld wordt “dat U een blaam moet opgelegd worden”, wat krachtens artikel 4 van de tuchtwet een lichte tuchtstraf is; dat verzoeker duidt op artikel 38, vierde lid, van de tuchtwet dat bepaalt dat indien de hogere tuchtoverheid oordeelt dat de feiten in aanmerking komen voor een lichte tuchtstraf, zij of haar afgevaardigde voor zover als nodig dan handelt zoals de gewone tuchtoverheid, wat betekent dat de betekening dient te gebeuren overeenkomstig artikel 33 en niet artikel 38bis van de tuchtwet, zoals te dezen gebeurde; dat hij stelt dat bijgevolg een vormvoorschrift van openbare orde niet is nageleefd en dat hij in verwarring werd gebracht gezien de hogere tuchtoverheid hem enerzijds uitdrukkelijk in kennis stelde van haar voornemen hem een lichte tuchtstraf op te leggen doch anderzijds hem behandelde alsof hij een zware tuchtstraf riskeerde; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, zoals zij hierboven heeft uiteengezet, de DGA op 18 december 2001 volheid van bevoegdheid had en krachtens artikel 17, tweede lid, van de tuchtwet lichte en zware tuchtstraffen kon opleggen; dat zij voorts betoogt dat bij de betekening van het inleidend verslag niet voornoemd artikel 38bis verkeerdelijk werd toegepast, doch wel voornoemd artikel 33 correct werd toegepast, aangezien de bepalingen van artikel 33 identiek zijn aan die van artikel 38bis, hoewel artikel 33 geldt voor een gewone tuchtoverheid die een lichte tuchtstraf overweegt en artikel 38bis geldt voor een hogere tuchtoverheid die een zware tuchtstraf overweegt, en met inachtneming van voornoemd artikel 38, vierde lid, dat bepaalt dat een hogere overheid die een lichte tuchtstraf overweegt, moet handelen zoals een gewone tuchtoverheid en bijgevolg voornoemd artikel 33 moet naleven; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de betekening van het inleidend verslag “expressis verbis (zie de hoofding van de betekening)” gebeurde in toepassing van voornoemd artikel 38bis en niet voornoemd artikel 33; dat hij voorts betoogt dat betekeningen van exploten in tuchtzaken substantiële vormvereisten zijn in het belang van de rechtsonderhorige die van openbare orde zijn; dat hij opwerpt dat de bepalingen van voornoemd artikel IX-3287-17/47 33 en voornoemd artikel 38bis niet gelijkluidend en identiek zijn en dat dit ook irrelevant is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat hij na de betekening van het inleidend verslag terecht oordeelde dat de tuchtoverheid een zware tuchtstraf overwoog, gezien de betekening krachtens voornoemd artikel 38bis en aangezien de overheid ten aanzien van hem in het verleden reeds uitermate en abnormaal streng optrad, wat blijkt uit de brief van de procureur des Konings te Tongeren van 27 februari 2002 aan de DGA -een stuk gevoegd bij verzoekers laatste memorie en dus laattijdig- waarin de procureur des Konings stelt dat de lichte sanctie van de blaam voor het verwaarlozen van het wapenregister van Voeren in schril contrast staat met de maatregel van inwendige aard waarbij verzoeker als brigadecommandant uit de brigade Voeren werd gezet sinds september 2000; dat verzoeker betoogt dat hem bijgevolg niet verweten kan worden het voorstel van de lichte tuchtstraf van de blaam onjuist ingeschat te hebben; 5.5.
- Overwegende dat in het inleidend verslag, zoals het aan verzoeker ter kennis gebracht is -wat gebeurd is met de nota van 18 december 2001- inderdaad verwezen wordt naar artikel 38bis van de tuchtwet; dat die bepaling het geval regelt waarin de hogere tuchtoverheid van oordeel is dat de feiten kunnen leiden tot een zware tuchtstraf; dat het geval waarin de hogere tuchtoverheid van oordeel is dat de feiten met een lichte tuchtstraf bestraft moeten worden, geregeld wordt door artikel 38, vierde lid van de tuchtwet, waarin gesteld wordt dat de hogere tuchtoverheid dan handelt als de gewone tuchtoverheid; dat die regeling opgenomen is in artikel 33 van dezelfde wet; Overwegende dat verzoeker van oordeel is dat de verwerende partij, door te verwijzen naar artikel 38bis en niet naar artikel 38, vierde lid en artikel 33, een vormvoorschrift miskend heeft dat van openbare orde is en dat hem overigens in verwarring heeft gebracht; 5.5.
- Overwegende dat daargelaten de vraag of de tuchtwet de tuchtoverheid verplicht aan de betrokken ambtenaar mede te delen ter uitvoering van welke bepaling van de wet het inleidend tuchtverslag wordt opgesteld, in dit geval vastgesteld wordt dat het inleidend verslag inhoudelijk voldoet aan de bepalingen van artikel 33 van de tuchtwet, die overigens, wat de na te leven vormen betreft, niet verschillen van artikel 38bis; dat het inleidend verslag dus alle vermeldingen bevat die IX-3287-18/47 artikel 33 oplegt; dat verzoeker overigens niet betwist dat de verwerende partij in het inleidend verslag ook daadwerkelijk alle vormvoorschriften opgelegd door artikel 33 nageleefd heeft; dat bij lezing van het inleidend verslag onmiddellijk blijkt dat verzoeker zich niet kan vergist hebben over de plannen van de verwerende partij om hem de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen; dat het bestreden besluit niet onregelmatig is omdat er abusievelijk, in de aanhef van het inleidend verslag, verwezen wordt naar artikel 38bis van de tuchtwet, zeker nu die vermelding, in acht genomen de duidelijke uiteenzetting die volgt, duidelijk het karakter heeft van een materiële vergissing; dat het middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 56 van de tuchtwet luidens hetwelk “de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid” en dat ook bepaalt dat bij een opsporingsonderzoek of strafvervolging voor dezelfde feiten die termijn van zes maanden begint te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing genomen werd of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is; dat hij betoogt dat een oud-rijkswachter in de loop van 1998 de tuchtoverheid reeds in kennis stelde van het slecht beheer van het wapenregister en een lid van de dienst Enquêtes van het Comité P op 25 juni 1999 reeds proces-verbaal opstelde betreffende het beheer van het wapenregister, zodat minstens sedert 1998 het slecht beheer van het wapenregister Voeren gekend was bij de tuchtoverheid en bijgevolg geen tuchtvordering meer mogelijk was voor die feiten; dat verzoeker voorts aanvoert dat de seponeringsbeslissing van de procureur des Konings van 31 oktober 2000 met zekerheid betrekking had op de problematiek van het wapenregister, aangezien zowel de klacht van de oud-rijkswachter als de proces-verbalen van het lid van de dienst Enquêtes van het Comité P aan de procureur des Konings werden overgemaakt en deze na grondig onderzoek van alle feiten -ook de problematiek van het wapenregister- oordeelde dat geen strafbare feiten gepleegd werden; dat verzoeker erop duidt dat de seponeringsbeslissing van 26 september 2001 betreffende het wapenregister louter de bevestiging was van de seponeringsbeslissing van 31 oktober 2000 en bijgevolg door het verstrijken van de termijn van zes maanden sedert 31 oktober 2000 de tuchtvordering verjaard was; dat hij voorts betoogt dat voornoemd artikel 56 ongrondwettelijk is en strijdig met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de begindatum van de termijn van zes maanden afhankelijk is van de mededeling door IX-3287-19/47 de gerechtelijke overheid aan de tuchtoverheid van haar seponeringsbeslissing, zodat bij nalatigheid geen begin- noch einddatum kan vastgesteld worden en het risico op tuchtvervolging onbeperkt blijft bestaan; dat hij opwerpt dat te dezen de tuchtoverheid steeds verzuimd heeft inzage te verlenen in de stukken van het gerechtelijk dossier, opgesteld na 31 oktober 2000, zodat onderzoek betreffende de verjaringstermijnen onmogelijk was; dat hij tenslotte verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 15 oktober 1987 volgens hetwelk de tuchtoverheid haar beslissing niet diende op te schorten tot na de uitspraak van de strafrechter; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het opsporingsonderzoek en de seponeringsbeslissingen het onwettig wapenbezit en de daarmee gepaard gaande onregelmatigheden bij het beheer van het wapenregister betroffen, terwijl het “onzorgvuldig” beheer van het wapenregister geen strafrechtelijke inbreuk is en niet het voorwerp kan uitmaken van een opsporingsonderzoek, zodat het onmogelijk is aan te tonen dat minstens sedert 1998 een bevoegde tuchtoverheid op de hoogte was van dit onzorgvuldig beheer en een tuchtsanctie zich terzake opdrong; dat zij aanvoert dat de commissaris-onderzoeker op 24 juli 2001 ten onrechte gesteld heeft dat het beheer van het wapenregister reeds vervat was in het lopende tuchtdossier, aangezien het eerste voorafgaande onderzoek enkel transacties van wapens betrof en aangezien hij enkel vroeg of de twee voorafgaande onderzoeken lopende tegen verzoeker konden worden samengevoegd overeenkomstig artikel 7 van de tuchtwet; dat zij betoogt dat de oud-rijkswachter in 1998 enkel verwees naar ongeoorloofde handel, maar niet naar het onzorgvuldig beheer van het wapenregister en hij geen enkel formeel bewijs leverde van onzorgvuldig beheer; dat zij bijgevolg besluit dat de bevoegde tuchtoverheid pas op 2 juli 2001 kennis kreeg van het onzorgvuldig beheer van het wapenregister naar aanleiding van het verslag van de Algemene Inspectie en dat, aangezien het inleidend verslag aan verzoeker betekend werd op 18 december 2001, er geen zes maanden verstreken waren sedert de kennisname door de tuchtoverheid en de termijn van voornoemd artikel 56, eerste lid, dus niet overschreden werd; dat zij daaraan toevoegt dat er geen twijfel over bestaat dat de feiten niet verjaard zijn, aangezien krachtens artikel 56, derde lid, van de tuchtwet de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt en de definitieve beslissing van de tuchtoverheid dateert van 28 januari 2002; 6.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat reeds in 1999 de tuchtoverheden kennis hadden van mogelijk onzorgvuldig beheer van het wapenregister van Voeren tengevolge van de hen IX-3287-20/47 overgemaakte gerechtelijke dossiers; dat hij aanvoert dat inderdaad de seponeringsbeslissingen van de procureur des Konings enkel strafbare feiten betreffen, doch dit geen afbreuk doet aan het feit dat tuchtoverheden kennis kregen van vermoedens van onzorgvuldig beheer van het wapenregister via geseponeerde strafdossiers; dat hij betoogt dat de commissaris-onderzoeker zeer nauwgezet aanduidt dat “het feit”, waarvan sprake in de brief van de oud-rijkswachter van 10 januari 2001 betreffende het onzorgvuldig beheer van het wapenregister, geen nieuw feit is, maar reeds vervat was in het lopende tuchtdossier daterend van voor 10 januari 2001; dat hij voorts aanvoert dat de oud-rijkswachter zich op 10 januari 2001 gericht heeft tot de minister van Binnenlandse Zaken, die in de tuchtwet aangemerkt wordt als een bevoegde tuchtoverheid, zodat meer dan zes maanden verstreken tussen de kennisname van de feiten door de tuchtoverheid op 10 januari 2001 en de betekening van het inleidend verslag op 18 december 2001; dat hij daaraan toevoegt dat de minister van Binnenlandse Zaken een onderzoek beval zodat nog andere tuchtoverheden reeds lang voor 2 juli 2001 kennis konden nemen van het feit van het onzorgvuldig beheer van het wapenregister; 6.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat voornoemd artikel 56 uitdrukkelijk bepaalt dat de betekening van het inleidend verslag moet geschieden binnen zes maanden na kennisneming of vaststelling van de feiten door “een” bevoegde tuchtoverheid en dit artikel nergens bepaalt dat de kennisname of vaststelling van de feiten moet gebeuren door “de” bevoegde tuchtoverheid van het betrokken personeelslid; dat hij bijgevolg betoogt dat de minister van Binnenlandse Zaken een bevoegde tuchtoverheid is zoals bedoeld in artikel 56, zodat er meer dan zes maanden verstreken tussen de kennisname van de feiten door de minister in januari 2001 en de betekening van het inleidend verslag op 18 december 2001; 6.5.
- Overwegende dat blijkens punt 3.
- van het bestreden besluit de tuchtoverheid zich op het standpunt geplaatst heeft dat zij “pas na het schrijven van de heer VANDERSTEEN van 10 januari 2001 op de hoogte werd gebracht van het onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister (...)”; dat in punt 3.
- van hetzelfde besluit nog wordt gesteld dat “het niet aan te tonen (is)” dat “reeds in 1997 een bevoegde tuchtoverheid op de hoogte was van het bijzonder onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister”, aangezien “vaststellen dat er zich bepaalde problemen stellen bij het correct bijhouden van het wapenregister nog niet hetzelfde betekent als IX-3287-21/47 vaststellen dat er onregelmatigheden of ernstige onzorgvuldigheden zijn begaan waarvoor een tuchtsanctie zich opdringt”; 6.5.
- Overwegende dat in het proces-verbaal nr. 99/5661 van 25 juni 1999 van de dienst Enquêtes van het Comité P, de onderzoeksverrichtingen die tot dan toe over de werking van de rijkswachtbrigade Voeren en over de verschillende klachten die tegen individuele rijkswachters waren naar voren gebracht waren opgesteld, samengevat worden; dat de verbalisant in de rubriek “voorstel” met betrekking tot verzoeker het volgende stelt: “Omtrent de ongeoorloofde handel van adjudant MAES, dus in feite de verkoop van een wapen, zijn wij van mening dat het in feite niet kan dat een politieman, in dit geval de adjudant MAES, voor zichzelf de administratieve formaliteiten vervult voor het inschrijven in het wapenregister. Wij zijn van mening dat de brigadecommissaris GEERAERTS de opdracht moet krijgen om hetzij het wapenregister van de Voerstreek bij te houden, ofwel minstens een controlerecht moet hebben”; dat die passage teruggaat naar het onderzoek (proces- verbaal nr. 99/2725 van 25 maart 1999) dat de dienst Enquêtes, in opdracht van de Procureur des Konings te Tongeren, gewijd heeft aan een klachtenbrief van 26 november 1998 van rijkswachter VANDERSTEEN van de brigade Voeren, waarin deze in een rubriek “ongeoorloofde handel door adjt. MAES”, melding maakte enerzijds van een feit uit 1992 waarbij een burger zijn longrifle wenste te laten registreren in het wapenregister maar waarbij verzoeker aangestuurd zou hebben op -en ook zou verkregen hebben- dat het wapen aan hem werd verkocht en anderzijds van de “bijkomende omstandigheid” dat hij in maart 1998 vernomen had dat er een rel was geweest tussen verzoeker en brigadecommissaris GEERAERTS over een pistool dat verzoeker “graag voor zich wilde hebben”, wat er volgens de klager op duidt “dat de aankoop van een wapen dat diende geregistreerd te worden geen éénmalig feit betreft”; dat uit het desbetreffend verhoor van verzoeker blijkt dat het onderzoek beperkt gebleven is tot de betrokkenheid van verzoeker bij transacties van wapens die hem werden aangeboden in het kader van de wapenwetgeving; dat uit de overige stukken van de overgelegde strafdossiers niet opgemaakt kan worden dat het toen gevoerde strafonderzoek ook betrekking had op de wijze waarop het wapenregister bijgehouden werd; 6.5.
- Overwegende dat de problematiek van het beheer van het wapenregister voor het eerst aan bod gekomen is in de nieuwe klachtenbrief die P. VANDERSTEEN in januari 2001 richtte aan het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken en waarin hij verhaalt dat hij “enkele maanden geleden van IX-3287-22/47 verschillende personen vernomen heeft dat er iets onregelmatigs verloopt betreffende het wapenregister”, met name dat verzoeker bij een aanvraag om inschrijving van een wapen geen vergunning afgeleverd zou hebben, dat verschillende personen “reeds geruime tijd op hun vergunning wachten”, en dat verzoeker sedert zijn detachering naar Riemst -in september 2000- nog altijd het wapenregister in zijn bezit heeft; dat die brief, die op zich onmiskenbaar niet volstond om de rijkswachthiërarchie op voldoende duidelijke wijze kennis te laten krijgen van een tuchtinbreuk, het voorwerp uitgemaakt heeft van een nieuw onderzoek door de Algemene Inspectie, dat uitgelopen is enerzijds op een administratief verslag EIO/2001/032 dat op 2 juli 2001 aan de directeur-generaal DGA bezorgd is en anderzijds op een seponeringsbeslissing van 26 september 2001 door de procureur des Konings te Tongeren van de strafrechtelijke aspecten van de zaak (de zaak TG.36.A.95.17-01), met toelating om inzage en afschrift te nemen van het strafdossier; dat de directeur-generaal DGA op 16 juli 2001, op basis van het administratief verslag, de opdracht gegeven heeft om een voorafgaand tuchtonderzoek in te stellen dat dan afgesloten is met een verslag van 26 september 2001 waarin, met betrekking tot het “mogelijk onvoldoende professioneel optreden van (verzoeker) inzake het bijhouden van het wapenregister”, een “verder tuchtonderzoek aangewezen (werd geacht)”; dat vervolgens op 18 december 2001 het inleidend tuchtverslag van 6 december 2001 ter kennis van verzoeker gebracht is; 6.5.
- Overwegende dat verzoeker ook in het kader van dit middel stelt dat de omstandigheid dat de voorafgaand onderzoeker erop aangedrongen heeft het onderzoek in verband te brengen met “een lopend tuchtdossier”, aantoont dat het bestuur vóór januari 2001 op de hoogte was van de onzorgvuldigheden met betrekking tot het bijhouden van het wapenregister van Voeren; dat, als reeds eerder aangestipt, uit de stukken die aan de Raad van State voorgelegd zijn niet opgemaakt kan worden dat de problematiek van het beheer van het wapenregister onderzocht is vooraleer P. VANDERSTEEN daarover de eerste aanzet heeft gegeven in zijn brief van 10 januari 2001, aangezien het onderzoek tot dan toe uitsluitend gefocust werd op koop en verkoop van wapens waarvan hij het bestaan afwist wegens zijn bevoegdheden inzake het wapenregister; 6.5.
- Overwegende dat, alle gegevens van het dossier in aanmerking genomen, vastgesteld wordt dat de tuchtoverheid slechts door middel van het onderzoek van de Algemene Inspectie voldoende informatie gekregen heeft over onregelmatigheden die specifiek betrekking hadden op het bijhouden van het IX-3287-23/47 gemeentelijk wapenregister opdat zij tot een precieze actie zou kunnen overgaan; dat aldus, aangezien het administratief verslag aan de verwerende partij betekend is op 2 juli 2001 en zij op 16 september 2001 kennis gekregen heeft van het afsluiten van het opsporingsonderzoek, de betekening van het inleidend tuchtverslag gebeurd is binnen de termijn bepaald door artikel 56 van de tuchtwet; dat het middel niet gegrond is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het algemeen rechtszekerheidsbeginsel en de redelijke termijnvereiste; dat hij betoogt dat de bestreden beslissing uit 2002 niet binnen een redelijke termijn is genomen aangezien sedert 30 juni 1997 reeds een strafrechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek plaatsvonden die resulteerden in seponeringsbeslissingen, aangezien herhaaldelijk de procedures geschorst werden om redenen die enkel kunnen toegerekend worden aan de overheid zelf, aangezien tussen 1 januari 2001 en 31 maart 2001 -een periode van drie maanden of de helft van de verjaringstermijn van zes maanden- “een tuchtrechtelijk vacuüm” ontstond omdat de oude tuchtwetgeving van de rijkswacht niet meer van toepassing was en de nieuwe tuchtwetgeving nog niet in werking was getreden en aangezien een oud-rijkswachter op 10 januari 2001 aangifte deed van de feiten aan de minister van Binnenlandse Zaken, zijnde een tuchtoverheid, pas twee maanden later, op 8 maart 2001, een proces-verbaal werd opgesteld, hetwelk pas op 10 mei 2001 doorgestuurd werd naar de procureur des Konings; dat verzoeker duidt op de verklaring van de adjunct inspecteur-generaal bij de Algemene Inspectie, die luidde als volgt : “(...) Dat alles zo lang op zich laat wachten, heeft niks met toedekken te maken. Eerder met de tuchtwet, die pas heel recent op punt is gesteld (...)”; dat verzoeker aanvoert dat de tuchtoverheid deze verklaring in de bestreden beslissing niet ten gronde tegenspreekt; dat hij deze verklaring bevestigd ziet door het feit dat pas tijdens de tuchtprocedure, meer bepaald op 28 december 2001, het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat tussen 10 januari 2001 en 8 maart 2001 de Algemene Inspectie een grondig onderzoek gevoerd heeft van twee maanden, een zeer redelijke termijn, om een degelijk zicht te krijgen op de toestand van het wapenregister teneinde de rechten van verzoeker te beschermen en de tuchtoverheid toe te laten een gepaste tuchtsanctie op te leggen; dat zij betoogt dat na het aanvankelijk proces-verbaal van 8 maart 2001 het IX-3287-24/47 onderzoek naar het wapenregister nog volop aan de gang was en het aanvankelijk proces-verbaal pas afgesloten werd op 27 april 2001, zodat het pas op 10 mei 2001door de procureur des Konings ontvangen werd; dat zij aanvoert dat na dit onderzoek nog andere onderzoeksdaden verricht werden waarbij geenszins gesteld kan worden dat de tuchtoverheid getalmd heeft, zodat op 6 december 2001 het inleidend verslag kon opgesteld worden, dit op 18 december 2001 aan verzoeker betekend werd en de bestreden beslissing op 28 januari 2002 genomen werd; dat zij bijgevolg besluit dat de redelijke termijnvereiste niet geschonden is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de in acht te nemen begindatum voor de toetsing van de redelijke termijnvereiste niet 10 januari 2001 is, doch het ogenblik dat de oud-rijkswachter in 1998 de tuchtoverheid in kennis stelde van het problematisch beheer van het wapenregister van Voeren of minstens 25 juni 1999, de datum waarop het lid van de dienst Enquêtes van het Comité P voorstelde verzoeker het beheer van het wapenregister te ontnemen; dat verzoeker voorts betoogt dat de noodzaak van een periode van bijna twee maanden tussen 10 januari 2001 en 8 maart 2001 om een aanvankelijk proces-verbaal op te stellen “alle verbeelding tart”, aangezien in die twee maanden de vaststellingen op de rijkswachtbrigade te Voeren, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 8 maart 2001, gegevens betreffen “voor eenvoudige constatatie vatbaar” en die vaststellingen welgeteld twee werkdagen in beslag genomen hebben; dat hij aanvoert dat tussen 8 maart 2001 en 27 april 2001 totaal niets gebeurde en het daarna nog zes maanden duurde, meer bepaald tot 18 december 2001, tot hem het inleidend verslag betekend werd; dat hij besluit dat tussen 10 januari 2001 en de bestreden beslissing op 28 januari 2002 meer dan een jaar verstreek, hetgeen niet redelijk is voor zulke eenvoudige zaak; 7.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat een tuchtstrafbeslissing, die slechts getroffen wordt meer dan een jaar na de kennisneming van de feiten, niet bestaanbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel en de vereiste van de afhandeling van de zaak binnen een redelijke termijn; 7.5.
- Overwegende dat bij de bespreking van het vierde middel vastgesteld is dat uit geen gegeven van het dossier blijkt dat de problematiek van het beheer van het wapenregister van Voeren op enige wijze bij het bestuur ter sprake gebracht is vóór 10 januari 2001; dat elke verwijzing naar feiten die zich voordien situeren niet dienstig bij het onderzoek van het middel betrokken kunnen worden; IX-3287-25/47 7.5.
- Overwegende dat krachtens artikel 56 van de tuchtwet de tuchtvordering in de regel ingesteld moet worden binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten; dat de wetgever alzo aan deze kennisneming door een bevoegde tuchtoverheid een centrale plaats toegekend heeft voor de berekening van de termijnen die voor de tuchtvordering nageleefd moeten worden; dat in dit geval de kennisneming van de feiten gesitueerd kan worden op het ogenblik dat de verwerende partij door het onderzoek van de Algemene Inspectie een voldoende zicht gekregen heeft op de tekortkomingen die aan verzoeker ten laste gelegd kunnen worden inzake het beheer van het wapenregister, dit is op 2 juli 2001; dat enkel deze datum bepalend is voor het onderzoek van de vraag of het bestuur binnen een redelijke termijn tot een eindbeslissing is gekomen; 7.5.
- Overwegende dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij, binnen het wettelijk kader uitgetekend door artikel 56 van de tuchtwet, op niet te verantwoorden wijze getalmd zou hebben bij het opstarten van de tuchtprocedure tegen hem; dat vervolgens ook niet blijkt dat zij onredelijk lang gewacht heeft met het nemen van een eindbeslissing; dat het middel niet gegrond is; 8.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van “de rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”; dat hij betoogt dat de hem ten laste gelegde feiten hem niet met de nodige precisie ter kennis gebracht zijn om een doelmatige verdediging mogelijk te maken, aangezien te dezen de feiten omschreven werden als “het wapenregister bijzonder onzorgvuldig bijgehouden te hebben” met daarbij een inhoudelijke verwijzing naar artikel 132 WGP en naar artikel 3 van de wet “houdende het tuchtstatuut”, zonder echter enige concrete uitleg op welke wijze en in welke mate de hem ten laste gelegde feiten die artikelen schenden; dat hij erop duidt dat het recht om een verweerschrift in te dienen binnen de dertig dagen overeenkomstig artikel 38quater van de tuchtwet vereist dat vanaf het tijdstip van de betekening van het inleidend verslag een “volledig” dossier ter inzage gelegd wordt, terwijl bij de inzage van het gerechtelijk dossier op 9 januari 2002 te Genk geen enkel stuk opgesteld na 31 oktober 2000 ter inzage gelegd werd en terwijl de tuchtoverheid verzuimd heeft het dossier betreffende het wapenregister van Voeren van de Provincie Limburg aan het tuchtdossier toe te voegen, een dossier waarvan de tuchtoverheid het bestaan kende en waaruit blijkt dat sedert 30 juni 1997 het beheer van het wapenregister opgedragen was aan brigadecommissaris IX-3287-26/47 GERAERTS; dat hij betoogt dat bijgevolg op 19 december 2001, de dag na de betekening van het inleidend verslag en de eerste dag van de termijn van dertig dagen om een verweerschrift in te dienen, geen volledig dossier ter inzage lag van de verdediging; dat hij voorts aanvoert dat de aanvulling van het tuchtdossier op 15 januari 2002 met het gerechtelijk dossier TG.36.A.95.17 - 01 geen rechtmatige aanvulling is van het dossier tijdens de termijn van dertig dagen uit voornoemd artikel 38quater, aangezien deze stukken gekend waren bij de betekening op 18 december 2001 -de hoofdcommissaris had immers op 26 september 2001 toelating gekregen van de procureur des Konings te Tongeren om een afschrift van het gerechtelijk dossier toe te voegen aan het tuchtdossier- en enkel stukken die onbekend zijn op het ogenblik van de betekening het voorwerp van een rechtmatige aanvulling van het tuchtdossier kunnen uitmaken; dat verzoeker duidt op het verslag van de Kamer van Volksvertegenwoordigers naar aanleiding van de invoering van de Nieuwe Gemeentewet (Parl. Stukken, 1990-1991, nr. 1400/4, p. 19-20) dat stelt dat aan de rechten van verdediging en aan de zorgvuldig-heidsplicht van de overheid slechts voldaan is indien het tuchtdossier “alle overtuigings- en bewijsstukken bevat die de betrokkene opheldering kunnen geven over de hem ten laste gelegde feiten en die de disciplinaire overheid in staat stellen oordeelkundig te oordelen”; dat hij daaraan toevoegt dat hij zich op 9 januari 2002 zelf heeft moeten richten tot de procureur des Konings te Tongeren om een afschrift te krijgen van het gerechtelijk dossier en hoewel overeenkomstig artikel 38ter van de tuchtwet gerechtigd op een gratis kopie van het tuchtdossier, hij hiervoor diende te betalen, zodat er sprake is van een ongelijkheid van wapens, aangezien de tuchtoverheid wel een gratis afschrift kreeg en aangezien de door de tuchtoverheid verkregen stukken niet voor eensluidend verklaard waren; dat verzoeker aanvoert dat door de fout van de tuchtoverheid de redelijke termijn tot voorbereiding van het verweerschrift geschonden werd, aangezien hij pas op 15 januari 2002 inzage kreeg in het gerechtelijk dossier TG.36.A.95.17-01, hetwelk uitsluitend de problematiek van het wapenregister betreft en hetwelk door het verzuim van de tuchtoverheid niet reeds op 19 december 2001 ter inzage gelegd werd; dat hij voorts betoogt dat de tuchtoverheid ter compensatie de termijn van dertig dagen om een verweerschrift in te dienen overeenkomstig voornoemd artikel 38quater met drie werkdagen verlengde, meer bepaald van 17 januari 2002 tot 22 januari 2002, wat volstrekt onvoldoende was om een adequaat verweerschrift in te dienen over een complex gerechtelijk dossier; dat hij erop duidt dat de Raad van State in haar arrest VERMOELEN nr. 39.949 van 1 juli 1992 reeds oordeelde dat het tuchtdossier gedurende een redelijke termijn ter beschikking IX-3287-27/47 gesteld moet worden van de verdediging, zodat ook stukken toegevoegd net voor het verstrijken van de termijn van dertig dagen krachtens voornoemd artikel 38quater ter beschikking gesteld moeten worden gedurende een redelijke termijn; dat verzoeker aanvoert dat de rechten van verdediging geschonden zijn door de door de tuchtoverheid opgelegde procedureregels, gezien het feit dat hij luidens punt 4.1 van het inleidend verslag verzocht wordt “eventueel verweerschrift omtrent deze feiten” in te dienen, zodat hij zich niet ten aanzien van alle aspecten van de zaak -ook ontvankelijkheid en toelaatbaarheid van de tuchtvordering- kon verdedigen; dat hij voorts betoogt dat de rechten van verdediging ook geschonden zijn door de regel dat het indienen van een verweerschrift slechts mogelijk is binnen de dertig dagen na de betekening van het inleidend verslag, aangezien hem zo het recht ontnomen wordt om schriftelijk te antwoorden tot de sluiting van de debatten, temeer nu hij verzocht om een getuigenverhoor met bijhorende processen-verbaal en eventueel aanvullend verweerschrift; dat hij aanvoert dat de tuchtoverheid misbruik maakte van het haar trouwens niet toebehorende wrakingsrecht om getuigen te horen, hetwelk ingesteld werd door het inleidend verslag luidens hetwelk “enkel die getuigenverklaringen opgenomen worden die, gelet op hun band met het dossier, nuttig geacht worden”, aangezien zij geen enkele van de voorgestelde getuigen aanvaard heeft en zij zelfs het voorstel om de commissaris-onderzoeker als getuige te verhoren niet eens beantwoordde in de bestreden beslissing; 8.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, zoals vermeld in het inleidend verslag onder punt 2, het onzorgvuldig beheer van het wapenregister een tekortkoming is aan de beroepsplichten, zoals bedoeld in artikel 3 van de tuchtwet, aangezien de onderrichtingen van de voormalige rijkswacht het zorgvuldig beheer van het wapenregister omschreven als een beroepsplicht, zodat de verwijzing naar voornoemd artikel 3 evident is; dat zij voorts betoogt dat de vermelding van artikel 132 in plaats van artikel 123 WGP een louter materiële vergissing is, waarop reeds geduid werd in punt 3.9 van de bestreden beslissing; dat zij aanvoert dat voornoemd artikel 123 bepaalt dat de politieambtenaren te allen tijde en in alle omstandigheden bijdragen tot de bescherming van de medeburgers en verzoeker door een ernstig gebrek aan zorgvuldigheid bij het beheer van het wapenregister dit artikel geschonden heeft; dat zij besluit dat de omschrijving van het ten laste gelegde feit probleemloos binnen de draagwijdte van de voornoemde artikelen 3 en 132 valt, hetgeen in punt 2 van het inleidend verslag voldoende vermeld wordt; dat, betreffende het inzagerecht, zij antwoordt dat verzoeker, zoals IX-3287-28/47 blijkt uit punt 3.9 van de bestreden beslissing, tijdens het voorafgaand onderzoek voldoende heeft toegegeven het wapenregister onzorgvuldig te hebben beheerd, zodat, met inachtneming van het feit dat, zoals hierboven reeds vermeld, er geen verband bestaat tussen het gerechtelijk dossier en het tuchtdossier, voor de uitoefening van de rechten van verdediging het gerechtelijk dossier irrelevant was; dat zij ook betwist dat brigadecommissaris GERAERTS sedert 30 juni 1997 belast was met het beheer van het wapenregister, aangezien uit punt 3.9 van de bestreden beslissing blijkt dat deze slechts enkele zeer specifieke opdrachten had gekregen betreffende de controle of erkenning van wapenvergunningen; dat, betreffende de redelijke termijn om een verweerschrift in te dienen, zij aanvoert dat de op 15 januari 2002 aan het tuchtdossier toegevoegde stukken van het gerechtelijk dossier geen betrekking hadden op het onzorgvuldig beheer van het wapenregister; dat zij voorts betoogt dat het woord “eventueel” in punt 4.1 van het inleidend verslag geenszins belet dat verzoeker de ontvankelijkheid of toelaatbaarheid van de tuchtvordering betwist, doch enkel duidt op de vrijheid om een verweerschrift in te dienen; dat, betreffende het getuigenverhoor, zij duidt op artikel 36, eerste lid, van de tuchtwet dat bepaalt dat de gewone tuchtoverheid steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen hoort die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier; dat zij bijgevolg betoogt dat er duidelijk een verband dient te zijn tussen de verklaring van de getuige en de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en het aan de tuchtoverheid toekomt te oordelen of dat verband er is, steunend op het dossier en niet op een discretionaire bevoegdheid terzake; 8.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, betreffende de omschrijving van het ten laste gelegde feit, aanvoert dat het niet afdoende is te stellen dat de verwijzing naar voornoemd artikel 132 in plaats van voornoemd artikel 123 een louter materiële vergissing is, omdat hij zich niet doelmatig heeft kunnen verdedigen tegen een vermeende schending van voornoemd artikel 123, aangezien pas uit de bestreden beslissing bleek dat de hem ten laste gelegde feiten voornoemd artikel 123 en niet voornoemd artikel 132 schenden; dat hij ook betoogt dat voornoemd artikel 3 een algemene draagwijdte heeft, zodat de loutere vermelding van dit artikel geen afdoende verdediging mogelijk maakt; dat, betreffende het recht op inzage, hij aanvoert dat hij volledige kennis moet hebben “van alles wat in verband met zijn zaak wordt medegedeeld aan de tuchtoverheid” en dat hij zich op alle punten moet kunnen verdedigen “zelfs als het slechts gaat om een inlichting of een beoordeling, zonder dat nieuwe feiten worden aangebracht”; dat IX-3287-29/47 hij erop duidt dat de Raad van State in zijn arrest VERMEULEN nr. 20.226 reeds oordeelde dat de overheid niet kan oordelen of een stuk al dan niet ter kennis gebracht moet worden aan de betrokkene, naargelang de inhoud of het belang dat zij hecht aan een document; dat hij betoogt dat het gegeven dat hij reeds de feiten zou toegegeven hebben, niets afdoet aan de verplichting van de overheid om een volledig dossier voor te leggen; dat hij voorts aanvoert dat het gerechtelijk dossier TG.36.A.95.17-01 het belangrijkste stuk van het tuchtdossier is, aangezien het de resultaten bevat van het gerechtelijk onderzoek betreffende het wapenregister en bijgevolg alle ten aanzien van hem bezwarende gegevens maar ook alle verzachtende omstandigheden en temeer omdat de verwerende partij bij de weerlegging van het vijfde middel stelde dat het gerechtelijk onderzoek zeer grondig gebeurde om de rechten van de verdediging “veilig te stellen” en om de tuchtoverheid optimaal te informeren met het oog op de strafmaat; dat hij besluit dat het gerechtelijk dossier, dat aan de tuchtoverheid werd medegedeeld en dus aan de verdediging niet mocht onthouden worden, pas op 15 januari 2002 en dus manifest laattijdig ter inzage gelegd werd; dat, betreffende de redelijke termijn om een verweerschrift in te dienen, hij opnieuw duidt op de weerlegging van het vijfde middel door de verwerende partij waarbij zij stelde dat het gerechtelijk onderzoek zeer grondig gebeurde, zodat het onmogelijk was voor hem om binnen de drie werkdagen een verweerschrift op te stellen steunend op alle gegevens van het gerechtelijk onderzoek; dat, betreffende de zinsnede “eventueel verweerschrift omtrent deze feiten” uit het inleidend verslag, hij betoogt dat niet het woord “eventueel”, doch wel het woord “omtrent” van belang is, aangezien dit enkel een verweerschrift ter betwisting van de feiten toelaat en niet ter betwisting van de ontvankelijkheid of de toelaatbaarheid van de tuchtvordering; dat hij daaraan toevoegt dat de verwerende partij naast de bestreden beslissing ook in haar memorie van antwoord stilzwijgt over haar weigering om de commissaris- onderzoeker als getuige te horen; 8.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat de correcte vermelding van de juridische grondslag in het inleidend verslag bepalend is voor de rechten van de verdediging; dat hij betoogt dat, analoog met de strafrechtspleging, de tuchtoverheid een verbeterd inleidend verslag had moeten betekenen of hem had moeten uitnodigen zich te verdedigen ten aanzien van de geherkwalificeerde inbreuk; dat hij erop wijst dat een verweerschrift van 62 pagina’s geen garantie is voor een kwalitatief verweer, aangezien de kwaliteit afhankelijk is van een redelijke termijn om het verweerschrift op te stellen; dat hij voorts aanvoert dat de bevoegdheid van de tuchtoverheid om een getuigenverhoor te weigeren geen IX-3287-30/47 willekeur toelaat, terwijl te dezen de tuchtoverheid geen enkele plausibele verklaring heeft gegeven waarom de door verzoeker voorgestelde getuigen niet gehoord werden; 8.5.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het middel aanvoert dat zijn rechten van verdediging miskend zijn doordat het hem ten laste gelegde tuchtfeit in het inleidend verslag niet voldoende precies omschreven werd, inzonderheid doordat er niet concreet wordt aangeduid welk verband het bestuur legt tussen de feiten en de artikelen 132 WGP en artikel 3 van de tuchtwet, waarnaar het verslag expliciet verwijst; 8.5.
- Overwegende dat het inleidend verslag, onder punt 2 -“ten laste gelegde tuchtvergrijpen”- vermeldt: “wettelijke referentie: artikel 132 van de wet op de geïntegreerde politie en artikel 3 van de wet houdende het tuchtstatuut”; dat evenwel het verslag van het voorafgaand onderzoek, waarop het inleidend verslag ook gesteund is en dat verzoeker in zijn verdediging heeft kunnen betrekken, verwijst naar artikel 123 WGP en die bepaling zelfs citeert; dat, met dat gegeven voor ogen, verzoeker duidelijk heeft kunnen vaststellen dat de verwijzing naar artikel 132 WGP een verschrijving betrof; dat zulks zijn rechten van verdediging niet aangetast heeft; 8.5.
- Overwegende dat artikel 123 WGP en artikel 3 van de tuchtwet een algemene regeling bevatten van de gevallen waarin het bestuur tuchtrechtelijk tegen zijn ambtenaren kan optreden; dat in het inleidend verslag, sub punt 1, duidelijk uiteengezet wordt welke feiten volgens de bevoegde tuchtoverheid aanleiding geven tot de tenlastelegging die vervolgens in punt 2 wordt geëxpliciteerd, met name dat verzoeker tekortgeschoten is in zijn beroepsplichten door vanaf 1993 tot 12 september 2000, als brigadecommandant te Voeren, het wapenregister “bijzonder onzorgvuldig bijgehouden (te hebben)”; dat verzoeker daarmee voldoende duidelijk was ingelicht over de feiten die de verwerende partij uit het tegen hem samengesteld dossier naar voren haalde en over het gegeven dat die feiten hem als een tekortkoming aan zijn beroepsplichten aangerekend werden; dat hij daarmee over voldoende gegevens beschikte om zijn verdediging te ontwikkelen; dat het verband tussen die tenlastelegging en de wetsbepalingen op grond waarvan het bestuur de mogelijkheid heeft een tuchtvervolging tegen zijn ambtenaar in te stellen duidelijk is; dat die evidentie geen expliciete uiteenzetting noodzakelijk maakte; dat verzoeker overigens niet betwist dat de feiten, die hij blijkens het ingestelde onderzoek gepleegd heeft, aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden en dat hij IX-3287-31/47 dan ook slecht geplaatst is om aan het bestuur te verwijten dat het niet expliciteert in welke wettelijke bepaling die tuchtvervolging precies kadert; 8.6.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel betoogt dat hij niet onmiddellijk het gehele tuchtdossier ter inzage gekregen heeft, aangezien het strafdossier met betrekking tot het onzorgvuldig beheer van het wapenregister pas op 15 januari 2002 bij het tuchtdossier gevoegd is; dat hij, in het verlengde daarvan, in het derde onderdeel van het middel stelt dat hij door de fout van de verwerende partij niet over een redelijke termijn beschikte om zijn verdediging voor te bereiden; dat hij betoogt dat hij zelf aan de procureur des Konings om inzage en afschrift van het dossier heeft moeten vragen -wat hij gedaan heeft op 9 januari 2002- terwijl hij ook geen gratis kopie van de stukken gekregen heeft waardoor de wapengelijkheid van de partijen geschonden werd en daaraan toevoegt dat hij zich zelfs tot de provinciegriffier heeft moeten wenden om inzage te krijgen van bepaalde stukken; 8.6.
- Overwegende dat, overeenkomstig artikel 33, tweede lid, 5/ van de tuchtwet, het inleidend verslag melding moet maken van de plaats waar en van de termijn waarbinnen het tuchtdossier ingezien kan worden; dat artikel 38 ter van dezelfde wet de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar het recht verleent een gratis kopie te ontvangen van het dossier en van de stukken die eraan toegevoegd worden; dat artikel 38quater van dezelfde wet bepaalt dat de vervolgde ambtenaar binnen de 30 dagen na de ontvangst van het inleidend verslag zijn verdediging moet indienen; Overwegende dat in het inleidend verslag uiteengezet wordt waar en wanneer het tuchtdossier geraadpleegd kan worden en dat daarbij wordt vermeld : “Het lijvige gerechtelijk dossier, waarvan geen elementen gebruikt worden in onderhavige tuchtprocedure, ligt ter inzage op het secretariaat GSD Genk (...) vanaf heden tot 30 dagen na datum van betekening (...)”; dat de verwerende partij daarmee duidelijk heeft aangegeven dat zij in de tuchtprocedure geen gebruik zou maken van het dossier van de gerechtelijke overheden; dat dit dossier dan ook geen deel uitmaakte van het tuchtdossier dat overeenkomstig artikel 33, tweede lid 5/ van de tuchtwet aan de ambtenaar ter inzage gegeven moet worden; 8.6.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of verzoeker wel gerechtigd was om kosteloos afschrift te krijgen van een strafdossier dat de overheid IX-3287-32/47 niet in het tuchtdossier had betrokken, de Raad van State niet inziet op welke wijze de omstandigheid dat verzoeker voor het verkrijgen van een afschrift van het gerechtelijk dossier heeft moeten betalen, hem gehinderd zou hebben in de opbouw van zijn verdediging; Overwegende dat verzoeker verwijst naar zijn initiatief om bepaalde stukken die hij van de provinciegriffier verkregen heeft, bij het tuchtdossier te voegen; dat ook te dien aanzien niet blijkt dat de verwerende partij die stukken - die verzoeker zelf niet nader identificeert- als een deel van het tuchtdossier, waarvan zij verzoeker inzage moest geven, bij haar besluitvorming in aanmerking genomen heeft; 8.6.
- Overwegende, wat betreft de bemerking van verzoeker dat hij, wegens de laattijdige toevoeging van het gerechtelijke dossier aan het tuchtdossier, geen redelijke termijn gekregen heeft om zijn verweerschrift aan de tuchtoverheid te bezorgen, het kan volstaan te verwijzen naar de hiervoor gemaakte vaststelling dat het gerechtelijk dossier, waarop verzoeker doelt evenals de andere stukken waarnaar hij verwijst, niet tot het tuchtdossier behoorden dat de verwerende partij in haar besluitvorming wenste te betrekken; dat hij derhalve niet mocht verwachten dat de verwerende partij hem na de neerlegging van de stukken op 15 januari 2002 een nieuwe termijn van dertig dagen zou geven voor het indienen van een verweerschrift; 8.6.
- Overwegende, tenslotte, dat de verwerende partij aan verzoeker daadwerkelijk een termijnverlenging heeft toegestaan; dat die verlenging weliswaar slechts enkele dagen beliep, maar dat zij daarom de termijn waarbinnen verzoeker kon reageren niet onredelijk kort heeft gehouden, aangezien het ging om stukken die op vraag van verzoeker zelf aan het dossier werden toegevoegd; 8.7.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel van het middel betoogt dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn door de procedureregels die de verwerende partij hem heeft opgelegd, met name enerzijds door hem te verplichten zich te verdedigen over de feiten die in het inleidend verslag werden vermeld en hem aldus niet de mogelijkheid te geven andere aspecten van de zaak, zoals de ontvankelijkheid of de toelaatbaarheid van de tuchtvordering, ter sprake te brengen en anderzijds door hem te verplichten zijn verweer binnen de dertig dagen naar voren te brengen, waarmee de verwerende partij hem het recht ontnomen heeft schriftelijk verweer te voeren tot aan het sluiten van de debatten; IX-3287-33/47 8.7.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, hij zich in zijn verweerschrift naar wens verdedigd heeft, ook over de toelaatbaarheid en de ontvankelijkheid van de tegen hem ingestelde vordering; dat, daargelaten de vraag of de mededeling aan verzoeker over zijn inzage- en verweermogelijkheden inderdaad zo beperkend moet geïnterpreteerd worden als verzoeker voorhoudt, hij zijn rechten van verdediging benut heeft op de wijze die hij noodzakelijk vond; dat aldus de eventuele leemte in de kennisgeving verzoeker niet geschaad heeft; dat verzoeker voorts niet aantoont waarom een ambtenaar zich in een tuchtzaak schriftelijk zou moeten kunnen verweren tot aan het sluiten van de debatten; dat de wet ook niet voorziet in een schriftelijk verweer ten aanzien van de weigering van het bestuur om een aantal getuigen te verhoren; 8.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde onderdeel van het middel betoogt dat de tuchtoverheid niet in zijn plaats te oordelen heeft welke getuigen zij zal horen en dat zij ook niet eigenmachtig mag beslissen welke verklaringen zij in haar besluitvorming zal betrekken; dat hij daarbij wel uit het oog verliest dat het bestuur ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, dat zij met name zelf bepaalt op welke gegevens zij een tuchtstrafbeslissing steunt en op welke wijze zij haar stellingname bewijst; dat de weigering om bepaalde personen als getuige te horen de rechten van de verdediging niet aantast, dat zij integendeel de betrokkene daarmee een middel verschaft om het gebrekkig bewijs van het tuchtstrafbesluit aan de orde te stellen, maar dat zulks te dezen zelfs niet aan de orde is, aangezien verzoeker het bestaan van de feiten zelfs niet betwist; 8.
- Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 9.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending aanvoert van artikel 38 van de tuchtwet luidens hetwelk “de hogere tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt of die een zaak evoceert, [...] een inleidend verslag op[stelt] na eventueel een onderzoek te hebben bevolen” en van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 dat luidt als volgt : “De hogere tuchtoverheid kan de uitvoering van de volgende procedurehandelingen toevertrouwen aan een daartoe opgerichte coördinatiedienst bij de federale politie of de lokale politie : 1/ het voorafgaand onderzoek van een dossier in het licht van de uitoefening van het evocatierecht (...)”; IX-3287-34/47 dat hij betoogt dat de DGA, alvorens een inleidend verslag op te stellen, overeenkomstig voornoemd artikel 38 op 16 juli 2001 de commissaris-onderzoeker bevolen heeft om een voorafgaand onderzoek in te stellen, hetwelk conform voornoemd artikel 19 in het licht van de uitoefening van zijn evocatierecht enkel kan worden toevertrouwd aan een daartoe opgerichte coördinatiedienst bij de federale of lokale politie; dat verzoeker erop duidt dat het tuchtdossier geen enkele gemotiveerde beslissing bevat “van de voorafgaande uitoefening door de heer WARNY van een evocatierecht”, zodat het inleidend verslag steunt op informatie verkregen door een niet rechtsgeldig gedelegeerde instantie en bijgevolg nietig is; dat hij voorts aanvoert dat de luitenant-generaal op 11 september 2000 een kolonel en een commandant heeft aangewezen om ten aanzien van verzoeker eventuele disciplinaire maatregelen of maatregelen van inwendige orde te nemen, een beslissing die door de overheid nooit uit het rechtsverkeer is genomen, zodat het bevel tot een voorafgaand onderzoek -net als de betekening van het inleidend verslag- een geval van machtsoverschrijding betreft, aangezien die bevoegdheid niet de DGA, maar wel die kolonel en commandant toebehoort; dat verzoeker van oordeel is dat de inwerkingtreding van de tuchtwet terzake niets gewijzigd heeft en de zaak, zoals hierboven uiteengezet, diende afgehandeld te worden volgens de regels van het “oude” tuchtrecht overeenkomstig artikel 72 van de tuchtwet; 9.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de DGA op 2 juli 2001 kennis kreeg van de feiten via het verslag van de Algemene Inspectie en bijgevolg geen gebruik maakte van zijn evocatierecht, zodat voornoemd artikel 19, 1/, niet van toepassing is; dat zij voorts betoogt dat de door voornoemd artikel 19 geboden mogelijkheid voor een hogere tuchtoverheid om bepaalde procedurehandelingen toe te vertrouwen aan een daartoe opgerichte coördinatiedienst bij de federale of de lokale politie een loutere mogelijkheid is en geen verplichting; dat zij erop duidt dat de aanwijzing van de kolonel en de commandant als tuchtoversten plaats vond onder de toen geldende wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht en aangezien aan verzoeker bij de inwerkingtreding van de tuchtwet nog geen inleidend verslag betekend was, dient de tuchtwet toegepast te worden en is de aanwijzing van die kolonel en commandant als tuchtoversten de facto vervallen; 9.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de DGA wel degelijk de zaak evoceerde, omdat op het ogenblik van het IX-3287-35/47 opstellen en de betekening van het inleidend verslag de bevoegde gewone tuchtoverheid niet bestond en de DGA optrad steunend op zijn volheid van bevoegdheid, zoals uiteengezet door de verwerende partij bij de weerlegging van het derde middel; dat verzoeker voorts betoogt dat geen enkele beslissing uit het administratief dossier de kolonel en de commandant ontlast van hun taak en hun aanwijzing niet de facto vervallen is door de inwerkingtreding van de tuchtwet aangezien krachtens voornoemd artikel 72 hangende procedures afgehandeld worden volgens de “oude” tuchtrechtelijke regels; 9.4.
- Overwegende dat bij de bespreking van het tweede middel vastgesteld is dat de onderhavige tuchtzaak onder het toepassingsgebied van de tuchtwet valt; dat derhalve geen rekening meer gehouden kan worden met de beslissing van 11 september 2000 van de commandant van de rijkswacht waarbij, in toepassing van de wet van 27 december 1973 en met het oog op het treffen van tuchtmaatregelen en maatregelen van inwendige orde tegen verzoeker, twee officieren van de rijkswacht werden aangewezen als zijn korpscommandant, respectievelijk als zijn eenheidscommandant; 9.4.
- Overwegende dat de directeur-generaal DGA, de overheid die overeenkomstig de tuchtwet bevoegd was om, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, tuchtrechtelijk tegen verzoeker op te treden, op 2 juli 2001 middels het verslag EIO/2001/032 kennis gekregen heeft van de tuchtfeiten; dat hij zich rechtstreeks met de tuchtprocedure belast heeft, een mogelijkheid waarin artikel 38, eerste lid, van de tuchtwet uitdrukkelijk voorziet; dat de omstandigheid dat deze hogere tuchtoverheid in dergelijk geval niet uitdrukkelijk beslist dat, wegens haar eigen optreden, de gewone overheid ontlast wordt van de tuchtzaak, niet tot gevolg heeft dat haar optreden onwettig is; 9.4.
- Overwegende dat de omstandigheid dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 de hogere tuchtoverheid de mogelijkheid biedt om de coördinatiedienst de opdracht te geven een voorafgaand onderzoek in te stellen “in het licht van de uitoefening van het evocatierecht”, niet betekent dat de hogere tuchtoverheid de verplichting heeft om, alvorens zelf een tuchtonderzoek te voeren, eerst daaromtrent een voorafgaand onderzoek te bevelen; 9.4.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; IX-3287-36/47 10.
- Overwegende dat verzoeker in een achtste middel de schending aanvoert van artikel 130 van het Gerechtelijk Wetboek (hierna : G.W.) en van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 betreffende het tarief in strafzaken (hierna: het koninklijk besluit van 28 december 1950) -een uitvoeringsbepaling van artikel 1380 G.W.- dat bepaalt dat in tuchtzaken geen afschrift van een akte van onderzoek mag afgeleverd worden zonder de uitdrukkelijke machtiging van de procureur des Konings; dat verzoeker erop duidt dat de commissaris-onderzoeker in het verslag van het voorafgaand onderzoek van 26 september 2001 op pagina 2 volgende opmerkingen maakt: “huidig document is een bundeling van de reeds bestaande vooronderzoeken en gerechtelijke dossiers. De inleidende verslagen werden in het verleden reeds opgesteld maar nog niet betekend gezien de opschorting door de N in Ref 1” en “met betrekking tot de problemen met het wapenregister van Voeren, heb ik mij gebaseerd op het onderzoek dat hieromtrent uitgevoerd werd door de Algemene Inspectie. HCP C heeft de toestemming gegeven om gebruik te maken van documenten uit hun onderzoek”, op pagina 3: “CP MINTEN neemt bij de AIG kennis van de vastgestelde tekortkomingen in het wapenregister” en op pagina 4: “de verklaringen in de gerechtelijke dossiers werden doorgenomen”; dat verzoeker betoogt dat het voorafgaand onderzoek, vermeld in artikel 38 van de tuchtwet, bijgevolg steunt op het gerechtelijk dossier, maar de procureur des Konings daarvoor geen toestemming had verleend, aangezien de procureur des Konings, zoals blijkt uit zijn brief van 26 september 2001, pas vanaf die datum de hoofdcommissaris D, als enige persoon, machtigde tot inzage van het gerechtelijk dossier, zodat de commissaris-onderzoeker tijdens het voorafgaand onderzoek, afgesloten op 26 september 2001, niet over de vereiste toelating tot inzage van het gerechtelijk dossier beschikte en zo artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 schond; dat verzoeker bijgevolg van oordeel is dat zowel het voorafgaand verslag als het inleidend verslag onwettig is en geen bewijswaarde heeft; dat hij voorts aanvoert dat hij dit middel reeds opwierp voor de tuchtoverheid, maar de bestreden beslissing dit niet op afdoende wijze weerlegd heeft door enkel te stellen dat hij tijdens het voorafgaand onderzoek in voldoende mate heeft toegegeven het wapenregister onzorgvuldig bijgehouden te hebben; dat hij betoogt dat zelfs indien hij dit in voldoende mate heeft toegegeven, dit van geen belang is, aangezien de onwettigheid slaat op het gehele onderzoek; dat hij erop duidt dat de Raad van State in zijn arrest nr. 38.477 reeds geoordeeld heeft dat het een onderzoeker niet toekomt om informatie uit een gerechtelijk onderzoek ter beschikking te stellen van een tuchtoverheid; IX-3287-37/47 10.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, zoals vermeld in punt 3.12 van de bestreden beslissing, de commissaris-onderzoeker het voorafgaand onderzoek enkel gesteund heeft op de informatie verkregen van de Algemene Inspectie; dat zij betoogt dat het voorafgaand verslag inderdaad verwijst naar de gerechtelijke dossiers, maar deze verwijzing gelezen dient te worden in het licht van de tekst op pagina 2 waarbij de commissaris-onderzoeker duidelijk specifieert dat zijn document een bundeling is van de reeds bestaande vooronderzoeken en gerechtelijke dossiers, zonder expliciet te stellen dat betreffende het wapenregister het gerechtelijk dossier geraadpleegd werd, te meer, op grond van het verslag van de Algemene Inspectie en na verzoekers verhoor op 24 september 2001, bleek dat de inzage van het gerechtelijk dossier niet noodzakelijk was en bijgevolg niet geschiedde, hoewel de commissaris-onderzoeker veiligheidshalve op 26 augustus 2001 reeds machtiging tot inzage gevraagd had aan de procureur des Konings; 10.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat het “compleet ongeloofwaardig en onaannemelijk” is dat de commissaris-onderzoeker geen stukken uit het gerechtelijk dossier zou hebben geraadpleegd bij het opstellen van het voorafgaand verslag -de reden waarom verzoeker hem wou oproepen als getuige-, aangezien de commissaris-onderzoeker in zijn voorafgaand verslag stelt kennis te hebben genomen bij de Algemene Inspectie van de vastgestelde tekortkomingen in het wapenregister, wat precies de informatie is uit het proces-verbaal van 8 maart 2001 van de Algemene Inspectie, terwijl de informatie van de Algemene Inspectie processen-verbaal de procureur des Konings te Tongeren ter kennis kwamen via het gerechtelijk onderzoek, zoals blijkt uit de inventaris van het gerechtelijk dossier TG.36.A.95.17-01 en aangezien de commissaris-onderzoeker in zijn voorafgaand verslag stelt toelating te hebben gekregen van de hoofdcommissaris C om gebruik te maken van documenten uit het onderzoek van de Algemene Inspectie; dat verzoeker voorts betoogt dat de procureur des Konings op 26 september 2001, datum waarop de commissaris- onderzoeker zijn voorafgaand onderzoek afsloot, enkel de hoofdcommissaris D machtigde tot inzage van het gerechtelijk dossier en dat het onderzoek van hoofdcommissaris C kaderde in het gerechtelijk onderzoek, zodat het niet aan hoofdcommissaris C, maar wel aan de procureur des Konings toekwam om informatie uit het gerechtelijk dossier mee te delen aan derden; dat verzoeker bijgevolg van oordeel is dat artikel 130 G.W. en artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 geschonden zijn; IX-3287-38/47 10.
- Overwegende dat verzoeker ervan uitgaat dat de voorafgaande onderzoeker gebruik gemaakt heeft van stukken uit een strafdossier -het dossier TG.36.A.95.17-01- zonder dat daarvoor de toelating van de procureur des Konings verkregen was; dat zulks evenwel niet het geval is, aangezien de verwerende partij voor het opstarten van de procedure tegen verzoeker gebruik gemaakt heeft van het verslag EIO/2001/032; dat verzoeker niet aantoont dat -en zeker niet op welke punten- dit verslag niet kon volstaan als basis voor de tuchtvordering en dat zij derhalve, in strijd met wat zij voorhoudt, wel degelijk bepaalde gegevens uit het gerechtelijk dossier bij de zaak betrokken heeft; dat het in die omstandigheden niet relevant is of, op het ogenblik dat de voorafgaand onderzoeker de zaak instrueerde en verslag opmaakte, hij over de toelating beschikte om kennis te nemen van het strafdossier; dat het middel niet gegrond is; 11.
- Overwegende dat verzoeker in een negende middel de schending aanvoert van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 dat bepaalt dat het tuchtdossier alle stukken omvat die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de ten laste gelegde feiten, aangezien de tuchtoverheid bij het opstellen van het inleidend verslag op 6 december 2001 geen kennis had van het gerechtelijk dossier en daarvan slechts afgifte verkreeg op 15 januari 2002 en de schending van artikel 4 van datzelfde koninklijk besluit dat bepaalt dat de tuchtoverheid in het inleidend verslag de datum vermeldt van de vaststelling of de kennisneming van de feiten die mogelijk een tuchtvergrijp kunnen uitmaken, aangezien deze bepaling beoogt toe te laten de termijn van zes maanden uit artikel 56 van de tuchtwet te kunnen berekenen waarbinnen de betekening van het inleidend verslag dient te gebeuren, maar de vermelding in het inleidend verslag, dat de DGA op 2 juli 2001 kennis nam van het verslag van de Algemene Inspectie omtrent klachtendossier nr. EIO/2001/032, niet beantwoordt aan de wettelijke vereiste van voornoemd artikel 4, zodat de berekening van de “verjaringstermijn” niet mogelijk is en de belangen van verzoeker geschonden zijn; 11.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, betreffende de invoeging van het gerechtelijk dossier in het tuchtdossier, zij voorheen reeds uiteenzette dat het dossier wel degelijk alle stukken bevat met betrekking tot de kennisneming en het onderzoek van de feiten; dat zij voorts betoogt dat punt 1 van het inleidend verslag duidelijk vermeldt dat de hogere tuchtoverheid in kennis gesteld werd van de feiten op 2 juli 2001, zodat een correcte termijnberekening vanaf het IX-3287-39/47 ogenblik waarop de bevoegde tuchtoverheid kennis kreeg van de feiten perfect mogelijk is; 11.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat “uit alle gegevens van het dossier” blijkt dat bij het opstellen van het inleidend verslag op 6 december 2001 het tuchtdossier onvolledig was omdat het gerechtelijk dossier ontbrak; dat hij voorts betoogt dat uit geen enkel document het tijdstip blijkt waarop een tuchtoverheid kennis nam van de feiten, zodat een correcte berekening en controle van de termijn van zes maanden of van de verjaringstermijn onmogelijk is, wat zijn rechten van verdediging schendt; 11.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat voornoemde artikelen 3 en 4 enkel beogen de tuchtrechtelijk vervolgde persoon in te lichten, niet over de datum waarop de betekenende tuchtoverheid zelf kennis kreeg van de feiten, maar wel over de datum waarop “een” tuchtoverheid de feiten “voor het eerst” vaststelde of er kennis van kreeg; dat hij betoogt dat de vermelding van de DGA in zijn inleidend verslag, dat deze op 2 juli 2001 in kennis werd gesteld van de feiten, irrelevant is aangezien te dezen de minister van Binnenlandse Zaken kennis kreeg van de feiten op 10 januari 2001 en dus deze datum vermeld diende te worden in het inleidend verslag, om zo de precieze datum van verjaring, doelnorm van de wet, te kunnen berekenen; 11.5.
- Overwegende dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het statuut van de personeelsleden van de politiediensten luidt als volgt : “Het tuchtdossier omvat : 1/ alle stukken die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de ten laste gelegde feiten, alsmede alle stukken die gedurende het verdere verloop van de tuchtprocedure worden opgesteld; 2/ een inventaris van de stukken waaruit het dossier bestaat”. Overwegende dat de stukken van het gerechtelijk dossier betreffende het onzorgvuldig beheer van het wapenregister niet gediend hebben om het tuchtonderzoek tegen verzoeker te stofferen, inzonderheid niet om van de feiten kennis te nemen of om de ten laste gelegde feiten te bewijzen; dat die stukken dan ook geen deel moesten uitmaken van het tuchtdossier waarover verzoeker zich diende te verdedigen; IX-3287-40/47 11.5.
- Overwegende dat artikel 4 van hetzelfde besluit van 26 november 2001 bepaalt : “De tuchtoverheid die feiten vaststelt die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, of er kennis van krijgt, vermeldt de datum van de vaststelling of de kennisneming in het inleidend verslag”. Overwegende dat in het inleidend verslag wordt gesteld dat de tuchtoverheid op 2 juli 2001 kennis gekregen heeft van de tuchtfeiten; dat dit de datum is waarop directeur-generaal WARNY het administratief verslag EIO/2001/032 ontvangen heeft; dat verzoeker niet aantoont dat dezelfde directeur- generaal of een andere bevoegde overheid vroeger kennis gehad zou hebben van de feiten bij zoverre dat de verjaringstermijn op een ander ogenblik ingegaan zou zijn; 11.5.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 12.
- Overwegende dat verzoeker in een tiende middel de schending aanvoert van het principe non bis in idem, aangezien hij sedert 12 september 2000 bij beslissing van zijn kolonel verwijderd werd uit de brigade Voeren en de adjunct- inspecteur-generaal op 5 januari 2002 in het dagblad Het Laatste Nieuws betreffende onderhavige zaak stelde dat de verwijdering uit de brigade een voorlopige tuchtmaatregel is; dat verzoeker betoogt dat de adjunct-inspecteur-generaal een officieel woordvoerder was van de verwerende partij op het ogenblik van de verklaring, die trouwens nooit weerlegd is geweest, zodat ze niet zomaar als waardeloos beschouwd kan worden; dat verzoeker van oordeel is dat hij voor hetzelfde feit geen twee keer gestraft kan worden, aangezien de tuchtvordering ertoe strekt hem voor hetzelfde feit een tweede tuchtmaatregel op te leggen; 12.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker bij beslissing van diens kolonel vanaf 11 september 2000 ten bewarende titel voorlopig gedetacheerd werd naar de brigade Riemst en verzoeker bijgevolg wist dat de adjunct-inspecteur-generaal met de woorden “we hebben enkele mensen uit de brigade verwijderd” bedoelde dat verzoeker ten bewarende titel voorlopig gedetacheerd was; dat zij voorts betoogt dat het foute woordgebruik in het dagblad het verschil tussen een ordemaatregel en een tuchtmaatregel niet wegneemt, aangezien een ordemaatregel gekenmerkt wordt door haar oogmerk, meer bepaald het vrijwaren van de goede werking van de dienst, los van enige schuldvraag en een tuchtmaatregel gericht is op het sanctioneren van een personeelslid voor zijn schuldig gedrag; dat zij van oordeel is dat te dezen aan verzoeker door diens kolonel geen IX-3287-41/47 tuchtmaatregel, maar wel een ordemaatregel werd opgelegd in het belang van de dienst; 12.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de uiteenzetting van de verwerende partij over het verschil tussen een tuchtmaatregel en een ordemaatregel irrelevant is; dat hij voorts betoogt dat wel relevant is het feit dat de verklaring van de adjunct-inspecteur-generaal, officieel woordvoerder van de verwerende partij, nooit weerlegd is geweest door de verwerende partij, zodat verzoeker volledig mocht vertrouwen op de correctheid van diens woorden; dat verzoeker bijgevolg van oordeel is dat hij voor hetzelfde feit twee keer bestraft is geworden, meer bepaald op 11 september 2000 en op 28 januari 2002; dat hij in zijn laatste memorie daaraan toevoegt dat ook de adjunct-inspecteur- generaal zelf nooit de inhoud van het dagbladartikel heeft tegengesproken; 12.4.
- Overwegende dat de overplaatsing van verzoeker naar de brigade Riemst in september 2000 getroffen is in toepassing van de indertijd bij de rijkswacht bestaande regeling inzake de voorlopige detachering bij ordemaatregel in het belang van de dienst; dat deze overplaatsing er onmiskenbaar toe strekte de orde binnen het rijkswachtkorps van Voeren te herstellen en derhalve niet het karakter heeft van een tuchtmaatregel; dat de omstandigheid dat die overplaatsing steunde op een aantal tekortkomingen die de overheid bij verzoeker had vastgesteld, van de maatregel nog geen tuchtmaatregel maakt; 12.4.
- Overwegende dat het opleggen van een ordemaatregel niet belet dat het bestuur voor dezelfde feiten ook nog een tuchtmaatregel oplegt aangezien beide maatregelen van een andere aard zijn en een andere finaliteit hebben -de ene wordt genomen om het dienstbelang te vrijwaren, de andere is bedoeld om de ambtenaar te straffen voor schuldig gedrag-; Overwegende dat in dit geval overigens vastgesteld kan worden dat de feitelijke gegevens die aan de beide beslissingen ten grondslag liggen niet dezelfde zijn: de hier bestreden tuchtstraf steunt volledig op het onzorgvuldig beheer van het wapenregister; de ordemaatregel van 11 en 24 september 2000 steunt op het uitvoeren van werken voor inwoners van Voeren, op een dreigement om verklaringen aan de pers af te leggen en op een gebrek aan gezag tegen een ondergeschikte; IX-3287-42/47 12.4.
- Overwegende dat verzoeker, met de verwijzing naar een verklaring van de adjunct-inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie -waarvan overigens niet duidelijk is op welke wijze hij bij de tuchtzaak van verzoeker betrokken geweest is- in een dagblad, het bewijs niet levert dat de overplaatsing van verzoeker naar de brigade Riemst een tuchtmaatregel zou zijn; dat de Raad van State zulks ook niet vastgesteld heeft in zijn arrest nr. 159.047, van 22 mei 2006 over het beroep van verzoeker tegen die overplaatsing; 12.4.
- Overwegende dat geen schending van het beginsel “non bis in idem” wordt vastgesteld; dat het middel niet gegrond is; 13.
- Overwegende dat verzoeker in een elfde middel de schending aanvoert van artikel 3 van de tuchtwet, aangezien de hem ten laste gelegde feiten in het inleidend verslag beschouwd worden als een tuchtmisdrijf in de zin van voornoemd artikel 3, terwijl de tuchtwet pas in werking is getreden op 1 april 2001, dus na de in het inleidend verslag uitdrukkelijk vermelde incriminatieperiode tussen 1993 en 12 september 2000, zodat hij gestraft is voor feiten gepleegd alvorens de wet, die deze feiten omschrijft en bestraft, in werking trad, wat strijdig is met het adagium “nulla poena sine lege”; dat hij voorts betoogt dat de hem ten laste gelegde feiten in het inleidend verslag ook beschouwd worden als een tuchtmisdrijf in de zin van artikel 132 WGP dat bepaalt dat de personeelsleden elke gedraging moeten vermijden, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of die met de waardigheid van het ambt strijdig is, terwijl te dezen het onzorgvuldig beheer van het wapenregister geenszins een gedraging is die het vervullen van een ambtsplicht in de weg staat of strijdig is met de waardigheid van het ambt, zodat er geen sprake kan zijn van een schending van voornoemd artikel 132, te meer gezien hij stelt op 31 december 2000, dus na de incriminatieperiode, gediplomeerd te zijn geworden door de luitenant-generaal als blijk van erkenning voor bewezen diensten en gezien hij stelt vanaf zijn aanstelling als brigadecommandant te Voeren in 1988 tot zijn overplaatsing op 12 september 2000 probleemloos de communautaire vrede te hebben gehandhaafd te Voeren bij de interventies; dat hij erop duidt dat de tuchtoverheid verantwoordelijk is voor de correcte kwalificatie van het tuchtvergrijp; dat hij voorts aanvoert dat hij reeds aan de tuchtoverheid opmerkte dat in het voorafgaand onderzoek geen sprake is van een schending van voornoemd artikel 132 en hij terzake verwees naar punt 4.12.2 van het voorafgaand verslag waarin enkel artikel 123 WGP vermeld wordt, zodat hij zich niet moet verantwoorden voor een schending van voornoemd artikel 123 en het voorafgaand onderzoek te dezen niet dienstig en nietig is, aangezien het gevoerd IX-3287-43/47 werd in de zin van een schending van voornoemd artikel 123; dat hij de bestreden beslissing betwist waar die stelt dat de vermelding van voornoemd artikel 132 in plaats van voornoemd artikel 123 een materiële vergissing is, aangezien hij, na het opwerpen van dit middel in zijn verweerschrift en voorafgaand aan de bijeenkomst van 25 januari 2002 -door de verwerende partij beschouwd als een hoorzitting-, nooit door de tuchtoverheid verzocht werd akte te nemen van een herkwalificatie van de inbreuk of zich te verdedigen tegen een schending van voornoemd artikel 123; 13.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat er geen sprake kan zijn van het adagium “nulla poena sine lege”, aangezien de tuchtwet op het ogenblik van de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid op 2 juli 2001 reeds in werking was getreden; dat zij voorts betoogt dat zij reeds hierboven uiteenzette dat niet voornoemd artikel 132, maar wel voornoemd artikel 123 bedoeld werd in het inleidend verslag, wat de bestreden beslissing reeds vermeldde in punt 3.9; dat zij aanvoert dat de ten laste gelegde feiten wel degelijk voornoemd artikel 123 schenden, aangezien verzoeker brigadecommandant was van een gemeente zonder politiecommissaris en zo krachtens het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie belast was met een aantal zeer specifieke en welomschreven taken en aangezien een tekortkoming aan de beroepsplichten ook in de voorheen toepasselijke wetgeving een tuchtvergrijp uitmaakte omdat artikel 24/2 van de wet van 27 december 1973 bepaalde dat de personeelsleden de gegeven bevelen correct moeten uitvoeren en zich moeten gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst worden gegeven; dat zij van oordeel is dat verzoeker niet steeds in alle omstandigheden heeft bijgedragen tot de bescherming die de medeburgers mochten verwachten, aangezien het onzorgvuldig beheer van het wapenregister sedert 1993 geen efficiënt toezicht op het legaal wapenbezit meer toeliet, zodat eventuele misbruiken mogelijk werden en men, zonder aan de wettelijke voorwaarden te voldoen, houder kon zijn van een vuurwapen; 13.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de feiten, in de mate dat zij voornoemde artikelen 3 en 132 schenden, pas tuchtrechtelijk strafbaar gesteld kunnen worden indien zij plaats vonden na 1 april 2001, de datum van inwerkingtreding van de tuchtwet, zo niet wordt aan de tuchtwet retroactiviteit toegekend en zouden feiten bestraft kunnen worden die op het ogenblik dat ze gepleegd werden niet strafbaar waren; dat hij voorts betoogt, IX-3287-44/47 zoals voorheen uiteengezet, dat het van geen belang is dat de overheid artikel 123 dan wel 132 “bedoelde”; 13.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het inleidend verslag artikel 24/2 van de wet van 27 december 1973 nergens vermeldt, terwijl het de verantwoordelijkheid is van de tuchtoverheid om met precisie te bepalen op grond van welke tuchtregels hij vervolgd wordt; dat hij voorts betoogt dat, onverminderd het feit dat de schending van voornoemd artikel 132 inhoudelijk geenszins vergelijkbaar is met de schending van de wet van 27 december 1973, hij nooit verzocht noch gedagvaard werd om zich te verdedigen tegen een schending van de wet van 27 december 1973; 13.5.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de tuchtwet slechts op 1 april 2001 in werking getreden is er niet aan in de weg stond dat verzoeker nog gestraft kon worden voor tuchtvergrijpen gepleegd vooraleer de wet van kracht werd; dat, aangenomen dat het beginsel “nullum crimen, nulla poena sine lege” een analoge toepassing kan vinden in tuchtaangelegenheden, vastgesteld wordt dat verzoeker ook onder de gelding van de vroegere regeling voor dezelfde feiten tuchtrechtelijk bestraft had kunnen worden, ook met de tuchtstraf van de blaam; dat de wijziging aan de wetgeving dan ook geen invloed gehad heeft op het tuchtrechtelijk strafbaar karakter van de weerhouden feiten, noch op de strafmaat; dat het middel niet gegrond is; 14.
- Overwegende dat verzoeker in een twaalfde middel aanvoert dat de Raad van State, zonder zich in de plaats van de tuchtoverheid te mogen stellen, toch mag nagaan of “de zwaarte van een tuchtstraf in verhouding staat tot de inbreuk” en dat in dit geval de feiten “hoogstens een lichte tuchtstraf hadden kunnen rechtvaardigen”; 14.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat het middel geen voorwerp heeft, aangezien het bestreden besluit precies betrekking heeft op een lichte tuchtstraf; 14.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij van oordeel is dat de verwerende partij een “nog lichtere tuchtstraf” had kunnen opleggen; 14.
- Overwegende dat verzoeker gestraft is met een door de tuchtwet als een lichte tuchtstraf aangemerkte “blaam”; dat gewis artikel 4 van de tuchtwet in IX-3287-45/47 een nog lichtere tuchtstraf voorziet -de waarschuwing- maar dat, binnen de marginale toetsingsbevoegdheid waarover de Raad van State ter zake beschikt, verzoeker geen gegevens overlegt die de Raad tot de overtuiging brengen dat de tegen verzoeker vastgestelde feiten -die niet betwist worden- zeker geen blaam rechtvaardigen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3287-46/47 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juli 2000 en zes, do
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.