← België

Arrest 161447 - - 25/07/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.447 Rolnummer: A. 169290/X-12648 Zaak: Arrest 161447 - - 25/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 01:25 Fiche Arrest nr 161.447 van 25 juli 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.447 van 25 juli 2006 in de zaak A. 169.290/X-12.648. In zake : 1. Dirk DE MEESTER, 2. Daniël DE BAERE, 3. Luc DE BRUYCKER, 4. José HAUSTRAETE, die woonplaats kiezen bij Advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : 1. de Bestendige Deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN, 2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : de nv DE CRAECKER-VLAEMINCK, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk DE MEESTER, Daniël DE BAERE, Luc DE BRUYCKER en José HAUSTRAETE op 10 januari 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van eensdeels, de beslissing van 12 mei 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende afgifte aan de nv DE CRAECKER- VLAEMINCK van een stedenbouwkundige vergunning voor de afbraak van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van een meergezinswoning op een perceel gelegen te Wetteren, aan de Zuidlaan, kadastraal bekend sectie F, nrs. 93/52 (sic), 93b/2, 93c/2, 93l en 93m, "op voorwaarde dat de uitrit van de parkeerplaatsen verplicht rechts genomen wordt", en anderdeels, het besluit van 9 november 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen eerstgenoemde beslissing van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie; X-12.648-1/11 Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 maart 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. DE MIL die loco Advocaat W. VAN DER GUCHT verschijnt voor de verzoekende partijen, van Bestuurssecretaris M.-A. DEGEEST die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat E. VAN BOGAERT die loco Advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de nv DE CRAECKER-VLAEMINCK met een op 27 januari 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2. Overwegende dat de verzoekers met een schrijven van 18 april 2006 een aantal stukken hebben toegevoegd aan het dossier; dat deze stukken niet bedoeld zijn als een antwoord op vragen gesteld in het auditoraatsverslag; dat zij dan ook, zoals door de tweede verweerder wordt gevraagd, uit de debatten worden geweerd; 3. Overwegende dat de verzoekers allen eigenaar of bewoner zijn van één of meer appartementen of studio's in de residentie "Hof ten Doorn", gelegen aan de Korte Massemsesteenweg te Wetteren; X-12.648-2/11 Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 21 december 2004, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de afbraak van een bestaande woning op het perceel gelegen aan de Zuidlaan 100 te Wetteren, kadastraal gekend onder sectie F, nr. 93/l, en voor het bouwen van een appartementsgebouw voor 13 appartementen, met achterliggende garages en autostaanplaatsen, op de percelen kadastraal gekend onder nrs. 93, 93a, 93b, 93c, 93m en 93l; dat het perceel waarop het appartements- gebouw zou worden opgetrokken gelegen is naast dat waarop de residentie "Hof ten Doorn" is gebouwd; dat tijdens het openbaar onderzoek 22 bezwaren zijn ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Wetteren bij besluit van 25 februari 2005 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat tegen dat besluit beroep is ingesteld door de tussenkomende partij; dat de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen bij besluit van 12 mei 2005 het beroep heeft ingewilligd, en dienvolgens de gevraagde vergunning heeft verleend, op voorwaarde dat de uitrit van de parkeerplaatsen verplaatst zou worden; dat tegen dat besluit beroep is ingesteld door de gemachtigde ambtenaar van de Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 9 november 2005 het beroep heeft verworpen; dat het besluit van de bestendige deputatie van 12 mei 2005 en het ministerieel besluit van 9 november 2005 het voorwerp vormen van de voorliggende vordering; 4. Overwegende dat de eerste verweerster een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, in zoverre die gericht is tegen het besluit van de bestendige deputatie van 12 mei 2005; Overwegende dat tegen het bestreden besluit van de bestendige deputatie krachtens artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een administratief beroep openstond bij de Vlaamse regering, en dat de gemachtigde ambtenaar het bedoelde beroep ook effectief heeft ingesteld; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening bij het bestreden ministerieel besluit over dit beroep uitspraak heeft gedaan; dat ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep dit laatste besluit in de plaats is gekomen van het bestreden besluit van de bestendige deputatie; dat aan die vaststelling geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het bestreden ministerieel besluit beslist dat, ten gevolge van de verwerping van het beroep, de beslissing van de bestendige deputatie "haar rechtskracht" herneemt; dat de exceptie gegrond is; X-12.648-3/11 5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 6. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 135 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoeren dat uit artikel 135 van het decreet van 18 mei 1999 volgt dat een stedenbouwkundig attest omschrijft of en volgens welke modaliteiten er op een bepaald perceel mag worden gebouwd, en dat de bepalingen van een stedenbouw- kundig attest een bindende kracht hebben, dat voor het perceel waarop de bouw- aanvraag van de tussenkomende partij betrekking heeft een stedenbouwkundig attest is afgegeven, waarin onder meer is vermeld dat maximaal vier bouwlagen, afbouwend naar drie, mogen worden opgetrokken, dat het door de tussenkomende partij geplande appartementsgebouw vijf bouwlagen telt, af te bouwen naar vier, dat het ontworpen gebouw dus niet in overeenstemming is met het stedenbouwkundig attest, dat het bestreden besluit in dit verband overweegt "dat omwille van het heterogeen karakter van de bebouwing in de directe omgeving niet kan aangenomen worden dat de ruimtelijke ordening geschonden is en de door de bestendige deputatie aanvaarde vier bouwlagen aan de linkerzijde geen passende overgang naar de bebouwde omgeving toe zouden vormen", dat uit die motieven niet blijkt waarom de Vlaamse minister van oordeel is dat in casu van het stedenbouwkundig attest kan worden afgeweken, dat de minister in de eerste plaats een verkeerde inschatting maakt van het door de tussenkomende partij geplande gebouw, nu dit niet bestaat uit vier, maar uit vijf bouwlagen, dat de minister met de aangehaalde overweging bovendien wel antwoordt op het bezwaar van de gemachtigde ambtenaar i.v.m. de schending van de goede plaatselijke ordening, maar niet motiveert waarom een afwijking van het stedenbouwkundig attest, met name voor wat betreft het aantal bouwlagen, kan worden aangenomen, dat het bestreden besluit aldus de inhoud van het voor het betrokken perceel geldende stedenbouwkundig attest miskent en het bovendien niet motiveert waarom er van dat stedenbouwkundig attest kan worden afgeweken; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Wetteren op 13 februari 2004 een stedenbouwkundig attest nr. 2 heeft X-12.648-4/11 afgegeven, met betrekking tot het slopen van de bestaande bebouwing en de oprichting van een appartementsgebouw en garages; dat dit attest onder meer de volgende overwegingen bevat: "Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag (...) Op de rechter perceelsgrens staat een appartementsgebouw met vier bouwlagen (hoogte ca. 14 m en plat dak), aan de linkerzijde staat een rij vooroorlogse woningen met één bouwlaag en dak. Voorgesteld wordt om na afbraak van de bestaande bebouwing een appartementsgebouw met vijf bouwlagen op te richten, dat 60 cm hoger reikt dan het aanpalende appartementsgebouw. Het linker deel zou opgericht worden met vier bouw- lagen. (...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening (...) Aangezien het bestaande gabariet van de appartementen op de hoek al vrij uitzonderlijk is in de omgeving, moet deze hoogte in elk geval als maximale hoogte worden beschouwd; Aangezien de vier bouwlagen aan de linkerzijde een verantwoorde afbouw vormen naar de bestaande bebouwing; (...)" dat voorts in het beschikkende gedeelte wordt gesteld: "ADVIES Gunstig Voorwaarden: de maximale bouwhoogte is bepaald door het aanpalende perceel rechts"; Overwegende dat, anders dan in het middel wordt aangevoerd, het bedoelde stedenbouwkundig attest aldus niet bepaalt dat het wordt afgegeven op voorwaarde dat slechts vier bouwlagen, afbouwend naar drie, mogen worden opgetrokken; dat het integendeel geen opmerkingen bevat i.v.m. de vijf bouwlagen aan de kant van het bestaande appartementsgebouw, en het i.v.m. de vier bouwlagen aan de kant van de bestaande vooroorlogse woningen uitdrukkelijk overweegt dat die vier bouwlagen "een verantwoorde afbouw vormen naar (die) bestaande bebouwing"; dat, zonder dat de Raad van State zich moet uitspreken over de toepasselijkheid van de in het middel ingeroepen decreets- en wetsbepalingen en over de bindende kracht van het bedoelde stedenbouwkundig attest, het volstaat om vast te stellen dat het middel lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van dat stedenbouwkundig attest; dat het middel dan ook feitelijke grondslag lijkt te missen; dat het niet ernstig is; 7. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij X-12.648-5/11 aanvoeren dat zij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend, waarin zij bezwaren hebben geformuleerd in verband met een vermindering van de bezonning voor een zeer groot aantal woongelegenheden van residentie "Hof ten Doorn", een toename van het vochtgehalte in de lucht in de binnenkoer van de residentie, met een sterk verminderde woonkwaliteit als gevolg, een negatieve impact op de privacy van de bewoners van de residentie, een overschrijding van de ruimtelijke draagkracht van de omgeving, en een belangrijke waardevermindering van bepaalde appartementen van de residentie en van dit gebouw in zijn geheel, dat die bezwaren niet worden beantwoord, dat het bestreden besluit aldus niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 7.1. Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing (

  1. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; X-12.648-6/11 7.2. Overwegende dat de bestendige deputatie en de Vlaamse regering, wanneer zij op grond van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in beroep uitspraak doen over een bouw- of een verkavelingsaanvraag, optreden, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, zijn ingediend; dat het volstaat dat zij in dat besluit duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, de beslissing is verantwoord; Overwegende weliswaar dat artikel 11, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen bepaalt dat de vergunningverlenende overheid zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen; dat die uitspraak over de bezwaren en de opmerkingen echter een voorbereidende handeling lijkt te zijn; dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, niet lijkt te vereisen dat in het besluit waarin door de bestendige deputatie of de bevoegde Vlaamse minister over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt beslist, de motieven van de voorbereidende handelingen worden opgenomen en kenbaar gemaakt; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen te dezen in zijn besluit van 25 februari 2005 de ingediende bezwaren heeft onderzocht en, na ze op gemotiveerde wijze te zijn bijgevallen, de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de bestendige deputatie in haar besluit van 12 mei 2005 de ingediende bezwaren heeft onderzocht en, na ze op gemotiveerde wijze te hebben weerlegd, de gevraagde vergunning heeft verleend; dat het bestreden ministerieel besluit van 9 november 2005 zich ertoe beperkt te vermelden dat 22 bezwaar-schriften zijn ingediend, en voorts overweegt "dat voor de weerlegging van deze bezwaren wordt aangesloten bij de argumentatie van de bestendige deputatie"; dat, aangezien de Vlaamse minister om de hiervóór uiteengezette redenen niet verplicht was om elk van de bezwaren formeel te beantwoorden, de door hem gevolgde werkwijze in de gegeven omstandigheden niet strijdig lijkt te zijn met artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het middel dan ook niet ernstig is; X-12.648-7/11 8. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoeren dat het bestreden besluit de feitelijke gegevens van het dossier niet correct heeft beoordeeld en dat het niet in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de bouwaanvraag van de tussenkomende partij verenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening; dat de verzoekers in de eerste plaats verwijzen naar het feit dat het bestreden besluit niet antwoordt op hun bezwaren in verband met de negatieve gevolgen van het geplande gebouw op het vlak van de bezonning, de vochtigheid, de privacy, de ruimtelijke draagkracht van het gebied en de waarde van hun eigendom, en dat zelfs niet blijkt dat de Vlaamse minister die bezwaren betrokken heeft bij de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg en ruimtelijke ordening; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de binnenkoer van residentie "Hof ten Doorn" voor dat gebouw een essentiële functie vervult, doordat hij het mogelijk maakt dat een aantal woongelegenheden, waaronder die van de verzoekers, ondanks een slechte oriëntatie van de buitengevel toch kunnen genieten van lucht en licht, dat het vergunde gebouw tot gevolg zal hebben dat deze binnenkoer wordt dicht-gebouwd, met alle gevolgen vandien voor de verzoekers, dat het bestreden besluit dan ook in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen, gelet op de meer dan aanvaardbare hinder inzake bezonning, privacy en verluchting, dat het vergunde ontwerp verenigbaar geacht kan worden met de goede plaatselijke aanleg en een behoorlijke ruimtelijke ordening, en dat het bestreden besluit voorts in redelijkheid tot de conclusie had moeten komen dat het ontworpen appartementsgebouw en de toevloed van nieuwe bewoners die hiermee gepaard zal gaan, de ruimtelijke draagkracht van het gebied in het gedrang zal brengen; 8.1. Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat, zoals uit het antwoord op het tweede middel blijkt, het bestreden ministerieel besluit uitdrukkelijk overweegt dat het zich voor de weerlegging van de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren aansluit bij de motieven van de bestendige deputatie; dat hieruit blijkt dat de Vlaamse minister wel degelijk rekening gehouden heeft met de ingediende bezwaren en dat hij, weliswaar door verwijzing naar de motieven van de bestendige deputatie, die bezwaren ongegrond bevonden heeft; dat, om de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel, de minister zijn beslissing terzake niet formeel diende te X-12.648-8/11 motiveren, in de zin dat hij niet formeel op elk van de bezwaren een antwoord diende te geven; dat het derde middel in dit opzicht niet ernstig is; 8.2. Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel, dat het de Raad van State niet toekomt zijn beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht wel bevoegd is na te gaan welke de feiten zijn waarop de overheid haar beoordeling heeft gesteund, of zij deze correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen handelingen en werken verenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de gegevens waarop de verzoekers steunen om de onredelijkheid van het bestreden besluit aan te tonen, het voorwerp hebben uitgemaakt van sommige van de bezwaren die zij tijdens het openbaar onderzoek hebben ingediend; dat, zoals uit het antwoord op het tweede middel blijkt, het bestreden ministerieel besluit zich voor de weerlegging van die bezwaren aansluit bij de motieven van de bestendige deputatie; dat het besluit van de bestendige deputatie van 12 mei 2005 in verband met de betrokken bezwaren de volgende overwegingen bevat: "Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 22 bezwaarschriften werden ingediend; dat deze bezwaren handelen over: 1. de afstand tussen de achtergevel van de nieuwbouw en het bestaande rechtsaanpalende gebouw (ongeveer 8,8 m), de plaats van de vensters en de hieraan gekoppelde privacy en de diepte van de nieuwbouw brengen de levensomstandigheden en -kwaliteit in het gedrang bij de huidige bewoners. 2. zon en lucht worden ontzegd aan de bewoners van de diverse appartementen aan de binnenkoer waardoor de woonkwaliteit zal verminderen (verhoogde vochtigheid). (...) 5. de ruimtelijke draagkracht van de plek wordt overschreden, door beperking van de bouwdiepte en bouwhoogte (geleidelijke afbouw) kan de woonkwaliteit van de bestaande appartementen aanvaardbaar worden gehouden. (...) dat in verband met deze bezwaren het volgende standpunt wordt ingenomen: 1. een afstand van 8,8 m tussen 2 achtergevels is niet ongebruikelijk in stedelijke weefsels, bovendien zijn in het voorgestelde project geen terrassen aan de achterzijde voorzien. 2. in de bestaande toestand is de binnenkoer ook omgeven door gebouwen, door het voorliggende nieuwbouwproject dat zich ten zuiden situeert van het bestaande gebouw wordt het direct zonlicht bij enkele achterliggende X-12.648-9/11 appartementen inderdaad afgeschermd; de negatieve invloed op de luchtkwaliteit en het toenemende vochtgehalte van deze lucht zijn sterk betwistbaar. (...) 5. het totale terrein met een oppervlakte van 2569,69 m² is voldoende ruim voor de geplande 13 woongelegenheden, aan de straatzijde wordt perfect aangesloten op de kroonlijst van het bestaande gebouw"; Overwegende voorts dat de erkenning door de bestendige deputatie dat voor sommige appartementen het zonlicht wordt weggenomen (bezwaar 2 in het hiervóór aangehaalde citaat), moet worden gelezen in samenhang met een andere overweging uit haar besluit, waarin met name wordt gesteld "dat de vermindering van zonlicht voor een paar achterliggende bestaande appartementen niet opweegt tegen de logische afwerking van de gevelwand langs de steenweg"; Overwegende dat de kritiek van de verzoekers weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de bestendige deputatie en de Vlaamse minister, maar dat de verzoekers voorshands niet aannemelijk maken dat die overheden in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie zijn gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat het middel ook in dit opzicht niet ernstig is; 9. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de nv DE CRAECKER- VLAEMINCK in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. X-12.648-10/11 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juli 2006, door : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. P. LEMMENS. X-12.648-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.447 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.