id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.460 Rolnummer: Zaak: Arrest 161460 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-28 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 01:30 Fiche Arrest nr 161.460 van 26 juli 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.460 van 26 juli 2006 in de zaken A. 175.079/XIV-26.212 A. 175.080/XIV-26.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, die beweert staatloos te zijn, op 19 juli 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat XXX, die beweert staatloos te zijn, op 19 juli 2006 eveneens per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de beschikkingen van 20 juli 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-26.212 & 26.213-1/6 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juli 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de samenvoeging van de vorderingen. Overwegende dat XXX in twee afzonderlijke verzoekschriften de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid vraagt van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard en waarbij het bevel wordt gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te beslechten;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
- Verzoeker kwam België binnen op 15 augustus 2002 en verklaarde zich vluchteling op 17 juni
- 2.
- Op 25 juni 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. XIV-26.212 & 26.213-2/6 2.
- Op 20 augustus 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De Commissaris-generaal concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is. 2.
- Tegen deze beslissing werden een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het nummer A. 141.581/XIV-16.740 en is nog hangende. 2.
- Verzoeker diende op 15 oktober 2003 een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in bij de burgemeester van de gemeente Middelkerke, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 2.
- Op 13 juli 2006 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing. 2.
- Op dezelfde datum geeft de Dienst Vreemdelingenzaken verzoeker het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Dit is de tweede bestreden beslissing;
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat, voor zover de vordering gericht is tegen de beslissing tot vrijheidsberoving van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 op basis van artikel 7, derde lid, van de Vreemdelingenwet, de Raad van State de bevoegdheid mist om kennis te nemen van middelen gericht tegen deze vrijheidsberovende maatregel, en dit op grond van artikel 71 van dezelfde wet;
- Over de schorsingsvoorwaarden. 4.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoeker, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, aanvoert dat hij naar Armenië zal worden gerepatrieerd, dat de Raad van State reeds bij herhaling heeft geoordeeld dat een staatloze of een persoon waarvan de nationaliteit niet XIV-26.212 & 26.213-3/6 vaststaat niet kan worden gerepatrieerd op straffe van schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat hij in Armenië aan zijn lot zal worden overgelaten en verplicht worden te leven in omstandigheden die mensonwaardig zijn, daar hij op niets recht zal hebben en in de clandestiniteit zal moeten leven, dat zijn vader en zuster niet alleen in België verblijven, maar inmiddels Belg zijn geworden, zodat een verwijdering van het Belgische grondgebied tevens zou betekenen dat hem in feite belet wordt nog verder familiale contacten te onderhouden; 4.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat artikel 3 van het E.V.R.M. zou worden geschonden door zijn repatriëring; dat het opwerpen van een ernstig middel enerzijds en het aannemelijk maken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel anderzijds evenwel twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden vormen; dat de verwijzing naar een voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M. derhalve niet dienstig is om het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk te maken; Overwegende dat verzoeker voorts stelt in Armenië aan zijn lot te zullen worden overgelaten en verplicht te worden te leven in omstandigheden die mensonwaardig zijn daar hij op niets recht zal hebben en in de clandestiniteit zal moeten leven; dat hij deze bewering evenwel door geen enkel concreet, tastbaar en objectief element staaft; dat door algemeenheden te vermelden en blote beweringen aan te halen, hij niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat bovendien uit het administratief dossier helemaal niet blijkt dat verzoeker staatloos is; dat hij een verzoekschrift tot erkenning van staatloosheid indiende bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, maar verzoekers zaak zou daar pas op 14 september 2006 worden behandeld; dat daarnaast niet blijkt dat zijn vader en zuster Belg zijn zoals hij beweert; dat, wat zijn vader betreft, uit het administratief dossier blijkt dat het Hof van Beroep te Gent als gevolg van de vordering van verzoekers vader tot erkenning als staatloze, op 20 maart 2003 een arrest heeft gewezen waarin de vordering ongegrond wordt verklaard; dat het Hof oordeelde dat de vader van verzoeker de Iraanse nationaliteit bezit; dat verzoeker niet aannemelijk maakt staatloos te zijn en aldus evenmin aannemelijk maakt in Armenië op grond van dit gegeven te zullen worden behandeld op de manier zoals omschreven; Overwegende dat verzoeker ten slotte stelt dat hij door een verwijdering van het grondgebied in feite belet wordt nog verder normale familiale contacten te onderhouden, daar zijn vader en zuster Belg geworden zijn; dat de terugkeer van verzoeker naar het land van herkomst niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het onderhouden van normale familiale contacten, daar de machtiging tot verblijf werd afgewezen omdat de aangehaalde elementen geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaken die rechtvaardigen dat de aanvraag niet via de gewone procedure zou worden ingediend; dat de verplichting om terug te keren geen breuk betekent maar enkel een eventuele tijdelijke verwijdering, wat XIV-26.212 & 26.213-4/6 geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich meebrengt; dat bovendien uit het voorgaande blijkt dat niet is aangetoond dat verzoekers vader en zuster Belg zijn waardoor het onderhouden van normale familiale contacten ook in de toekomst onzeker is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 175.079/XIV-26.212 en A. 175.080/XIV-26.213 worden gevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden verworpen. Artikel
- Dit arrest zal per fax ter kennis worden gebracht. Artikel
- De kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-26.212 & 26.213-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juli tweeduizend en zes, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. BEIRLAEN. XIV-26.212 & 26.213-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.460 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.