id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.498 Rolnummer: A. 175121/XII-4825 Zaak: Arrest 161498 - - 28/07/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 01:40 Fiche Arrest nr 161.498 van 28 juli 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.498 van 28 juli 2006 in de zaak A. 175.121/XII-4825. In zake : Kevin STEEGMANS, vertegenwoordigd door zijn ouders Daniel STEEGMANS en Josee PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaat V. MERTENS, kantoor houdende te GENK, Grotestraat 119 tegen : 1. het Sint-Pauluscollege Houthalen, 2. de VZW Katholiek Secundair Onderwijs Limburg-Houthalen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kevin STEEGMANS, vertegen- woordigd door zijn ouders Daniel STEEGMANS en Josee PEETERS op 20 juli 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “1. De beslissing van het schoolbestuur in de vergadering van de Raad van Bestuur van 10 juli 2006 om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te overwegen. 2. Het advies van de beroepscommissie van 6 juli 2006. 3. De beslissing van de delibererende klassenraad van juni 2006 om aan Kevin Steegmans een C-attest toe te kennen”; Gelet op de beschikking van 23 juli 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juli 2003, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER die, in eigen naam en loco advocaat V. MERTENS, verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; XII-4825-1/8 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Wat de afwezigheid van de verwerende partijen betreft: Overwegende dat geen van beide verwerende partijen door de Raad van State kon worden bereikt; dat de griffier, aan de hand van de gegevens op het internet verstrekt door het Informatienetwerk van het Katholiek Onderwijs - Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs, voor wat de eerste verwerende partij betreft, vergeefs heeft getracht telefonisch in contact te komen met het Sint-Pauluscollege en met Theo KUPPENS, directeur van het college en op 23 juli 2006 een faxbericht heeft gestuurd naar dat college met de kennisgeving van de zittingsdag en het verzoekschrift; dat hij de politie van Houthalen-Helchteren dezelfde dag heeft gevraagd om over te gaan tot een administratieve betekening van deze documenten aan Theo KUPPENS, of aan een andere vertegenwoordiger of aangestelde van voornoemd college; dat de inspecteur van politie op 24 juli 2006 aan de Raad heeft laten weten “niet (
- te)kunnen overgaan tot afgifte van onderhavig verzoekschrift aangezien de genaamde Theo KUPPENS op vakantie is in het buitenland, dit tot 31/07/06” en “dat deze informatie werd (...) verstrekt door de tuinman”; dat de griffier, voor wat de tweede verwerende partij betreft, vergeefs heeft getracht telefonisch in contact te komen met de VZW Katholiek Secundair Onderwijs Limburg-Houthalen of met haar voorzitter Jos GIJBELS; dat hij op 23 juli 2006 een faxbericht met de kennisgeving van de zittingsdag en het verzoek- schrift naar de VZW/Jos GIJBELS heeft gestuurd alsook een e-mailbericht naar Jos GIJBELS; dat de griffier nog diezelfde dag de politie van Houthalen-Helchteren heeft gevraagd om over te gaan tot een administratieve betekening van deze documenten aan Jos GIJBELS, of aan een andere vertegenwoordiger of aangestelde van de VZW; dat de inspecteur van politie op 24 juli 2006 aan de Raad heeft laten weten “niet (
- te)kunnen overgaan tot afgifte van onderhavig verzoekschrift aangezien de genaamde Jos GIJBELS op vakantie is in het buitenland, dit tot 02/08/2006” en “dat deze info werd (...) verstrekt door een buurman”; dat de griffier ten slotte heeft getracht in contact te komen met de scholengemeenschap nr. 49 SGKSO De Heide waarvan het college deel uitmaakt; dat hij een bericht heeft ingesproken op het antwoordapparaat van de scholengroep, heeft getracht telefonisch in contact te komen met Jos JANSSEN, coördinerend directeur van de scholen-gemeenschap en laatstgenoemde een e-mailbericht heeft gestuurd met de vraag om dringend contact op te nemen alsmede een kopie van de mail aan Jos GIJBELS heeft overgemaakt; dat uit wat XII-4825-2/8 voorafgaat blijkt dat de Raad al het nodige heeft gedaan om de verwerende partijen op de hoogte te stellen van het verzoekschrift en van de terechtzitting, teneinde hun rechten van verdediging te vrijwaren; dat het gebrek aan permanentie de enige oorzaak is van hun afwezigheid of van de omstandigheid dat zij niet vertegenwoor- digd werden ter terechtzitting; 2. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2 betreft, uit de stukken die bij het verzoekschrift zijn gevoegd blijkt dat de eerste bestreden beslissing dateert van 10 juli 2006; dat deze beslissing op 11 juli 2006 aangetekend werd verstuurd naar de verzoekende partijen q.q.; dat de postbode het schrijven op 12 juli 2006 heeft aangeboden op het adres van de verzoekende partijen q.q.; dat de postbode op voornoemde datum heeft aangebeld, een bericht heeft achtergelaten en dat de aangetekende zending kort nadien op het postkantoor werd afgehaald; dat de verzoekende partijen q.q. op 20 juli 2006 een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid hebben ingeleid, zodat zij diligent en alert hebben gehandeld; dat de verzoekende partijen q.q. op goede gronden aanvoeren dat een gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ongedaan te maken; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 2.2.1. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partijen q.q., in een eerste middel de schending aanvoeren van de artikelen 5, § 8, 37, 38 en 57 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna het organisatiebesluit genoemd), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, het redelijks- en het evenredigheidsbeginsel, en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”; XII-4825-3/8 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen q.q. om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verzoeken van de conclusie van de beroepscom- missie die op 6 juli 2006 samenkwam betreffende de beslissing van de delibererende klassenraad die in juni 2006 besloot om Kevin STEEGMANS, zoon van de verzoekende partijen q.q., een C-attest toe te kennen wegens “tekorten en gebrek aan inzet” en van het advies vervat in dezelfde beslissing dat als volgt luidt: “Overzitten mits de nodige inzet. Als hij dit niet kan opbrengen, is het misschien beter een andere richting te kiezen.”; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing genomen op 10 juli 2006 door het schoolbestuur in de vergadering van de Raad van Bestuur, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te overwegen, steunt op de volgende conclusie van de beroeps- commissie, samengekomen op 6 juli 2006: “er zijn geen nieuwe, doorslaggevende elementen aan het licht gekomen in de gevolgde procedure van de delibererende klassenraad”; dat de verzoekende partijen q.q. ook tegen deze beslissing opkomen en tegen de beslissing van de delibererende klassenraad van juni 2006, zoals gezegd, om aan Kevin Steegmans een C-attest toe te kennen; 2.2.3. Overwegende dat de beroepscommissie niet aangeeft waarom er geen nieuwe, doorslaggevende elementen aan het licht zijn gekomen in de gevolgde procedure van de delibererende klassenraad; dat zij evenmin aangeeft om welke motieven voornoemde beslissing van de klassenraad gehandhaafd blijft; dat de conclusie van de beroepscommissie inhoudelijk niets voorstelt en neerkomt op een pure stijlformule, die geen rekening houdt met de eigenheid van de zaak; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partijen q.q. bij brief van 30 juni 2006 de beslissing van juni 2006 van de delibererende klassenraad betwisten; dat zij aanvoeren dat hun zoon een gebrek aan inzet wordt verweten, terwijl bij het vergelijken van de resultaten tussen het eerste en het tweede rapport blijkt dat hun zoon op 9 van de 13 vakken - de verzoekende partijen q.q. geven een overzicht van deze negen vakken met de stijging van de percentages - een duidelijke vooruitgang boekt, wat een bewijs is van zijn goede wil en inzet en dat zulks ook blijkt uit de stijging van zijn percentage van 55% op zijn eerste rapport naar 60% op zijn tweede rapport; dat de verzoekende partijen q.q. vragen dat de onvoldoende van hun zoon op het hoofdvak fysica zou worden gerelativeerd, omdat het klasgemiddelde van XII-4825-4/8 rapport 2 op fysica 51% bedraagt en zijn totaal percentage weinig afwijkt van het klasgemiddelde; Overwegende dat verzoekende partijen q.q. betogen dat hun zoon, met een gemiddelde van 58%, met stijgende resultaten, voor zijn onvoldoende op het hoofdvak fysica, waarbij het klasgemiddelde 53% bedraagt, zwaar wordt gesanctio- neerd; dat precies om de brief van 30 juni 2006 te onderzoeken de beroepscommissie is bijeengeroepen; dat het behoort tot de opdracht van de beroepscommissie voornoemde elementen in overweging te nemen en er concreet op te antwoorden; dat het schoolbestuur in de eerste bestreden beslissing enkel verwijst naar de conclusie van de beroepscommissie, met name dat er “geen nieuwe, doorslaggevende elementen aan het licht zijn gekomen (....)”; Overwegende dat voornoemde conclusie een nietszeggende formule is die niet in concreto antwoordt op de grieven van de verzoekende partijen q.q.; dat een beroepsprocedure erop gericht is een antwoord te verschaffen op de elementen die de ouders namens de leerling aanbrengen, wat in casu niet het geval is (zie o.m. de volgende arresten R.v.St. nr. 99.801, DE SMEDT van 16 oktober 2001; R.v.St. nr. 111.088, HOFMANS van 8 oktober 2002; R.v.St. nr. 128.997, NUYTTEN van 9 maart 2004); Overwegende dat het advies van de beroepscommissie een antwoord moet bevatten op de klacht van de verzoekende partijen q.q., ingediend namens hun zoon; dat de verzoekende partijen q.q. blijkbaar niet in kennis werden gesteld van het advies van de beroepscommissie van 6 juli 2006; dat wordt aangenomen dat de Raad van Bestuur de motieven ervan tot de zijne heeft gemaakt; dat de motivering van de eerste bestreden beslissing luidende dat “er geen nieuwe, doorslaggevende elementen zijn aan het licht gekomen in de gevolgde procedure van de delibererende klassenraad”, derhalve onwettig is, want nietszeggend, inhoudsloos en een stijlformule uitmaakt die niet doet blijken van een onderzoek van wat de verzoekende partijen q.q. aanvoerden in de beroepsprocedure; dat ook al mocht de beslissing van de beroepscommissie een reactie of een antwoord inhouden op de grieven van de verzoekende partijen q.q. dan nog is het middel afgeleid uit de schending van de formele- en materiële motiveringsplicht ernstig, omdat de motieven van de beroepscommissie niet ter kennis werden gebracht van de verzoekende partijen q.q. en voornoemde motieven in ieder geval deel moeten uitmaken van de finaal te bestrijden beslissing; XII-4825-5/8 Overwegende dat een beroepscommissie ertoe gehouden is de elementen weer te geven die aantonen wat haar ertoe heeft gebracht om tot haar oordeel te komen; dat een beroep een pertinent, deugdelijk en afdoend antwoord inhoudt op de geuite grieven of klachten; dat in casu enkel kan worden vastgesteld dat de beslissing van de beroepscommissie geen enkel gegeven aanbrengt en niet is ingegaan op de argumenten van de verzoekende partijen q.q.; 2.2.5. Overwegende dat de eerste bestreden beslissing van de inrichtende macht om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen door dezelfde onwettigheid is aangetast, aangezien zij zich baseert op het ongemotiveerd advies van de beroepscommissie; dat het staat aan de inrichtende macht, nu deze de ontstentenis van repliek vaststelde, deze onwettigheid te verhelpen in plaats van zonder meer te beslissen op basis van de conclusie van de beroepscommissie; dat het eerste middel dat in essentie aanvoert dat het advies van de beroepscommissie niet gemotiveerd is en de beslissing van de inrichtende macht dat evenmin is, ernstig is; 2.2.6. Overwegende dat wat de derde bestreden beslissing betreft, met name de beslissing van de delibererende klassenraad van juni 2006 om aan Kevin STEEGMANS een C-attest toe te kennen, deze beslissing op het eerste gezicht geen rekening houdt met wat het organisatiebesluit vraagt dat de delibererende klassenraad zou onderzoeken, want er wordt enkel gemotiveerd met “tekorten en gebrek aan inzet”, terwijl blijkens artikel 5, § 6 van het organisatiebesluit, van de beslissingen van de delibererende klassenraad een proces-verbaal wordt opgemaakt, er notulen worden gehouden, het proces-verbaal de lijst van de geslaagde en de niet-geslaagde leerlingen bevat en de notulen een synthese bevatten van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming, waarbij de tekorten worden gerelateerd aan het geheel van de resultaten en aan de doelstellingen van het leerplan (zie tevens : R.v.St. nr. 103.155, LABAERE van 5 februari 2002 en R.v.St nr. 132.028, MEULENIJZER van 3 juni 2004); dat bijgevolg is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17 §§ 1 en 2; 3. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van vermeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partijen q.q. namens hun minderjarige zoon gewag maken van een verlies van een schooljaar en van een moreel nadeel; dat, aldus de verzoekende partijen q.q., dit nadeel enkel kan worden hersteld door de schorsing van de bestreden beslissingen; XII-4825-6/8 Overwegende dat een mogelijk verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt; dat deze vaststelling volstaat, zodat is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 4. Overwegende dat er op basis van de vorige consideransen aanleiding is om de drie bestreden beslissingen te schorsen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zodat eventueel kan worden overgegaan tot het opnieuw samenroepen van de delibererende klassenraad vóór 1 september 2006, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : 1. De beslissing van het schoolbestuur in de vergadering van de Raad van Bestuur van 10 juli 2006 om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing van de klassenraad van juni 2006 om aan Kevin Steegmans een C-attest toe te kennen opnieuw te overwegen. 2. Het voorafgaand advies en de conclusie van de beroepscommissie van 6 juli 2006 inzake Kevin Steegmans. 3. De beslissing van de delibererende klassenraad van juni 2006 om aan Kevin Steegmans een C-attest toe te kennen. Artikel 2. Als beslist wordt de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, dan moet dat prioritair gebeuren in de loop van de maand augustus 2006 en in ieder geval vóór 1 september 2006. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terecht- zitting, op achtentwintig juli 2000 en zes, door : XII-4825-7/8 de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. XII-4825-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.498 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div