← België

Arrest 161703 - - 04/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.703 Rolnummer: A. 175456/XIV-26325 Zaak: Arrest 161703 - - 04/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 02:00 Fiche Arrest nr 161.703 van 4 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 161.703 van 4 augustus 2006 in de zaak A. 175.456/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. WALLEYN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 1 augustus 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 juli 2006 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 juli 2006; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 4 augustus 2006 om 11 uur; XIV-26.325-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. WALLEYN die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VANLIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende wat de eerste bestreden beslissing betreft, met name het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2006 om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, dient te worden vastgesteld dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in hoofde verzoekende partij reeds bij beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 december 2005 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde werd genomen; dat de verzoekende partij dit bevel niet met een annulatieberoep heeft bestreden; dat derhalve ten aanzien van de verzoekende partij een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten bestaat; dat, gelet op dit uitvoerbaar bevel, ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partij uit een eventueel tussen te komen vernietiging van het bestreden bevel geen voordeel kan halen; dat dienvolgens de verzoekende partij evenmin belang heeft bij de schorsing ervan; dat derhalve het belang in hoofde van de verzoekende partij niet aanwezig is; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep voor wat de eerste bestreden beslissing betreft niet ontvankelijk is; Overwegende wat de tweede bestreden beslissing betreft, met name de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 juli 2006 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, dient te worden opgemerkt dat, daargelaten de vraag in hoeverre het aangevoerde nadeel al zou voortvloeien uit de tweede bestreden beslissing en er tussen beide een causaal verband bestaat, het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet opschortend werkt ten aanzien van een eerder afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; dat de gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing geen afbreuk doet aan het uitvoerbaar karakter van een eerder gegeven bevel en er tevens niet toe kan leiden dat de verzoekende partij een de facto verblijfsrecht zou bekomen dat zij vóór het nemen van deze bestreden XIV-26.325-2/4 beslissing niet had; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in hoofde van de verzoekende partij, naast het thans aangevochten bevel van 13 juli 2006, reeds bij beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 december 2005 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde werd genomen; dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij reeds eerder het voorwerp heeft uitmaakt van een haar op 21 december 2005 betekend bevel om het grondgebied te verlaten; dat voormeld bevel niet werd aangevochten voor de Raad van State en dienvolgens definitief is, zodat het principieel uitvoerbaar is; dat in casu de uitvoerbaarheid van de beide voormelde bevelen losstaat van de tweede bestreden beslissing, zodat de verzoekende partij bijgevolg nog steeds kan gerepatrieerd worden, mocht de schorsing van tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing worden bevolen; dat in casu het vermeende nadeel dienvolgens voortvloeit uit de bevelen van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 december 2005 en 13 juli 2006 om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, waartegen de verzoekende partij respectievelijk geen beroep en om bovenvermelde redenen een niet ontvankelijk beroep heeft ingesteld, en derhalve niet te wijten is aan de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing; dat de gevorderde schorsing in dat opzicht geen nuttig effect kan hebben, aangezien deze niet van aard is het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel weg te nemen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-26.325-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. Ch. BAMPS. XIV-26.325-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.703 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.