id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.820 Rolnummer: A. 153686/XIV-20109 Zaak: Arrest 161820 - - 11/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 02:05 Fiche Arrest nr 161.820 van 11 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 161.820 van 11 augustus 2006 in de zaak A. 153.686/XIV-20.
(2)van de Conventie van Genève alsook van art. 52 van de Vreemdelingenwet, van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van art. 62 van de Vreemdelingenwet. Volgens verzoekers wordt het in de bestreden beslissing enkel verweten niet voldoende elementen aangebracht te hebben om een gegronde vrees aan te tonen en dat de problemen die ze ervaren hebben enkel van persoonlijke en familiale aard zijn. Zij stellen echter vast dat geen enkele tegenstrijdigheid geconstateerd kon worden en dat de documenten (bewijs van de brand, artikels, videoband) die zij voorgelegd hebben authentiek waren. Deze geloofwaardigheid leidt ertoe dat er geloof kan gehecht worden aan de vrees van verzoekers. Hun vrees is gegrond. Met de informatie waarover ze beschikten kon ze met gerede angst vrezen dat hun schoonvader het hier niet bij zou laten. Het kan hen niet verweten worden dat ze niet in het land gebleven zijn tot er iets anders gebeurde of totdat ze opnieuw zouden ervaren dat de autoriteiten hen niet konden of wilden helpen. Bovendien heeft de Commissaris-generaal niet voldoende rekening gehouden met de algemene context in Bosnië-Herzegovina, waar de Rom-minderheid zeer vaak het slachtoffer is van agressie. De autoriteiten waren niet gehaast om verzoekers hulp te bieden. De vader van verzoekster heeft daarenboven een hoge graad in het leger. Hierdoor kan men het relaas van verzoekers niet afdoen als een louter intrafamiliaal en interpersoonlijk conflict. Verweerder stipt aan dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek van de asielaanvraag. Voor wat betreft het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Eén van die onontvankelijkheidsgronden is de 'kennelijk ongegrondheid' van de asielaanvraag. Een asielaanvraag is kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. In casu werpen verzoekers op dat hun asielaanvraag gegrond zou zijn omdat ze geloofwaardig is, verweerder antwoordt hierop dat dit inderdaad een noodzakelijke voorwaarde is doch geen voldoende, de feiten die worden aangebracht getuigen niet van een gegronde vrees in de zin van één van de criteria van de Conventie van Genève. Verzoekers brengen geen feiten aan waaruit zou blijken dat zij vervolgd worden in Bosnië-Herzegovina. Bovendien dateert de laatste confrontatie van verzoekers met de vader van verzoekster uit 1999 en kwamen zij in 2004 in België aan. Het feit dat de vader van verzoekster een militair is, doet niets af aan het feit enerzijds dat het hier gaat om interpersoonlijke problemen en anderzijds dat de politie hun klacht wel degelijk in acht heeft genomen, doch hen louter gewaarschuwd heeft om niet zonder gegronde redenen iemand te beschuldigen van de brand in hun huis. Deze redenering geldt eveneens voor hetgeen ze zeggen over de Rom-minderheid in XIV-20.109-5/9 Bosnië/Herzegovina, verzoekers maken een vervolging tegenover hen om deze reden niet aannemelijk. Verzoekers tonen in hun verzoekschrift weliswaar aan dat zij het niet eens zijn met de appreciatie door de Commissaris-generaal, doch zij tonen geenszins aan dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiemarge heeft overschreden door te oordelen dat de aanvraag van verzoekers onontvankelijk is. Wat betreft het dossier dat verzoekers vernoemen, wenst verweerder op te merken dat verzoekers en eveneens de feiten die ze hebben meegemaakt volledig los staan van hetgeen deze personen die de status van erkende vluchteling hebben gekregen, inroepen. Het eerste middel is ongegrond.”: 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat de commissaris-generaal een bijkomende voorwaarde toevoegt aan de eis dat een kandidaat-vluchteling een begin van bewijs moet leveren van de vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, dat een gewone onthouding van de autoriteiten volstaat om daaronder te ressorteren, dat de Bosnische politie niets meer heeft gedaan dan hun klacht registreren en dat het (aanvankelijk familiaal) probleem etnisch getint is geworden zijn, gelet op het feit dat andere Roma’s mede het slachtoffer werden van de brandstichting; 2.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de elementen die de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun asielaanvragen aanbrengen in de bestreden beslissingen concreet worden opgesomd waarna wordt besloten dat deze elementen onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te gelden; dat de verzoekende partijen zich beperken tot de bevestiging van hun standpunt dat zij wel vervolgd werden, het aanhalen van het feit dat er geen tegenstrijdigheden zijn vastgesteld in hun asielrelaas en het verwijzen naar de algemene toestand van Roma’s in Bosnië- Herzogovina, zonder deze op hun individuele toestand te betrekken; dat de verzoekende partijen niet repliceren op de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij sinds het eerste incident met de vader van de tweede verzoekende partij in 1999, pas in 2004 hun land van herkomst hebben verlaten; dat uit de verklaringen van de verzoekende partijen blijkt dat zij gedurende het gerechtelijk onderzoek naar de daders van de kwestieuze XIV-20.109-6/9 brandstichting hun land van herkomst hebben verlaten; dat de verzoekende partijen geen verband aannemelijk maken tussen de hogere functie van de vader van de tweede verzoekende partij en de door hen ondervonden (familiale) problemen; dat zij derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.); dat zij aanvoeren dat een bevel om het Schengen-gebied te verlaten werd uitgevaardigd zonder er zich van te vergewissen dat zij bij de aankomst in hun land van herkomst over een degelijke gezinswoning zouden beschikken, dat de commissaris-generaal niet in twijfel trekt dat hun woning volledig vernield werd als gevolg van de brandstichting en dat zij daardoor gedwongen werden om gescheiden te gaan wonen; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “schending van art.3 en art. 8 EVRM. Verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal niet ontkent dat hun huis is afgebrand. Ze hebben geen huis meer om in te wonen. De gemeenschap hielp hen niet aan een nieuwe woonst. Verzoekers terugsturen naar hun land van oorsprong zonder een garantie dat zij daar tesamen kunnen leven, maakt een schending uit van de geciteerde artikelen. Bij een schending van artikel 3 EVRM moet de kandidaat vluchteling doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden volstaat op zich niet (R.v.St., nr. 105.é van 27 maart 2002; nr. 105.262 van 28 maart 2002; nr. 104.674 van 14 maart 2002). Verzoekers maken een risico op foltering of een mensonterende behandeling niet aannemelijk. In de bestreden beslissing wordt inderdaad niet ontkend dat er brand is geweest in het huis van verzoekers of dat het afgebrand is, doch uit de verklaringen van verzoekers zelf, blijkt dat zij zich volledig op vermoedens baseren om te stellen dat de vader van verzoekster hierachter zat. Voorts maken ze niet aannemelijk dat de overheid een onwil vertoonde om hun klacht te behandelen, deze zeiden immers dat het onderzoek nog bezig was. Verzoekers halen eigenlijk aan niet terug te kunnen naar Bosnië-Herzegovina, omdat ze geen huis hebben, dit is echter een element van socio-economische aard en valt als dusdanig niet onder de Conventie van Genève. Een schending van artikel 8 EVRM kan niet worden weerhouden vermits er ten aanzien van verzoekers echtgenote eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen. Noch de beslissing van verzoekster, noch de beslissing van haar man houdt in dat verzoekster van haar echtgenoot zal worden gescheiden (R.v.St., nr. 105.741 van 22 april 2002). Het E.H.R.M. heeft reeds meermaals geoordeeld dat een op wettelijke basis geïnstalleerde verwijderingsmaatregel het legitieme doel kan dienen van de wettelijke controle op de toegang en het verblijf van het grondgebied en dat dient te worden afgewogen hoe ernstig de last is die aan het gezin wordt toegebracht. Het tweede middel is ongegrond.”; XIV-20.109-7/9 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegen aan het tweede middel; 2.2.
- Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mogen worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico lopen te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat, in de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar hun asielrelaas, de asielaanvragen met de bestreden beslissingen kennelijk ongegrond zijn bevonden en dat hun grieven daartegen blijkens de bespreking van het eerste middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partijen derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maken; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dat het gezin van de verzoekende partijen niet wordt gesplitst, vermits voor beiden een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen; dat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet op zichzelf geen schending van artikel 8 van het E.V.R.M. inhoudt, noch het loutere feit dat de verzoekende partijen geen woning in het land van herkomst zouden hebben; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- XIV-20.109-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf augustus tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.109-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.820 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div