← België

Arrest 161820 - - 11/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.820 Rolnummer: A. 153686/XIV-20109 Zaak: Arrest 161820 - - 11/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 02:05 Fiche Arrest nr 161.820 van 11 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 161.820 van 11 augustus 2006 in de zaak A. 153.686/XIV-20.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. VANCRAEYNEST, kantoor houdende te 5530 YVOIR, Place des Combattants 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Bosnische nationaliteit, op 9 juli 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juni 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 26 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 december 2005; XIV-20.109-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VANCRAEYNEST, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 20 februari 2004 en zich dezelfde dag vluchteling verklaren; dat 5 april 2004 op de minister van Binnenlandse Zaken inzake de beide verzoekende partijen beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 juni 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: Inzake de eerste verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 5 mei 2004 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Servo-Kroatische taal machtig is en in aanwezigheid van uw raadsvrouw, mr. Kelchiche loco mr. Vancraeynest. Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner afkomstig uit Zenica (Bosnië- Herzegovina, Federatie van moslims en Kroaten). U zou sympathisant van de SDP (Sociaal- Democratische Partij) zijn. Sinds 26 maart 1999 zou u samenleven met een Bosnische moslimvrouw. Uw huidige echtgenote zou in 1999 haar ouderlijke woning zijn ontvlucht en bij u zijn ingetrokken omdat zij een probleem had met haar vader, die een extremistische moslim zou zijn. Haar vader, die tevens een majoor in het Bosnische leger is, zou tegen jullie relatie zijn geweest omdat u van Roma-afkomst bent. Hij zou tevens hebben gewild dat zijn dochter een vrome moslim zou worden. Ongeveer twee maanden nadat uw vriendin bij u ingetrokken was, zou haar vader op straat naar u toegekomen zijn. Toen hij zijn jas opende zou u een mes gezien hebben. U vermoedt dat hij u wou aanvallen, maar omdat hij uw vrienden zag zou hij weggevlucht zijn. Op 4 september 2002 bent u officieel gehuwd. Op 24 november 2003 zou u samen met uw echtgenote naar uw ouders gegaan zijn om Bajram te vieren. Op 25 november 2003 zou uw huis en dat van twee andere Roma-families volledig afgebrand zijn. U vermoedt dat uw schoonvader achter de brand van uw woning zit en dat hij iemand gestuurd heeft om uw woning in brand te steken. U baseert zich voor uw vermoedens op het feit dat uw echtgenote nadien bezoek kreeg van haar vader, die haar zei dat er misschien nog ergere dingen zouden gebeuren dan er nu al gebeurd waren. Na de brand zou u officieel klacht ingediend hebben tegen uw schoonvader bij de politie van Zenica. De politie zou uw klacht hebben genoteerd maar tevens opgemerkt hebben dat u niet zomaar mensen kan beschuldigen zonder bewijs. Na de brand zou u bij uw ouders gaan wonen zijn en uw echtgenote bij haar moeder. Omdat uw woning nagenoeg volledig was vernield, zou u na de brand samen met de andere gezinnen naar de gemeente en naar het Rode Kruis gegaan zijn voor hulp en onderdak. Daar zou men u steeds een nieuwe datum voor een afspraak hebben gegeven, maar u zou nooit concrete hulp hebben ontvangen. Omdat u geen steun en hulp kreeg en omdat u vreesde dat er iets ergers zou gebeuren dan die brand, zou u besloten hebben om samen met uw echtgenote en kind Bosnië te verlaten richting België. Op 20 februari 2004 kwam u in België aan, waar u nog dezelfde dag asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw huwelijksakte, uitgereikt te Zenica op 4 september 2002; het ziekteboekje van uw zoon Benjamin-, een verslag van de brandweer, opgemaakt op 25 XIV-20.109-2/9 november 2003; twee krantenartikels in verband met de brand in uw woning, dd. 26 november 2003 en 8 december 2003; 5 foto's van uw afgebrande woning en een videocassette met daarop een opname van het nieuws van TV Zenica in verband met de brand in uw woning. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u Bosnië heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. Uit uw verklaringen blijkt immers dat u uw land van herkomst heeft verlaten en er niet terug wil keren om problemen van louter interpersoonlijke (tussen privé-personen), intrafamiliale en gemeenrechtelijke aard (brand in uw woning, bedreigingintimidatie door uw schoonvader, gehoor CGVS p. 5 ev.). Uw bewering dat uw schoonvader achter de brand in uw woning zit (gehoor CGVS p. 6), is overigens louter gebaseerd op een vermoeden dat niet in het minst wordt ondersteund door enige objectieve criteria. U verklaarde immers zelf dat u geen bewijzen heeft en dat u enkel vermoedt dat uw schoonvader erachter zit omdat hij tegen uw echtgenote gezegd heeft dat er misschien ergere dingen zouden gebeuren (gehoor CGVS p. 6). Tevens verklaarde u dat u niet thuis was toen de brand ontstond (gehoor CGVS p. 5). Uw conclusie dat de brand het gevolg zou zijn van een brandstichting die zou gepleegd op instigatie van uw schoonvader is dan ook speculatief. Omtrent het feit dat u geen kopie van het proces-verbaal zou hebben gekregen naar aanleiding van uw klacht in verband met de brand, waarbij u uw schoonvader als verantwoordelijke van die brand aanwees, dient eveneens vastgesteld te worden dat dit niet kan weerhouden worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie (gehoor CGVS p. 7). U verklaarde immers zelf dat u bij de politie een verklaring heeft afgelegd over de brand en over de rol van uw schoonvader en dat ze bovendien ook nota's genomen heeft (gehoor CGVS p. 7). In dit verband verklaarde u ook dat de politie u zei dat u niet zomaar mensen kan beschuldigen zonder bewijs (gehoor CGVS p. 7). Uit het loutere feit dat de politie u - en overigens ook de andere gezinnen die het slachtoffer werden van de brand (gehoor CGVS p. 8) - geen afschrift gaf van het proces-verbaal, kan zeker niet zomaar de onwil tot bescherming of zelfs het criminele karakter van de politie worden afgeleid, temeer daar de politie wel degelijk inspanningen leverde om de brand te onderzoeken. U verklaarde immers zelf dat ze ook tegen de andere families wiens huis was afgebrand zei dát het onderzoek nog bezig was (gehoor CGVS p. 8). Bovendien maakte u geen gewag van problemen met de Bosnische autoriteiten en heeft u uw land preventief verlaten omdat er misschien iets ergers zou kunnen gebeuren (gehoor CGVS p. 8). Uw beweringen omtrent toekomstige problemen zijn echter evenmin gestoeid op enig objectief gegeven, daar uw laatste eigenlijke confrontatie met uw schoonvader - de enige persoon waarmee u concrete problemen kende - dateert van juni/juli 1999, toen u door hem met een mes werd bedreigd. Wat betreft het feit dat u na de brand in uw woning geen nieuw onderdak verkreeg en u bij uw ouders en uw echtgenote bij haar moeder moest intrekken (gehoor CGVS p. 4), dient opgemerkt te worden dat uit niets in uw verklaringen blijkt dat u niet zou geholpen worden om redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie. U verklaarde immers zelf dat zowel het Rode Kruis als de gemeente contact zouden opnemen als ze een woning beschikbaar hadden, maar dat ze u voorlopig niet konden helpen omdat er geen capaciteit genoeg was (gehoor CGVS p. 7). Het door u aangehaalde element, met name gebrek aan een woning, is aldus een probleem van socio-economische aard dat als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteert. De door u neergelegde documenten tenslotte zijn niet van die aard om alsnog bovenstaande vaststellingen te wijzigen. De krantenartikels, de foto's, de video en het verslag van de brandweer bevestigen het feit dat uw woning is afgebrand, doch dit gegeven stond geenszins ter discussie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de op Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; Inzake de tweede verzoekende partij: XIV-20.109-3/9 “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 5 mei 2004 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Servo-Kroatische taal machtig is en in aanwezigheid van uw raadsvrouw, mr. Kechiche loco mr. Vancraeynest. Volgens uw verklaringen bent u een Bosnische moslim afkomstig uit Zenica (Bosnië- Herzegovina, Federatie van moslims en Kroaten). Op 16-jarige leeftijd zou u een relatie begonnen zijn met een Rom-zigeuner. Omdat uw vader erg gekant was tegen uw relatie en wilde dat u een vrome rildslim zou worden, zou u het ouderlijk huis verlaten hebben en bij uw vriend ingetrokken zijn. Sinds 26 maart 1999 zou u met uw vriend samenleven. Enige tijd na uw vertrek uit het ouderlijke huis zou uw vader op straat naar uw echtgenoot toegegaan zijn en een mes hebben laten zien. Er zou verder niets gebeurd zijn en uw vader zou opnieuw vertrokken zijn. Op 4 september 2002 zou u dan officieel gehuwd zijn. Op 25 november 2003, toen u bij uw schoonouders Bajram aan het vieren was, zou uw huis afgebrand zijn. U vermoedt dat uw vader achter deze brand zit omdat hij tegen uw relatie is gekant. Na de brand zou u immers uw vader geconfronteerd hebben en hij zou u toen gezegd hebben dat u uw kind bij uw echtgenoot moest achterlaten en terug de ouderlijke woning betrekken, anders zou iets ergers kunnen gebeuren. Nadat u het verslag van de brandweer gekregen had, zouden jullie naar de politie gegaan zijn. Jullie zouden daar gezegd hebben dat jullie de dader van de vermoedelijke brandstichting kenden, maar de politie zou u gezegd hebben dat u geen mensen mag aanklagen zonder bewijzen. De politie zou jullie ook geen kopie van het proces-verbaal over de brand hebben willen geven. Na de brand zou u bij uw moeder -die inmiddels gescheiden leefde van uw vader - en uw echtgenoot bij zijn ouders gaan wonen zijn. Omdat u geen steun en hulp kreeg en omdat u vreesde dat uw vader u ging meenemen en opsluiten in zijn appartement, zou u besloten hebben om samen met uw echtgenoot en kind Bosnië te verlaten richting België. Op 20 februari 2004 kwam u in België aan, waar u nog dezelfde dag asiel aanvroeg. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dal u Bosnië heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. Wat betreft het feit dat uw vader uw relatie niet aanvaardt en u vreest dat hij u hierom zou meenemen en opsluiten (gehoor CGVS p. 9), dient opgemerkt te worden dat dit een probleem is van intrafamiliale aard, dat als dusdanig niet onder de criteria van de Conventie van Genève ressorteert. Uw bewering dat u meent dat u bij eventuele problemen met uw vader geen beroep zou kunnen doen op de politie omdat Bosnië primitief is en de politie corrupt (gehoor CGVS p. 1l), is louter gebaseerd op een vermoeden. Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, dat u voor klachten over de werking van de lokale politie steeds terecht kan bij de European Union Police Mission, een internationaal controle-orgaan dat streng op de werking van de lokale politiediensten toeziet. Verder dient vastgesteld te worden uw asielaanvraag voor het overige volledig steunt op de door uw echtgenoot, XXX E., aangehaalde motieven. Daar ik in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam, kan voor u evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaandgp de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending opwerpen van artikel 1, A, 2) van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de XIV-20.109-4/9 verzoekende partijen aanvoeren dat de commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de algemene toestand in Bosnië-Herzegovina en de problemen die zij aldaar ondervonden, dat de informatie over discriminatie van de Roma’s in Bosnië-Herzegovina vrij beschikbaar is op het internet, dat een asielaanvraag in redelijkheid moet worden geïnterpreteerd, dat hun asielrelaas geloofwaardig is, dat hun verklaringen geen enkele tegenstrijdigheid vertonen, dat de problemen met de vader van de tweede verzoekende partij voldoende zijn als vluchtmotief, dat de commissaris-generaal niet zonder de voormelde bepalingen te schenden de hogere functie in het Bosnische leger (en de invloed die daarmee gepaard gaat) van de vader van de tweede verzoekende partij buiten beschouwing kon laten, dat hun problemen niet louter van “inter-persoonlijke aard” zijn, dat het stilzitten van de Bosnische autoriteiten of de traagheid bij het opsporen van de daders van de brandstichting in hun woning in een algemene context van discriminatie van de Roma’s moet worden geplaatst en dat de commissaris-generaal in andere gelijkaardige zaken tot een positieve beslissing is gekomen; 2.1.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Schending van art.l.a

(2)van de Conventie van Genève alsook van art. 52 van de Vreemdelingenwet, van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van art. 62 van de Vreemdelingenwet. Volgens verzoekers wordt het in de bestreden beslissing enkel verweten niet voldoende elementen aangebracht te hebben om een gegronde vrees aan te tonen en dat de problemen die ze ervaren hebben enkel van persoonlijke en familiale aard zijn. Zij stellen echter vast dat geen enkele tegenstrijdigheid geconstateerd kon worden en dat de documenten (bewijs van de brand, artikels, videoband) die zij voorgelegd hebben authentiek waren. Deze geloofwaardigheid leidt ertoe dat er geloof kan gehecht worden aan de vrees van verzoekers. Hun vrees is gegrond. Met de informatie waarover ze beschikten kon ze met gerede angst vrezen dat hun schoonvader het hier niet bij zou laten. Het kan hen niet verweten worden dat ze niet in het land gebleven zijn tot er iets anders gebeurde of totdat ze opnieuw zouden ervaren dat de autoriteiten hen niet konden of wilden helpen. Bovendien heeft de Commissaris-generaal niet voldoende rekening gehouden met de algemene context in Bosnië-Herzegovina, waar de Rom-minderheid zeer vaak het slachtoffer is van agressie. De autoriteiten waren niet gehaast om verzoekers hulp te bieden. De vader van verzoekster heeft daarenboven een hoge graad in het leger. Hierdoor kan men het relaas van verzoekers niet afdoen als een louter intrafamiliaal en interpersoonlijk conflict. Verweerder stipt aan dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek van de asielaanvraag. Voor wat betreft het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Eén van die onontvankelijkheidsgronden is de 'kennelijk ongegrondheid' van de asielaanvraag. Een asielaanvraag is kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. In casu werpen verzoekers op dat hun asielaanvraag gegrond zou zijn omdat ze geloofwaardig is, verweerder antwoordt hierop dat dit inderdaad een noodzakelijke voorwaarde is doch geen voldoende, de feiten die worden aangebracht getuigen niet van een gegronde vrees in de zin van één van de criteria van de Conventie van Genève. Verzoekers brengen geen feiten aan waaruit zou blijken dat zij vervolgd worden in Bosnië-Herzegovina. Bovendien dateert de laatste confrontatie van verzoekers met de vader van verzoekster uit 1999 en kwamen zij in 2004 in België aan. Het feit dat de vader van verzoekster een militair is, doet niets af aan het feit enerzijds dat het hier gaat om interpersoonlijke problemen en anderzijds dat de politie hun klacht wel degelijk in acht heeft genomen, doch hen louter gewaarschuwd heeft om niet zonder gegronde redenen iemand te beschuldigen van de brand in hun huis. Deze redenering geldt eveneens voor hetgeen ze zeggen over de Rom-minderheid in XIV-20.109-5/9 Bosnië/Herzegovina, verzoekers maken een vervolging tegenover hen om deze reden niet aannemelijk. Verzoekers tonen in hun verzoekschrift weliswaar aan dat zij het niet eens zijn met de appreciatie door de Commissaris-generaal, doch zij tonen geenszins aan dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiemarge heeft overschreden door te oordelen dat de aanvraag van verzoekers onontvankelijk is. Wat betreft het dossier dat verzoekers vernoemen, wenst verweerder op te merken dat verzoekers en eveneens de feiten die ze hebben meegemaakt volledig los staan van hetgeen deze personen die de status van erkende vluchteling hebben gekregen, inroepen. Het eerste middel is ongegrond.”: 2.1.
  1. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord stellen dat de commissaris-generaal een bijkomende voorwaarde toevoegt aan de eis dat een kandidaat-vluchteling een begin van bewijs moet leveren van de vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, dat een gewone onthouding van de autoriteiten volstaat om daaronder te ressorteren, dat de Bosnische politie niets meer heeft gedaan dan hun klacht registreren en dat het (aanvankelijk familiaal) probleem etnisch getint is geworden zijn, gelet op het feit dat andere Roma’s mede het slachtoffer werden van de brandstichting; 2.1.
  2. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de elementen die de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun asielaanvragen aanbrengen in de bestreden beslissingen concreet worden opgesomd waarna wordt besloten dat deze elementen onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te gelden; dat de verzoekende partijen zich beperken tot de bevestiging van hun standpunt dat zij wel vervolgd werden, het aanhalen van het feit dat er geen tegenstrijdigheden zijn vastgesteld in hun asielrelaas en het verwijzen naar de algemene toestand van Roma’s in Bosnië- Herzogovina, zonder deze op hun individuele toestand te betrekken; dat de verzoekende partijen niet repliceren op de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij sinds het eerste incident met de vader van de tweede verzoekende partij in 1999, pas in 2004 hun land van herkomst hebben verlaten; dat uit de verklaringen van de verzoekende partijen blijkt dat zij gedurende het gerechtelijk onderzoek naar de daders van de kwestieuze XIV-20.109-6/9 brandstichting hun land van herkomst hebben verlaten; dat de verzoekende partijen geen verband aannemelijk maken tussen de hogere functie van de vader van de tweede verzoekende partij en de door hen ondervonden (familiale) problemen; dat zij derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.); dat zij aanvoeren dat een bevel om het Schengen-gebied te verlaten werd uitgevaardigd zonder er zich van te vergewissen dat zij bij de aankomst in hun land van herkomst over een degelijke gezinswoning zouden beschikken, dat de commissaris-generaal niet in twijfel trekt dat hun woning volledig vernield werd als gevolg van de brandstichting en dat zij daardoor gedwongen werden om gescheiden te gaan wonen; 2.2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “schending van art.3 en art. 8 EVRM. Verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal niet ontkent dat hun huis is afgebrand. Ze hebben geen huis meer om in te wonen. De gemeenschap hielp hen niet aan een nieuwe woonst. Verzoekers terugsturen naar hun land van oorsprong zonder een garantie dat zij daar tesamen kunnen leven, maakt een schending uit van de geciteerde artikelen. Bij een schending van artikel 3 EVRM moet de kandidaat vluchteling doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs. De kandidaat vluchteling moet concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Een eventualiteit dat artikel 3 EVRM kan worden geschonden volstaat op zich niet (R.v.St., nr. 105.é van 27 maart 2002; nr. 105.262 van 28 maart 2002; nr. 104.674 van 14 maart 2002). Verzoekers maken een risico op foltering of een mensonterende behandeling niet aannemelijk. In de bestreden beslissing wordt inderdaad niet ontkend dat er brand is geweest in het huis van verzoekers of dat het afgebrand is, doch uit de verklaringen van verzoekers zelf, blijkt dat zij zich volledig op vermoedens baseren om te stellen dat de vader van verzoekster hierachter zat. Voorts maken ze niet aannemelijk dat de overheid een onwil vertoonde om hun klacht te behandelen, deze zeiden immers dat het onderzoek nog bezig was. Verzoekers halen eigenlijk aan niet terug te kunnen naar Bosnië-Herzegovina, omdat ze geen huis hebben, dit is echter een element van socio-economische aard en valt als dusdanig niet onder de Conventie van Genève. Een schending van artikel 8 EVRM kan niet worden weerhouden vermits er ten aanzien van verzoekers echtgenote eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen. Noch de beslissing van verzoekster, noch de beslissing van haar man houdt in dat verzoekster van haar echtgenoot zal worden gescheiden (R.v.St., nr. 105.741 van 22 april 2002). Het E.H.R.M. heeft reeds meermaals geoordeeld dat een op wettelijke basis geïnstalleerde verwijderingsmaatregel het legitieme doel kan dienen van de wettelijke controle op de toegang en het verblijf van het grondgebied en dat dient te worden afgewogen hoe ernstig de last is die aan het gezin wordt toegebracht. Het tweede middel is ongegrond.”; XIV-20.109-7/9 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegen aan het tweede middel; 2.2.
  6. Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mogen worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico lopen te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat, in de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar hun asielrelaas, de asielaanvragen met de bestreden beslissingen kennelijk ongegrond zijn bevonden en dat hun grieven daartegen blijkens de bespreking van het eerste middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partijen derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maken; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dat het gezin van de verzoekende partijen niet wordt gesplitst, vermits voor beiden een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen; dat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet op zichzelf geen schending van artikel 8 van het E.V.R.M. inhoudt, noch het loutere feit dat de verzoekende partijen geen woning in het land van herkomst zouden hebben; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  9. XIV-20.109-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf augustus tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.109-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.820 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.