id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.824 Rolnummer: A. 133384/XIV-13937 Zaak: Arrest 161824 - - 11/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 02:05 Fiche Arrest nr 161.824 van 11 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.824 van 11 augustus 2006 in de zaak A. 133.384/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. LIPS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 148 bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 25 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-13.937-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-P. LIPS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 december 2002 en zich vluchteling verklaart op 10 december 2002; dat op 21 januari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat op 28 januari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de tweede bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "U, een Armeens staatsburger, verklaart dat uw problemen zijn begonnen naar aanleiding van de zelfdoding van uw zus Ani (op 22 mei 1995), die Jehova’s getuige was. Gezien u uw zus Ani in het verleden onder druk had gezet om niet langer haar geloof te beleven noch te verkondigen, werd u door uw familie en omgeving als verantwoordelijk voor haar dood beschouwd. De partner van uw zus Ani en de geloofsgemeenschap van de getuigen van Jehova dienden tegen u een klacht in bij de politie. Hierdoor werd u meermaals door de politie opgeroepen, opgesloten, ondervraagd en zelfs geslagen. Het onderzoek met betrekking tot het overlijden van uw zus Ani is nog lopende. Volgens uw verklaringen verdacht de politie u sedertdien van elke misdaad die in uw omgeving plaatsvond. De verloofde van uw zus Ani bedreigde u. Omwille van deze omstandigheden ondervond u psychologische problemen. In 1999 voerde u propaganda voor uw neef K., die burgemeester is van A. en u beschermde. Naar aanleiding van deze campagne werd uw kiosk gecontroleerd door de belastingsinspectie. Uw goederen werden vervolgens in beslag genomen en er werd u een boete opgelegd, die u weigerde te betalen. In 2001 ontmoette u een vrouw waarmee u wenste te huwen. Uw vader heeft uw toekomstige vrouw op de hoogte gebracht van uw psychologische problemen, waardoor u uw plannen niet kon realiseren. In september 2001 werd u, na een nachtelijke uitstap met een vriend, door de politie opgepakt op verdenking van diefstal. Uw neef K. regelde uw vrijlating. Volgens uw verklaringen besloot u in 2002 dat leven in Armenië voor u, gezien het overlijden van uw zus Ani, niet meer mogelijk was. In mei 2002 heeft u 2000 dollar van uw vader gestolen. Hierna vluchtte u naar de Russische Federatie. Later vernam u dat uw vader een klacht tegen u had ingediend omwille van de gelddiefstal, door u gepleegd. Gezien u illegaal verbleef in de Russische Federatie en gezien het heersende racisme in de Russische Federatie besloot u naar België te reizen. Op 9 december 2002 bent u in België aangekomen, waar u de volgende dag uw asielaanvraag indiende. U bent in het bezit van een geboorteakte, een geboorteakte van uw zus en van documenten betreffende de belastingsinspectie. Aangezien u een staatsburger bent van Armenië, moet uw asielaanvraag ten opzichte van Armenie worden beoordeeld. De problemen in de Russische Federatie die u aanhaalt ter staving van uw asielaanvraag (illegaal verblijf en racisme), kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien, zoals eerder vermeld, u een staatsburger van Armenië bent. Er dient vervolgens te worden opgemerkt dat nergens uit uw verklaringen blijkt dat u, in Armenië, persoonlijk geviseerd werd omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. U verklaarde dat u bedreigd werd door de partner van uw overleden zus, geviseerd werd door de politie en verstoten werd door uw familie en kennissen. Door voorgenoemden werd u verantwoordelijk gesteld voor de dood van uw zus Ani. Verder riskeerde u in Armenië een veroordeling en arrestatie naar aanleiding van een diefstal die u pleegde en een boete die u weigerde te betalen. U ondervond ten slotte psychologische problemen (Dienst Vreemdelingenzaken p.13-15). Deze door u aangehaalde feiten getuigen niet van een vervolging omwille van ras, nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging XIV-13.937-2/6 of het feit dat u zou behoren tot een bepaalde sociale groep. Uw problemen zijn van gemeenrechtelijke aard en vallen als dusdanig buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Er zijn ten slotte geen elementen aanwezig die erop zouden wijzen dat u omwille van redenen voorzien in de Conventie van Genève geen eerlijke behandeling bij de bevoegde autoriteiten zou hebben gekregen. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van u geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door u neergelegde documenten (een geboorteakte, een geboorteakte van uw zus en van documenten betreffende de belastingsinspectie) kunnen de hiervoor vermelde conclusie niet in een ander daglicht plaatsen. Ik meen dat u niet dient te worden gehoord aangezien uit uw verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en uit de verklaringen in uw dringend beroep voldoende blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is.”,
- Overwegende dat tegen de eerste bestreden beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat, met name het beroep bij de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partij dit dringend beroep trouwens heeft ingesteld, hetgeen tot de tweede bestreden beslissing heeft geleid; dat de commissaris-generaal krachtens de devolutieve werking van dat beroep de asielaanvraag ab initio en in haar geheel onderzocht; dat de vordering niet-ontvankelijk is in de mate dat zij tegen de eerste bestreden beslissing is gericht; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “A. Machtsoverschrijding en schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti Doordat de beslissing van het Commissariaat-Generaal steunt op artikel 52, § 1, 4' van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (de ‘Vreemdelingenwet’) zonder het verhaal van Verzoeker na te gaan, is zij zonder rechtsgrond genomen. Terwijl artikel 52, § 1, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de Minister of diens gemachtigde de rechtsgrond verschaft, om te beslissen dat de toegang tot het grondgebied wordt geweigerd indien de kandidaat-vluchteling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft en dit verlaten heeft zonder vrees in de zin van artikel 1, A
(2)van de Conventie van Genève d. d. 28 juli 19 51, is dezelfde bevoegdheid niet aan het Commissariaat-Generaal gegeven. Het Commissariaat-Generaal dient te onderzoeken of de kandidaat-vluchteling al of niet aan de criteria van de Conventie van Genève voldoet, en indien de kandidaatvluchteling voldoet hem de nodige documenten te verschaffen die zijn verblijf als erkende vluchteling mogelijk maken. Om haar taak naar behoren te kunnen vervullen, dient zij in casu dan ook door middel van een interview na te gaan of Verzoeker al of niet aan de criteria voor erkenning als vluchteling voldoet. Het interview is noodzakelijk, zeker nu het Commissariaat-Generaal niet betwist dat Verzoeker psychische problemen heeft ten gevolgen van de zelfmoord van de zus van Verzoeker. Ook de Dienst Vreemdelingenzaken erkent dat toen Verzoeker zijn asiel aanvroeg hij een verwart verhaal vertelde. Het handboek van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties: Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 195lconvention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, Genève, 1992, 48(het ‘UNHCR-Handboek’), voorziet in een medisch onderzoek ten einde na te gaan welke aangepaste ondervragingsmethode zij had moeten hanteren om Verzoeker waarvan zij de psychische problemen niet betwist, te ondervragen. Het UNHCR-Handboek geeft richtlijnen over hoe asielzoekers met mentale problemen (o.a. geheugenproblemen) moeten worden onderzocht en ondervraagd (UNHCRHandboek, paragrafen 206 en volgende). Nergens uit het dossier blijkt dat het Commissariaat-Generaal deze richtlijnen heeft gevolgd. Het UNHCR-Handboek als richtlijn uitgevaardigd door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties als controle-authoriteit, heeft ten minste een XIV-13.937-3/6 gezaghebbend karakter ten opzichte van het Commissariaat-Generaal (artikel 35
(1)van de Conventie van Genève) Zodat het individuele karakter van het verhaal en belang van Verzoeker worden miskend, en de verantwoordingen van de beslissing van het Commissariaat-Generaal geen motivering uitmaken (schending van art. 62, al. 1 Vreemdelingenwet juncto art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen) en schending van het beginsel patere leqem quam ipse fecisti waardoor het Commissariaat-Generaal wordt gebonden (schending van het beginsel van behoorlijk bestuur). De verplichte terugkeer stelt Verzoeker opnieuw bloot aan de sub par. 11 vermelde feitelijkheden en brengt Verzoeker daarom een ernstig en onherstelbaar nadeel toe. B. Toelichting De middelen zijn gegrond.”; 3.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de tweede bestereden beslissing kunnen worden gelezen en er concreet in zijn uitgewerkt, met name een gebrek aan elementen die wijzen op vervolging of een oneerlijke behandeling door de overheid in het land van herkomst omwille van één van de criteria uit de Vluchtelingenconventie van Genève; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing niet is gesteund op artikel 52, §1, 4/, van de Vreemdelingenwet, doch op artikel 52, §2, 2/, van de Vreemdelingenwet, waarin naar artikel 52, §1, 2/, b) van die wet wordt verwezen; dat de verwijzing door de verzoekende partij naar artikel 52, §1, 4/, van de Vreemdelingenwet derhalve niet dienend is; Overwegende dat de bestreden beslissing vermeldt dat de problemen van de verzoekende partij van gemeenrechtelijke aard zijn en als dusdanig niet vallen onder de toepassing van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat de verzoekende partij nalaat dit motief te weerleggen, alhoewel het de bestreden beslissing kan dragen; dat zij niet verder komt dan te stellen dat zij met mentale problemen zou hebben, doch ter staving daarvan geen enkel begin van bewijs voorlegt of heeft voorgelegd; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; XIV-13.937-4/6 Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de hoorplicht opwerpt, dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal tot weigering van verblijf niet als zulke maatregel kan worden gezien; dat dergelijke beslissing niet is gestoeld op het persoonlijke gedrag van de kandidaat-vluchteling zoals begrepen in het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur, maar op de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat derhalve niet voldaan is aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor de toepassing van de hoorplicht; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij door de dienst Vreemdelingenzaken werd gehoord; dat ze haar standpunt in haar dringend beroep had kunnen uiteenzetten; dat geen enkele bepaling of beginsel er de verwerende partij toe verplicht om zelf een interview te organiseren wanneer zij zulks niet nodig acht; dat de verwijzingen naar de Proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigd Naties niet dienend zijn, vermits deze geen afdwingbare rechtsregels naar Belgisch recht bevat; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.937-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf augustus tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.937-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.824 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div