← België

Arrest 161831 - - 11/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.831 Rolnummer: A. 175574/XIV-26362 Zaak: Arrest 161831 - - 11/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 02:06 Fiche Arrest nr 161.831 van 11 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 161.831 van 11 augustus 2006 in de zaak A. 175.574/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 4 augustus 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 2006 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 augustus 2006 om het grondgebied te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 augustus 2006; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 11 augustus 2006 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-26.362-1/9 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, artikel 8, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het volgende bepaalt: “Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn teruggebracht, de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing duidelijk moet worden aangetoond, dit wil zeggen dat ze klaarblijkelijk, en op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; dat om te voldoen aan die voorwaarde, feiten en gegevens moeten worden aangebracht die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk bevolen moet worden; dat de verzoekende partij dienvolgens de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat de verzoekende partij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij aanvoert dat: “Uiterst dringende noodzakelijkheid XIV-26.362-2/9 Verzoeker stelt dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van het aangevoerde ernstig nadeel niet op doeltreffende wijze zal kunnen. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gevorderd omwille van de volgende redenen: Verzoeker werkt sedert 2004 bij dezelfde werkgever. De bestreden beslissing ontneemt hem het recht op een werkvergunning en bijgevolg zal verzoeker niet meer kunnen werken. De vorige schorsingsprocedure heeft 10 maanden geduurd (verzoekschrift dateerde van 18 juli en het arrest van 23 april 2003). Verzoeker had geen recht op een uitkering noch op een werkvergunning tijdens deze procedure. De bestreden beslissing plaatst verzoeker opnieuw in deze situatie. Verzoeker verliest opnieuw zijn arbeidsbetrekking die hij met moeite had gevonden gelet de huidige stand van de arbeidsmarkt. Het ontnemen van de deze arbeidsbetrekking door het nemen van de bestreden beslissing kan niet worden hersteld door een gewone schorsing. De werkgever zal immers de opengevallen betrekking zo snel mogelijk opvullen door een andere arbeiders zodat het verlies van de arbeidsbetrékking definitief en niet herstelbaar zal zijn. Moeilijk kan verwacht worden van de werkgever dat hij gedurende tien maanden de betrekking openhoudt voor verzoeker. Dat de Raad van State bij het verlies van arbeidsbetrekking reeds geoordeeld heeft dat er sprake kan zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid: Verzoeker verwijst naar volgende arresten: Arrest van 6.11.2002 (nr. 112.309): De procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet worden geweigerd wanneer de omstreden handeling onmiddellijk uitwerking heeft. Een nadeel is niet volledig geleden alleen door het feit dat de handeling waardoor het wordt berokkend, is begonnen uitwerking te hebben. De voortzetting ervan in de tijd is ook een bestanddeel van het nadeel. Aangezien de ambtenaar volgens de medische attesten geschikt is om de uitoefening van zijn hoger ambt te hervatten, is de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid de enige die de ambtenaar een kans kan geven om de uitoefening ervan te hervatten vanaf het einde van zijn ziekteverlof R.v.St. (8e k.) nr. 112.309, 6 november 2002, A.P.M. 2002 (samenvatting), afl. 10,
  2. Arrest van 7.10.2002 (nr. 111.085): Rekening houdend met de aard van het aangevoerde ernstige nadeel en onder voorbehoud van het onderzoek van de werkelijkheid ervan, vormt de verwijdering van een ambtenaar uit zijn dienst in het kader van een tuchtstraf een ernstige maatregel waarvan de gevolgen zich niet beperken tot de dag waarop tot deze maatregel wordt besloten maar blijven voortbestaan en dermate erger worden met de tijd dat zij na verloop van een bepaalde termijn onherstelbaar worden. Aangezien in het onderhavige geval niet kan worden voorzien op welke datum de omstreden maatregel niet langer uitwerking zal hebben, is het beroep op de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid niet onverantwoord. R.v.St. (8e k.) nr. 111.085, 7 oktober 2002, A.P.M. 2002 (samenvatting), afl. 8-9,
  3. Arrest van 4 mei 1998 (nr. 73.388) De beslissing om een ambtenaar te ontheffen uit zijn functie van directeur van een medisch- pedagogisch instituut berokkent hem morele schade en tast ook zijn reputatie aan gelet op ernstige verwijten betreffende zijn beroepsbekwaamheid, en de nog meer ernstige insinuaties in verband met zijn houding tegenover de jongeren die hem waren toevertrouwd. Dit nadeel wordt nog groter door de hardnekkigheid van de R.V.A. om haar beslissing te handhaven ondanks een vernietigingsarrest dat klaarblijkelijk tot niets leidt en de reeds geleden en nog te lijden morele schade in geen enkel opzicht herstelt. De hoogdringendheid is aangetoond wanneer een ambtenaar verzocht wordt om zijn oude functies terug te hervatten 17 dagen na het versturen van het verzoek om dat te doen. De verzoeker die zijn beroep bij hoogdringendheid 11 dagen na het versturen van deze beslissing indient, is niet nalatig. R.v.St. (3e k.) nr. 73.388, 4 mei 1998, A.P.M. 1998 (samenvatting),
  4. De bestreden beslissing heeft niet alleen ernstige gevolgen voor verzoeker zelf doch ook voor zijn werkgever die van de ene op de andere dag geconfronteerd wordt met een opengevallen betrekking die hij zal moeten opvullen door een derde die opnieuw de gebruiken en praktijk van het werk van verzoeker zal moeten aanleren wat ongetwijfeld. Het rechtsverkeer wordt derhalve ernstig verstoord door de bestreden beslissing. Een gewone schorsingsprocedure ten aanzien van de bestreden beslissing zal in elk geval te laat komen om de voornoemde schade te voorkomen. Verzoeker wenst daarenboven te stellen dat de striktheid die de Raad van State toepast bij het beoordelen van de uiterst dringende noodzakelijkheid eveneens in verhouding staat met de wijze waarop de rechten van verdediging van de tegenpartij worden geschonden. In casu is er reeds een procedure schorsing en nietigverklaring gevoerd tegen een quasi identieke beslissing. De tegenpartij heeft tijdens deze procedure voldoende tijd en waarborgen gehad om het dossier in detail te bestuderen. Huidige procedure is de facto een herhaling van deze procedure waarbij door verzoeker dezelfde argumenten worden aangevoerd. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt eveneens gevorderd daar aan verzoeker een bevel werd betekend om het grondgebied te verlaten. XIV-26.362-3/9 Verzoeker wenst niet de gevolgen te ondergaan van een klaarblijkelijk opnieuw manifest onterechte weigeringsbeslissing van de Minister. Verzoeker stelt dat aan de voorwaarden voor de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop repliceert als volgt: “B. Er is geen uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering wordt ingeleid met uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 8 § 1 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dient in geval van vordering tot schorsing met uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting van de feiten worden weergegeven die de uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden. Het door verzoeker ingediende verzoekschrift bevat niet de feiten die worden bedoeld door de wet. ‘De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid beperkt de rechten van de verwerende en tussenkomende partijen alsook de onderzoeksmogelijkheden van de Raad tot het minimum. De verzoeker dient dan ook duidelijkfeiten en gegevens aan te brengen die het direct aannemelijk maken dat de schorsing van de bestreden beslissing onmiddellijk dient te worden bevolen’. ( De procedure voor de Raad van State - Stephan De Taeye - Klaus Van Houtte met voetnoot verwijzing naar rechtspraak) Dat standpunt werd bevestigd in de rechtspraak, met als gevolg dat in de daarop volgende uitgave van ‘Procedures voor de Raad van State’, Stephan De Taeye en Werner Weymeersch, omtrent het instellen van een vordering met uiterst dringende noodzakelijkheid, het volgende vermelden: ( nrs 261 en 262) ‘De toepassing van de procedure wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort op een ernstige manier het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad Bovendien worden de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang gebracht. Zij dwingt de Raad van State er ook toe, onverwijld, een definitieve uitspraak over de schorsingsvordering te doen, wat onmiskenbaar inhoudt dat de Raad slechts een zeer beperkt onderzoek kan wijden aan de rechtsvragen die worden aangevoerd Die verstoring van de normale rechtsstrijd en het zoeken naar evenwicht tussen de mogelijkheden die aan de partijen in het geding ter beschikking staan, heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts ontvankelijk is in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak o el voor iedereen duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij duidelijk wordt aangetoond aan de hand van precieze en concrete gegevens. (RvS, nr. 75.555, 6 augustus 1998, Portier, C. D. P. K 1998, n'4, p. 5 76 (verkort)’ ‘Het gegeven dat het nadeel of het risico van dit nadeel langer blijft voortbestaan wanneer de gewone schorsingsprocedure wordt gevolgd, is op zich nog geen reden om te besluiten dat (Ie uiterst dringende noodzakelijkheid aanwezig is. Daar anders over oordelen zou, volgens de Raad, betekenen dat alle schorsingsprocedures volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zouden kunnen behandeld worden, wat de negatie zelve van de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en van het zeer uitzonderlijk karakter van die schorsingsprocedure zou betekenen.‘ (zelfde arrest als hierboven) Verzoeker toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. De verwerende partij laat gelden dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat tot op heden nog geen datum van terugleiding werd voorzien. Desbetreffend kan worden verwezen naar het arrest nr. 141.510 van 2 maart 2005 van de Verenigde Kamers van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat: ', ... que la seule crainte que l'exécution de la décision attaquée pourrait survenir à tout moment n'autorise pas à tenir pour établi qu'une suspension de l'exécution de celle-ci selon la procédure ordinaire surviendra après l'éloignement effectif du requérant;’. Verwerende partij besluit dan ook dat verzoeker het op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de gewone schorsingsprocedure laattijdig zou tussenkomen. In zoverre verzoeker het heeft over zijn tewerkstelling merkt de verwerende partij op dat een dergelijke overweging niet kan volstaan om de uitzonderlijke procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. De verwerende partij verwijst desbetreffend uitdrukkelijk naar hogervermeld arrest dd. 06.08.1998 en in het bijzonder naar de onderstreepte onderdelen daarvan. Verzoeker tracht in casu inderdaad aan te tonen dat de procedure hoogdringend is, omdat anders zijn nadeel langer zou blijven voortbestaan. Indien een dergelijke redenering zou worden aangenomen, wordt het beginsel van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid naar het oordeel van de verwerende partij ondermijnd. XIV-26.362-4/9 De rechtspraak waarnaar verzoeker vervolgens verwijst heeft betrekking op dossiers met compleet andere feitelijke gegevens, met name handelt deze rechtspraak over situaties waarin het Raad van State-beroep specifiek gericht is tegen administratieve beslissingen die aan een ambtenaar zijn tewerkstelling of positie ontnemen. Overigens betreffen de door verzoeker geciteerde stukken uit de arresten van Uw Raad telkens een oordeel over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat erin bestaat de tewerkstelling te verliezen, en niet over de hoogdringendheid. De door verzoeker aangehaalde rechtspraak kan dan ook hoegenaamd niet naar analogie op onderhavige casus worden toegepast. Verzoeker houdt tot slot voor dat de bestreden beslissing ook zijn werkgever en het rechtsverkeer' zal schaden, nu de werkgever een nieuwe arbeider zal moeten zoeken ei] nu niet van deze kan worden verwacht dat hij verzoekers betrekking zou vrijhouden tot wanneer de bestreden beslissing zal worden geschorst, quod non. De verwerende partij merkt op dat verzoeker zich beperkt tot algemene en ongestaafde beschouwingen die niet kunnen volstaan als dat concrete gegevens zouden aangevoerd worden ter ondersteuning van de voorgehouden hoogdringendheid. Daarenboven kan de 'schade' die verzoekers werkgever zou leiden geenszins van aard zijn dat daarom de toestand van verzoeker zelf uiterst hoogdringend dient te worden beoordeeld. De vordering met uiterst dringende noodzakelijkheid die een uitzonderlijke procedure vertegenwoordigt kan slechts worden toegelaten voor zover er sluitende argumenten worden aangehaald om ze te verantwoorden. De vordering is niet ontvankelijk bij gebrek aan hoogdringendheid.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen op 1 augustus 2006 aan de verzoekende partij werden betekend; dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op 4 augustus 2006 werd ingediend; dat de verzoekende partij kan worden geacht diligent en alert te hebben gereageerd; Overwegende dat de door de verzoekende partij aangevoerde elementen veeleer betrekking hebben op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, en in concreto geen afdoende gegevens of overtuigende argumenten bevatten ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid; dat de verzoekende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure in casu te laat zou komen, temeer daar vooralsnog geen uitvoeringsmaatregel lastens de verzoekende partij in het vooruitzicht is gesteld; dat waar in de tweede bestreden beslissing, met name het bevel om het grondgebied te verlaten, wordt gestipuleerd dat het bevel wordt gegeven om uiterlijk op 16 augustus 2006 het grondgebied van België te verlaten, betreffende bepaling, geen uitvoeringsmaatregel zijnde, geen afbreuk doet aan voorafgaande vaststelling; dat de verzoekende partij verzuimt aan te tonen dat tegen haar een dwangmaatregel is uitgevaardigd met het oog op haar repatriëring; dat de loutere vrees dat de bestreden beslissingen op ieder ogenblik kunnen worden uitgevoerd niet meebrengt dat over een schorsing van het bevel om het grondgebied te verlaten niet tijdig volgens de gewone procedure uitspraak kan worden gedaan; dat hieruit volgt dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, artikel 3, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen XIV-26.362-5/9 bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo dient te worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij tengevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat hij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat hij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij aanvoert dat: “IV Moeilijk te herstellen ernstig nadeel in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing Verzoeker heeft geen enkel belang meer in Kosovo. Hij is meer dan 7 jaar in België, spreekt perfect nederlands en werkt (zie stukken). Hij heeft hier diverse familieleden ondermeer de tolk die hem terzitting bijstond (A. M.) en diens ganse familie (echtgenote, zussen, broers, ouders...), en ook F. M.. H-ij heeft ook een uitgebreide kennissenkring onder Belgen. Verzoeker wenst ook de rechtsgang in België te kunnen opvolgen. Verzoeker stelt dat hij getraumatiseerd is door wat hij in Kosovo heeft meegemaakt en hiervan nog geregeld nachtmerries heeft. Hij is effectief zeer bevreesd voor terugkeer naar Kosovo. Hij stelt volledig geïntegreerd te zijn in het sociaal-economisch weefsel van België en de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissingen zou deze bindingen ongedaan maken. Het moeilijk te herstellen nadeel is verder gelegen in het feit dat de niet schorsing van de beslissing ertoe zou leiden dat de tewerkstelling van verzoeker onderbroken wordt en de facto zijn tewerkstelling zou verliezen, dat bij het land zou moeten verlaten, de verworvenheden die hij heeft opgebouwd gedurende zijn 7 jarig verblijf in België ernstig zouden gehypothekeerd worden, de familiebanden en banden met zijn talrijke vrienden in België zou verliezen, dat deze alleszins zouden verzwakken. Gezien de manifeste willekeur in de beslissing met name gelegen in de negatie van vroegere beslissingen van de Raad van State en negatie van de argumenten ontwikkeld lijdt verzoeker ook een ernstige inbreuk op zijn rechtsbescherming (recht van verdediging, recht op eerlijke toepassing van de regularisatiewet .... ) en een belangrijk moreel nadeel. Ook dit betreffen moeilijk te herstellen ernstige nadelen, die dus enkel kunnen vermeden worden door de schorsing van de bestreden beslissing. Verzoeker wenst bovendien de procedure bij de Raad van State van nabij te kunnen opvolgen.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop repliceert als volgt: “C. Er is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond. XIV-26.362-6/9 Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Tot staving van het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert verzoeker aan dat: hij geïntegreerd is, Nederlands spreekt en veel familie en kennissen heeft in het Rijk; hij de rechtsgang in België wenst te kunnen opvolgen; hij getraumatiseerd is door wat hij in Kosovo heeft meegemaakt en zeer bevreesd is voor een terugkeer naar Kosovo; hij zijn tewerkstelling zou verliezen en doordat hij het land moet verlaten, de 'verworvenheden' die hij heeft opgebouwd gedurende zijn verblijf in België ernstig zouden gehypothekeerd worden en dat de banden met zijn familie en vrienden in België zouden verzwakken; hij een ernstige inbreuk op zijn rechtsbescherming ‘recht van verdediging, recht op eerlijke toepassing van de regularisatiewet... ‘ en een belangrijk moreel nadeel lijdt. Betreffende de door verzoeker ingeroepen integratie en het gegeven dat hij in het Rijk familie en kennissen heeft, met wie de 'banden zouden verzwakken', alsook dat zijn 'verworvenheden' in het Rijk zouden 'gehypothekeerd' worden; laat de verwerende partij gelden dat dergelijke vage en summiere beschouwingen geen concrete gegevens kunnen uitmaken tot staving van het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Daarenboven dient te worden opgemerkt dat niets verzoeker verhindert om in de toekomst terug te keren naar het Belgisch grondgebied, nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst en een regelmatig verblijf in het Rijk. Waar verzoeker verder stelt dat hij de procedure bij de Raad van State van nabij wenst op te volgen, merkt de verwerende partij op dat het haar niet duidelijk is in welke mate zulks een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, terwijl verzoeker dienaangaand evenmin enige toelichting verschaft. Verzoekers aanwezigheid op Belgisch grondgebied is geenszins noodzakelijk om zijn middelen te kunnen laten gelden en zijn verdediging te kunnen waarnemen (cf. R.v.St. nr. 40.562, 1.10.
  5. Arr. R. v.St. 1992, z.p.). Immers wordt aan verzoeker geen enkel rechtsmiddel ontzegd en daarenboven kan verzoeker ten allen tijde contact houden met zijn advocaat om het verder verloop van de procedure te kunnen opvolgen. Niet in het minst dient tevens te worden opgemerkt dat de procedure voor de Raad van State een schriftelijke procedure is, zodat de vraag moet worden gesteld welk verschil in `opvolging van de procedure' er is indien verzoeker wel dan niet in het Rijk verblijft. Gelet op het voorgaande kan er ook geen sprake zijn van het vermeende 'moreel nadeel'. Niet alleen valt niet in te zien - en evenmin wordt dit door verzoeker gemotiveerd - in welke mate zijn recht op verdediging wordt geschonden, nu hij toegang krijgt tot de voorziene rechtsmiddelen, doch tevens is er geen sprake van dat door de verwerende partij geen 'eerlijke toepassing van de regularisatiewet' zou zijn gemaakt t.a.v. verzoeker. De verwerende partij verwijst daartoe naar haar repliek op verzoekers middelen en vestigt de aandacht op het onderscheid dat in artikel 17 §§1 en 2 van de wet dd. 12.01.1973) wordt gemaakt aangaande de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een verzoek tot schorsing in het kader van een administratief kort geding, en wel met name dat de voorwaarde van het aantonen van een ernstig middel duidelijk een andere voorwaarde is dan deze van het aantonen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingeval van uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Verzoekers beschouwingen hebben veeleer betrekking op de eerste voorwaarde vervat in art. 17 §2 voormeld - deze van het ernstig middel - en kunnen dan ook niet dienstig worden aangevoerd om voor te houden dat aan de tweede ontvankelijkheidsvoorwaarde wordt voldaan. Naar het oordeel van de verwerende partij is het beweerde 'moreel nadeel' overigens geenszins een moeilijk te herstellen nadeel, en verzoeker toont het tegendeel niet aan. Desbetreffend kan ook worden verwezen naar het arrest nr. 135.847 dd. 08.10.2004 van Uw Raad, waarin geoordeeld wordt dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing -quod non - genoegdoening kan verschaffen en dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het in casu anders zou zijn; dat het aangevoerde moreel nadeel derhalve niet moeilijk te herstellen is. (zie bijlage 1) Vervolgens meent verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden nu zijn tewerkstelling wordt onderbroken en hij 'de facto' zijn tewerkstelling zal verliezen. De verwerende partij antwoordt hierop dat verzoeker vooreerst niet staaft zijn tewerkstelling niet te kunnen hervatten bij een eventuele terugkeer naar het Rijk, nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de passende documenten voor een regelmatige binnenkomst en een regelmatig verblijf in het Rijk. Daarenboven zet verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift niet uiteen welk nadeel hij meent te zullen ondervinden ingevolge het verlies van zijn tewerkstelling. In zoverre hij zou menen een financieel nadeel te zullen ondervinden, dient te worden opgemerkt dat zulks niet kan worden aangenomen als zijnde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekers vage en ongestaafde beschouwingen kunnen daaraan geen afbreuk doen. Tot slot voert verzoeker aan getraumatiseerd te zijn door wat hij in Kosovo heeft meegemaakt en zeer bevreesd te zijn voor een terugkeer naar Kosovo. XIV-26.362-7/9 De verwerende partij laat gelden dat de bestreden beslissingen enerzijds de weigering tot regularisatie van verzoeker inhouden en anderzijds een bevel om het grondgebied van België en van een aantal andere landen waarmee België een verdrag heeft gesloten - en die allen opgesomd staan in de bestreden beslissing - te verlaten, doch dat de bestreden beslissingen verzoeker geenszins verplichten terug te keren naar Kosovo. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient echter aan de uitvoering van de bestreden beslissing te kunnen worden toegeschreven (cf. bv. R.v.St. nr. 43.875 en 43.876, 27.8.1993, en R.v.St. nr. 42.133, 3.3.1993, R.A. CE 1993, z.p.), zodat verzoekers voorgehouden nadeel ook om die reden niet kan worden aangenomen. Verzoeker toont derhalve niet aan op basis van concrete gegevens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Om die redenen is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk.”; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij in 1999 België is binnengekomen en zich vluchteling heeft verklaart; dat bij beslissing van 7 september 1999 de minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat bij beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 april 2000 voormelde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken werd bevestigd, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij reeds het voorwerp uitmaakt van een haar op 5 april 2000 betekend bevel om het grondgebied te verlaten; dat voormeld bevel werd aangevochten voor de Raad van State; dat bij arrest nr. 98.346 van 17 augustus 2001 van de Voorzitter van de XIe Kamer van de Raad van State de afstand van geding werd vastgesteld; dat voormeld bevel dienvolgens definitief is, zodat het principieel uitvoerbaar is; dat de uitvoerbaarheid van dat bevel losstaat van de thans bestreden beslissingen; dat de verzoekende partij bijgevolg nog steeds kan gerepatrieerd worden, mocht de schorsing van tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissingen worden bevolen; dat het aangevoerde nadeel derhalve niet te wijten is aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen; dat de gevorderde schorsing bijgevolg geen nuttig effect kan hebben, aangezien deze niet van aard is het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel weg te nemen; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste en de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. XIV-26.362-8/9 De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. Ch. BAMPS. XIV-26.362-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.