id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.909 Rolnummer: A. 86566/X-9167 Zaak: Arrest 161909 - - 22/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 02:11 Fiche Arrest nr 161.909 van 22 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.909 van 22 augustus 2006 in de zaak A. 86.566/X-
- In zake :
- de vzw DE WIELEWAAL, thans de vzw NATUURPUNT STUDIE,
- de vzw STICHTING OMER WATTEZ, thans de vzw MILIEUFRONT OMER WATTEZ die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : de gemeente BRAKEL, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein
- tussenkomende partij : Piet CALLENS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LEGAT, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, A. Verdurmenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw DE WIELEWAAL en de vzw STICHTING OMER WATTEZ op 6 september 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 december 1998 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Brakel waarbij aan Piet CALLENS-DE PRINS de bouwvergunning wordt verleend voor het bouwen van een ééngezinswoning op een perceel gelegen te Brakel, Fayte, kadastraal bekend sectie A, nr. 1156 (lot 1); Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst op 16 december 1999 ingediend door Piet CALLENS; X-9167-1/8 Gelet op de beschikking van 22 december 1999 die de tussen- komst van Piet CALLENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 september 2004 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERMEIRE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. JONGBLOET die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat C. JOOS die loco Advocaat A. LEGAT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat het bestreden besluit dateert van 14 december 1998, dat uit het dossier blijkt dat verzoekende partijen reeds van bij de aanvang en zelfs voor de afgifte van de vergunning door de tussenkomst van hun raadsman belangstelling hebben vertoond voor de betwiste vergunning, dat het ondenkbaar is dat zij niet eerder dan op 9 juli 1999 kennis zouden hebben gehad van de vergunning, dat zij vanaf 17 juni 1999 de werken X-9167-2/8 moeten hebben kunnen vaststellen, dat de termijn van 60 dagen ruimschoots is overschreden; Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat het verzoekschrift houdende het beroep tot nietigverklaring gedagtekend is op 6 september 1999, dat de bewering van de verzoekende partijen dat zij pas op 9 juli 1999 kennis zouden hebben gehad van het bestaan van de bestreden vergunning ongeloofwaardig voorkomt, dat uit een proces-verbaal van de rijkswacht van Brakel blijkt dat de verzoekende partijen op 8 juli 1999 de bouwwerf hebben bezocht en er de aannemer hebben ontmoet, dat een klacht bij de rijkswacht is ingediend door de tweede verzoekende partij, welke ongetwijfeld dateert van vóór 8 juli 1999, dat men er redelijkerwijze van mag uitgaan dat de tweede verzoekende partij voorafgaand aan de klacht bij de gemeente Brakel heeft geïnformeerd naar het bestaan van de vereiste vergunningen; Overwegende dat de verzoekende partijen dupliceren dat een afgevaardigde van hun vereniging op 9 juli 1999 het bouwdossier is gaan inkijken nadat zij een telefonische melding hadden ontvangen over de begonnen bouw- werken op het weiland, dat het verzoekschrift tijdig is ingediend temeer er toen noch een aanplakking op het terrein, noch een andere vorm van kennisgeving van de bouwvergunning was, dat het verweer hypothetisch en onjuist is, dat de stelling dat "zelfs voor de afgifte van de vergunning beroepsters door tussenkomst van hun raadsman belangstelling hebben getoond voor de betwiste vergunning" onjuist is, dat het dossier voor het eerst op 9 juli 1999 werd ingezien door een medewerkend lid, dat het proces-verbaal niets zegt over de partij die klacht zou hebben ingediend, dat verzoekende partijen geen klacht hebben ingediend, dat zij de administratie wel hebben gecontacteerd en gevraagd hebben om iets te ondernemen om de natuur te beschermen, dat het verweermiddel van de tussenkomende partij onjuist is; Overwegende dat bouwvergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor een derde belanghebbende de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning; dat die dag is, hetzij de dag waarop hij een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning, door binnen een redelijke termijn gebruik te X-9167-3/8 maken van zijn inzagerecht; dat deze redelijke termijn ingaat de dag waarop de derde, aan de hand van wat hij kan vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, zich ervan rekenschap dient te geven dat krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor de uitvoering van die werken een bouwvergunning vereist is, en hij bijgevolg redelijkerwijze moet of kan veronderstellen dat een vergunning is afgegeven; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoeker kennis had of kon hebben van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, uit de stukken van het administratief dossier nergens blijkt dat verzoekende partijen eerder dan op 9 juli 1999 kennis zouden hebben gehad van de betwiste vergunning; dat uit de mededeling van het tijdstip van de aanvang der werken door de tussenkomende partij aan het college niet kan worden besloten dat de beroepstermijn van de verzoekende partijen kort na de aanvang van de werken, zijnde 17 juni 1999, zou zijn ingegaan; dat dit stuk geenszins aannemelijk maakt dat de verzoekende partijen effectief hebben kunnen vaststellen dat er op de litigieuze plaats bouwwerken werden uitgevoerd; dat uit het door de tussenkomende partij neergelegde proces-verbaal niet blijkt dat een klacht werd ingediend door de verzoekende partijen; dat het proces-verbaal niet aantoont dat verzoekende partijen reeds kennis hadden van de bestreden bouwvergunning; dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij in gebreke blijven enig concreet gegeven bij te brengen waaruit kan blijken dat verzoekende partijen zich vóór 9 juli 1999 rekenschap hadden dienen te geven van het feit dat de bouwvergunning was verleend; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende evenwel dat ambtshalve moet worden onderzocht of de verzoekende partijen van het rechtens vereiste belang doen blijken; Overwegende dat verenigingen zonder winstoogmerk krachtens de wet van 26 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, in rechte mogen optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht; dat inzonderheid de milieuverenigingen, krachtens de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken; dat milieuverenigingen ook voor de Raad van State in rechte kunnen optreden op voor- waarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de X-9167-4/8 voorwaarden die gelden voor alle andere natuurlijke personen en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid; Overwegende dat artikel 4, eerste lid, van de statuten van de tweede verzoekende partij, zoals die golden op het ogenblik van het instellen van het beroep, luidt als volgt: "De vereniging heeft tot doel : de bescherming, de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied"; Overwegende dat uit de statuten van de tweede verzoekende vereniging blijkt dat haar maatschappelijk doel o.m. bestaat in de bescherming van de menselijke leefomgeving, het landschap en de natuurlijke en cultuurhistorische waarden; dat die doelstelling, niettegenstaande de beperking ervan tot een bepaald werkgebied, een dermate algemene draagwijdte heeft dat, zo deze in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de verzoekende vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van die vereniging gelijkstaat met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft -even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking; Overwegende dat het terzake gaat om de afgifte van een bouwvergunning voor het oprichten van een ééngezinswoning op een perceel gelegen te Brakel, Fayte, kadastraal bekend sectie A, nr. 1156; dat het bestreden besluit aldus welbepaalde werken en handelingen betreft op een welbepaalde plaats; dat het niet gaat om een besluit met een algemene draagwijdte, even algemeen als de statutaire doelstellingen van de tweede verzoekende partij; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat de tweede verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang; X-9167-5/8 Overwegende dat het doel van de eerste verzoekende partij volgens artikel 4 van haar statuten erin bestaat: "a) de kennis van de natuur , in het bijzonder van de in het wild levende fauna en flora, te bevorderen; b) actief deel te nemen aan en stimuleren van het wetenschappelijk onderzoek naar fauna en flora; c) het behoud van natuurgebieden na te streven door het verwerven, aankopen, huren, oprichten en beheren van reservaten; d) de bescherming van landschappen, monumenten, stads- en dorps- gezichten na te streven. Bovendien kunnen wettelijke acties ondernomen worden tegen inbreuken op de wetgevingen inzake natuurbehoud, milieu en ruimtelijke ordening."; Overwegende dat ook de doelstellingen van de eerste verzoekende partij, met name het bevorderen van de kennis van de natuur, het actief deelnemen aan en stimuleren van het wetenschappelijk onderzoek naar fauna en flora, het nastreven van het behoud van natuurgebied door het verwerven, aankopen, huren, oprichten en beheren van reservaten en de bescherming van landschappen, monumenten, stads- en dorpsgezichten, een dermate algemene draagwijdte hebben dat, zo deze in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de verzoekende vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van die vereniging gelijkstaat met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft - even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking; dat zoals hiervóór vermeld, het bestreden besluit welbepaalde werken en handelingen betreft op een welbepaalde plaats; dat het niet gaat om een besluit met een algemene draagwijdte, even algemeen als de statutaire doelstellingen van de eerste verzoekende partij; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat ook de eerste verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang; Overwegende dat de eerste verzoekende partij zich ook nog beroept op haar hoedanigheid van eigenaar en beheerder van reservaten in het nabij gelegen Steenbergbos, dat zij stelt dat zij aldus ook een "patrimoniaal persoonlijk belang" heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing, dat zij bovendien stelt X-9167-6/8 dat de percelen langs het bos en de beek voor de fauna in de reservaten van groot belang zijn, o.m. omdat vogels en zoogdieren zeer mobiel zijn en zich gemakkelijk enkele kilometers verplaatsen en omdat een moeilijk toegankelijk perceel een goede buffer is voor het aanpalende bos; Overwegende dat de eerste verzoekende partij zich in beginsel kan beroepen op het specifieke belang dat zij heeft als eigenaar en beheerder van bepaalde reservaten, gelegen in de omgeving van het perceel waarop de bestreden vergunning betrekking heeft; dat zij evenwel niet op een voldoende concrete wijze aannemelijk maakt dat de fauna in die reservaten nadelige gevolgen kan ondervinden van het oprichten van de werken die door het bestreden besluit worden vergund; dat het belang van de eerste verzoekende partij in dit opzicht onvoldoende rechtstreeks is; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie verwijzen naar het Verdrag betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998; dat zij aanvoeren dat zij thans op grond van artikel 9, lid 2, van het verdrag geacht moeten worden een voldoende belang te hebben; Overwegende dat België het bedoelde verdrag bekrachtigd heeft op 21 januari 2003, zodat het met toepassing van artikel 20, lid 3, ten aanzien van België op 21 april 2003 in werking is getreden; dat de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing zijn op het voorliggende beroep, dat op 6 september 1999 is ingesteld; dat daargelaten of en in hoeverre het verdrag vanaf zijn inwerkingtreding gevolgen heeft ten aanzien van de uit de Belgische wetgeving voortvloeiende vereisten inzake de ontvankelijkheid van beroepen van milieuverenigingen bij de Raad van State, die gevolgen zich in elk geval niet uitstrekken tot beroepen die vóór de datum van inwerkingtreding zijn ingesteld; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie ook nog stellen dat aangezien noch de verwerende partij, noch de tussenkomende X-9167-7/8 partij het belang van de verzoekende partijen heeft betwist, er geen reden was om een ambtshalve onderzoek te voeren; Overwegende dat de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring, dat een objectief beroep is, van openbare orde zijn; dat desnoods ambtshalve dient te worden onderzocht of aan deze voorwaarden is voldaan; Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig augustus 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9167-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.