id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.910 Rolnummer: A. 132772/X-11287 Zaak: Arrest 161910 - - 22/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-18 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-01 02:12 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 161.910 van 22 augustus 2006 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.910 van 22 augustus 2006 in de zaak A. 132.772/X-11.287. In zake : Daniël VERBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VERBEKE op 7 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot een meergezinswoning op een perceel gelegen te Deinze (Gottem), aan de hoek van de Oude Heirbaan met de Ardense Jagersstraat, kadastraal bekend onder 6de afdeling sectie B, nr. 93 a4; Gelet op het arrest nr. 133.408 van 30 juni 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 12 juli 2004 ingediend door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; X-11.287-1/13 Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoeker eigenaar is van een eengezins- woning gelegen te Deinze (Gottem), op een perceel gelegen op de hoek van de Oude Heirbaan en de Ardense Jagersstraat, kadastraal gekend onder 6de afdeling, sectie B, nr. 93 a4; dat hij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 24 april 2001, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen en het uitbreiden van de genoemde eengezinswoning tot een meergezins- woning met vijf appartementen en garages; dat de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Deinze op 7 augustus 2001 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de verzoeker tegen die beslissing beroep heeft ingesteld; dat de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen bij besluit van 13 december 2001 de gevraagde vergunning heeft verleend, onder bepaalde voorwaarden; dat de gemachtigde ambtenaar tegen dit besluit beroep heeft ingesteld; dat de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening bij besluit van 22 november 2002 dit beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, en dienvolgens het besluit van de bestendige deputatie van 13 december 2001 vernietigt; dat het genoemde ministerieel besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; X-11.287-2/13 Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 133.408 van 30 juni 2004 de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft bevolen; 2. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, doordat het bestreden besluit werd genomen ingevolge het beroep dat de gemachtigde ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen op 15 januari 2002 instelde tegen het besluit van de Bestendigde Deputatie van de Provincie Oost- Vlaanderen d.d. 13 december 2001, houdende inwilliging van het beroep van de verzoeker en voorwaardelijke aflevering van de vergunning, en doordat bij het bestreden besluit het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep uitdrukkelijk ontvankelijk wordt verklaard, en doordat uit dit beroep van de gemachtigde ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen, waarvan de verzoeker bij brief d.d. 15 januari 2002 kopie toegestuurd kreeg, en uit de bij deze kopie gevoegde inventaris blijkt dat het beroep dat de gemachtigde ambtenaar voor de Provincie Oost-Vlaanderen bij de bevoegde minister instelde vergezeld was van 10 stukken, die niet waren gevoegd bij de kopie van het beroep zoals dit aan verzoeker werd genotificeerd, en waarvan bovendien het tiende stuk de verzoeker volstrekt onbekend is, terwijl artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, vereist dat de gemachtigde ambtenaar op straffe van onontvankelijkheid het beroep dat hij bij de Vlaamse regering instelt tegelijkertijd dient te notificeren aan de houder van de vergunning, en terwijl uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de notificatie van de kopie van dit beroep de notificatie behelst van het beroep met al zijn bijlagen, en dat de notificatie van deze bijlagen geldt als substantieel vormvoorschrift, zodat de niet-medebetekening aan de houder van de vergunning van de stukken die de gemachtigde ambtenaar in bijlage bij zijn beroep overmaakt aan de Vlaamse regering de onontvankelijkheid van dit beroep tot gevolg heeft (...), en terwijl, in de geest van de bedoelde rechtspraak, enkel dan door de niet-meezending der stukken gevoegd bij het door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering ingestelde beroep de behandeling op gelijke voet niet geschonden wordt, indien de houder van de vergunning uit de meegezonden inventaris kan opmaken welke stukken de gemeente of de gemachtigde ambtenaar bij zijn beroep heeft gevoegd, en hij tevens bij het beroep met inventaris ook de stukken X-11.287-3/13 ontvangt waarvan hij niet in het bezit is of hoort te zijn, zoals in casu het orthofotoplan, zodat de gemachtigde ambtenaar, door de kopie van het beroep dat hij bij de Vlaamse regering instelde niet tegelijkertijd met al zijn bijlagen te notificeren aan de verzoeker, en zelfs niet met de bijlagen die de verzoeker niet had of behoorde te hebben, de door artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, beoogde gelijkheid van procespartijen heeft geschonden, waardoor een substantieel vormvoorschrift werd geschonden, en de minister, door bij het bestreden besluit het beroep dat de gemachtigde ambtenaar instelde ontvankelijk te verklaren, de in het middel vermelde bepaling heeft geschonden; 2.1. Overwegende dat artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidt als volgt: "Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college"; Overwegende dat voormelde decreetsbepaling voorschrijft dat de gemachtigde ambtenaar het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager ter kennis brengt; dat hiermee bedoeld is het beroep zelf, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd -welke bepaling nadien is opgenomen als artikel 53 in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996- blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep "de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak", waarbij de genoemde partijen "op gelijke voet worden gesteld"; dat de gelijke behandeling van de partijen een onmisbaar vereiste is en dat dit betekent dat de aanvrager moet beschikken over het beroepschrift en de stukken waarover de minister beschikt; X-11.287-4/13 2.2. Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar met een op 15 januari 2002 ter post aangetekend schrijven bij de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoeker is ingewilligd; dat in dit beroepschrift is vermeld: "Hierbij voeg ik het bundel en de inventaris, genummerd van 1 tot en met 10"; dat de gemachtigde ambtenaar met een op dezelfde datum ter post aangetekend schrijven aan de verzoeker heeft meegedeeld beroep te hebben ingesteld tegen de genoemde beslissing van de bestendige deputatie; dat hij als bijlage bij dat schrijven een afschrift van zijn beroepschrift heeft gevoegd, met de inventaris van het bijgevoegde dossier; dat niet blijkt dat de tien stukken van het dossier ook bij het aan de verzoeker verzonden afschrift van het beroepschrift waren gevoegd; Overwegende dat de verweerder aanvoert dat het slechts gaat om de stukken van het administratieve dossier en dat die stukken alleen noodzakelijk zijn voor de behandeling ten gronde van het ingestelde beroep, doch verder voor de verzoeker geen enkel aanvullend essentieel gegeven bevatten, dat de verzoeker in zijn verzoekschrift zich ertoe beperkt aan te geven dat stuk 10 hem volstrekt onbekend is, en dat dit stuk 10 bestaat uit kopieën van plannen die de verzoeker op het gemeentehuis of bij de administratie kon inkijken; Overwegende dat noch de omstandigheid dat de aan de minister medegedeelde stukken niet essentieel zouden zijn, noch de omstandigheid dat de verzoeker de kans zou hebben om voorafgaand aan de hoorzitting en gedurende de hoorzitting dit dossier in te zien, tot gevolg hebben dat de verzoeker met betrekking tot de aanzegging van het beroep op gelijke voet is gesteld met de gemachtigde ambtenaar, zoals nochtans door de decreetgever is bedoeld; dat de gemachtigde ambtenaar zijn beroep met schending van de in voornoemd artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, vervatte substantiële pleegvorm heeft ingesteld; 2.3. Overwegende dat de verweerder voorts aanvoert dat de verzoeker geen belang meer heeft bij het middel; dat de verweerder in dit verband wijst op het feit dat artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, na het instellen van het voorliggende beroep is gewijzigd, met name bij het decreet van 21 november 2003; dat de verweerder X-11.287-5/13 aanvoert dat die wijziging tot gevolg heeft dat de minister, na een eventuele vernietiging van het thans bestreden besluit, een nieuwe beslissing zal moeten nemen, rekening houdend met de nieuwe bepalingen van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en dat hij dan hoe dan ook zal moeten beslissen dat de gemachtigde ambtenaar bij het instellen van zijn beroep geen vormvoorschrift heeft miskend; Overwegende dat bij artikel 67, 2/, van het decreet van 21 november 2003 in artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een tweede en een derde lid zijn ingevoegd, luidend als volgt: "De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State"; Overwegende dat het genoemde decreet van 21 november 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2004, en dat het nieuwe tweede en derde lid van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dienvolgens in werking zijn getreden op 8 februari 2004; dat, zonder dat de Raad van State zich te dezen moet uitspreken over de vraag of de minister, na een eventuele vernietiging van het thans bestreden besluit, het bij hem door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep op grond van de genoemde bepalingen al dan niet onontvankelijk zou mogen verklaren, de nieuwe bepalingen van artikel 53, § 2, tweede en derde lid, van het gecoördineerde decreet in elk geval niet tot gevolg hebben dat de minister dit beroep noodzakelijk ontvankelijk en gegrond zal moeten verklaren; dat de verzoeker integendeel de gelegenheid zal hebben om zijn standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid en de X-11.287-6/13 gegrondheid van het beroep uiteen te zetten, en dat de minister de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep aan een nieuwe beoordeling zal moeten onderwerpen; dat de verzoeker dus een belang behoudt bij het eerste middel; dat de exceptie van onontvankelijkheid van dat middel ongegrond is; 2.4. Overwegende dat de verweerder aanvoert dat artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in een dubbel opzicht strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dat hij de Raad van State verzoekt om in verband daarmee twee prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof; 2.4.1. Overwegende dat de verweerder een eerste prejudiciële vraag voorstelt, geformuleerd als volgt: "Schendt artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van toepassing vóór de wijziging bij decreet van 21 november 2003, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, doordat de aanvrager recht zou hebben op een afschrift van alle bijlagen van het administratief dossier, zelfs indien het administratief dossier door de gemachtigde ambtenaar los van het beroepschrift met een afzonderlijke omslag aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening zou worden overgemaakt, terwijl de aanvrager geen recht op een dergelijk afschrift (zou hebben) en de gemachtigde ambtenaar niet gehouden zou zijn een afschrift van dezelfde stukken van het administratief dossier aan de aanvrager over te maken ingeval het beroep uitgaat van de aanvrager of zelfs van het college van burgemeester en schepenen?"; Overwegende dat, zoals de verzoeker opmerkt, het Arbitragehof bij arrest nr. 101/2003 van 17 juli 2003 reeds ontkennend geantwoord heeft op een vergelijkbare vraag; dat het Hof in dat arrest immers voor recht gezegd heeft wat volgt: "Artikel 53, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 60 van het decreet van 26 april 2000, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat de gemachtigde ambtenaar die bij de Vlaamse Regering beroep instelt tegen de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning, bij de kennisgeving van zijn beroep aan de aanvrager van de vergunning de integrale tekst van het beroep met inbegrip van alle bijlagen aan die aanvrager moet bezorgen terwijl hij daartoe niet verplicht is wanneer het beroep uitgaat van de aanvrager zelf of van het college van burgemeester en schepenen"; Overwegende dat de wijziging van artikel 53, § 2, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 bij het decreet van 26 april 2000 X-11.287-7/13 betrekking heeft op het beroep dat wordt ingesteld door de aanvrager, en dat die wijziging geen wezenlijke invloed heeft op het door het Arbitragehof besproken verschil in behandeling; dat het enige nieuwe element in de thans door de verweerder gesuggereerde vraag bestaat in de verwijzing naar de hypothese dat de gemachtigde ambtenaar het administratief dossier met een afzonderlijke omslag aan de bevoegde Vlaamse minister overmaakt, los van het eigenlijke beroepschrift; dat die hypothese zich te dezen evenwel niet heeft voorgedaan, zodat het betrekken van die hypothese in de vraag niet relevant is voor het beslechten van het aan de Raad van State voorgelegde geschil; dat, voor het overige, de Raad van State, gelet op artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, er niet toe gehouden is het Arbitragehof te verzoeken om uitspraak te doen over een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan; Overwegende dat niet wordt ingegaan op het verzoek om de eerste vraag te stellen, en dat het desbetreffende grondwettigheidsbezwaar, in het licht van het genoemde arrest van het Arbitragehof, wordt verworpen; 2.4.2. Overwegende dat de verweerder een tweede prejudiciële vraag voorstelt, geformuleerd als volgt: "Schendt artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 21 november 2003, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, doordat de aanvrager, in zoverre dit uit de bepalingen van artikel 53, § 2, van het (gecoördineerde decreet) zou volgen, bij beroep van de gemachtigde ambtenaar recht zou hebben op een gelijktijdige mededeling van alle bijlagen, zonder onderscheid tussen de stukken die betrekking hebben op toelichtingen of motieven van het beroepschrift en derhalve dagtekenen van na de beslissing van de bestendige deputatie, waarin argumenten tegen deze beslissing worden verwoord of eruit zijn af te leiden, én de stukken van het administratief dossier, die duidelijk en uitsluitend voorafgaan aan de beslissing van de bestendige deputatie en derhalve aan de aanvrager bekend zijn, terwijl de aanvrager geen kennis ontvangt van dezelfde stukken of adviezen, zelfs niet daterend van na de beslissing van de bestendige deputatie, indien het beroep uitgaat van het college van burgemeester en schepenen of van de aanvrager zelf?"; Overwegende dat de prejudiciële vraag, zoals ze door de verweerder is geformuleerd, betrekking heeft op artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij het decreet van 21 november 2003; dat de betrokken decreetsbepalingen, in die versie, te dezen niet van toepassing zijn; dat de prejudiciële vraag, zoals ze geformuleerd is, dan ook niet relevant is voor de beoordeling van het X-11.287-8/13 middel; dat de prejudiciële vraag evenwel ook betrokken kan worden op artikel 53, § 2, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996, in de versie zoals dat artikel van toepassing was vóór de wijziging ervan bij het decreet van 21 november 2003; dat het dan ook aangewezen is om een in die zin geherformuleerde vraag aan het Arbitragehof voor te leggen; 3. Overwegende dat de verzoeker een tweede middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening in het bestreden besluit het beroep dat de gemachtigde ambtenaar voor de provincie Oost-Vlaanderen bij brief van 15 januari 2002 bij hem instelde, uitdrukkelijk ontvankelijk verklaart, terwijl dit beroep afkomstig is van een administratieve overheid en in hoofde van de verzoeker rechtsgevolgen teweegbracht, nu ingevolge dit beroep de vergunning die de verzoeker verkreeg door inwilliging van zijn beroep tegen het weigeringsbesluit van het College van burgemeester en schepenen van de stad Deinze d.d. 7 augustus 2001 bij besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost- Vlaanderen d.d. 13 december 2001, onuitvoerbaar werd opgeschort totdat de bevoegde minister over dit beroep uitspraak heeft gedaan, en terwijl dientengevolge het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar valt binnen het toepassingsveld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, die voor de overheidshandelingen die binnen het toepassingsgebied vallen de uitdrukkelijke motivering oplegt als substantiële vormvoorwaarde, en terwijl het beroep van de gemachtigde ambtenaar helemaal niet afdoende is gemotiveerd, nu in dit beroepschrift de gemachtigde ambtenaar ermee volstaat te signaleren dat hij zijn eerder in zijn advies aan het gemeentebestuur geformuleerd advies handhaaft (sic), zonder dat uit dit beroep ook maar op enige wijze kan worden opgemaakt dat de gemachtigde ambtenaar kennis zou hebben genomen van de inhoud van het besluit dat hij middels het ingestelde beroep bestrijdt, en meer specifiek van de zeer gedetailleerde omschrijving die dit besluit bevat aangaande de bouwplaats zelf en de in de onmiddellijke omgeving ervan bestaande ruimtelijke ordening en van de argumenten die uit deze zeer gedetailleerde omgevingsstudie worden geput om te stellen dat het ontwerp niet zal contrasteren met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening en ook de draagkracht van het perceel zelf niet zal overschrijden, X-11.287-9/13 en terwijl een uitdrukkelijke, afdoende en pertinente motivering, zoals in toepassing van de in het middel aangehaalde bepaling, vereist dat de rechtsonderhorige uit een beroep dat de ene overheid instelt tegen een besluit van een andere overheid precies kan opmaken met welke elementen van de beroepen beslissing de beroepende overheid het niet eens is, minstens welke precies de grieven zijn die de beroepende overheid tegen de beroepen beslissing koestert, zodat de bevoegde minister, door in het bestreden besluit het beroep van de gemachtigde ambtenaar uitdrukkelijk ontvankelijk te verklaren, daarbij voorbijgaand aan het feit dat dit beroep valt binnen het toepassingsveld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en dus aan het feit dat dit beroep, op straffe van schending van substantiële vormvoorschriften, uitdrukkelijk afdoende en pertinent gemotiveerd hoorde te zijn, en dus wegens zijn manifest onafdoende motivering onontvankelijk behoorde te worden verklaard, de in het middel aangehaalde bepaling heeft geschonden; Overwegende dat, krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de bestuurs- handelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat, krachtens artikel 1 van dezelfde wet, voor de toepassing van deze wet onder "bestuurshandeling" verstaan moet worden: de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur; Overwegende dat blijkens de wetsgeschiedenis de bestuurs- handeling enkel de handeling is die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechts- gevolgen, met andere woorden de handeling die gericht is op de wijziging van een bestaande rechtstoestand of die integendeel erop gericht is een wijziging in die rechtstoestand te beletten; dat de akte waarmee een gemachtigde ambtenaar beroep instelt tegen een besluit van de bestendige deputatie, met toepassing van artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, geen rechtsgevolg creëert of wijzigt voor een of meer bestuurden en aldus geen bestuurshandeling is in de zin van de wet van 29 juli 1991; Overwegende dat het middel, dat ervan uitgaat dat het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar een bestuurshandeling is in de zin van artikel 2 van de X-11.287-10/13 wet van 29 juli 1991, faalt naar recht; 4. Overwegende dat de verzoeker een derde middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 5, 1.0, en 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewest- plannen en gewestplannen, doordat het bestreden besluit de motivering waarop de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen zich steunde om te oordelen dat het ontworpen bouwwerk verenigbaar is met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening, met name de aanwezigheid van vergelijkbare bouwvolumes in de onmiddellijke omgeving, van de hand doet op basis van de stelling dat deze bouwvolumes niet van recente datum zouden zijn, terwijl artikel 5, 1.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen stelt dat in woongebied woningen vergunbaar zijn voor zover ze verenigbaar zijn met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening, zonder dat daarbij als voorwaarde wordt gesteld dat hierbij enkel met de recent ingeplante gebouwen rekening mag worden gehouden, en terwijl, waar de Raad van State zich in principe niet in de plaats mag stellen van de overheid bij de beoordeling van het effect van een ontworpen bouwwerk op de ruimtelijke ordening, met toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, deze onbevoegdheid wordt begrensd door de vaststelling dat de overheid zich bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening heeft gebaseerd op verkeerde feiten, deze feiten onjuist heeft geïnterpreteerd of op basis van de feiten in redelijkheid niet is kunnen komen tot het getroffen besluit, en terwijl (...) de overheid bij de beoordeling van de in de omgeving van het ontworpen bouwwerk bestaande ruimtelijke ordening geen abstractie (mag) maken van bestaande vergunde situaties, ook al bestempelt ze die als anomalieën, zodat de bevoegde minister, door bij de beoordeling van de in de onmiddellijke omgeving van de bouwplaats bestaande ruimtelijke ordening abstractie te maken van bepaalde relevante en vergunde gebouwen, onder het loutere voorwendsel dat deze niet recentelijk zouden zijn opgericht, de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden; Overwegende dat het bestreden besluit overweegt, in verband met de verenigbaarheid van de ontworpen constructie met de onmiddellijke omgeving: X-11.287-11/13 "Overwegende dat in de eerste plaats dient nagegaan of een project met de hierboven beschreven kenmerken inpasbaar is in en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat hieraangaande vooreerst dient opgemerkt dat deze bebouwing bestaat uit louter eengezinswoningen, bestaande uit maximaal een gelijkvloers en een verdieping, bedekt met een zadeldak; dat de realisatie in dergelijke omgeving van een meergezinswoning en een volwaardige dakverdieping in deze context reeds een contrast vormt; dat zowel de particulier als de bestendige deputatie gewag maken van enkel hogere gebouwen, maar dat hieromtrent dient opgemerkt dat deze een andere functie vervullen, niet in de onmiddellijke omgeving zijn gesitueerd en daarenboven niet recent werden opgericht; (...)"; Overwegende dat uit die overwegingen blijkt dat de vaststelling dat de hoge gebouwen niet recent werden opgericht, in aanmerking wordt genomen om te concluderen dat de ontworpen meergezinswoning een contrast vormt met de onmiddellijke omgeving; dat die laatste conclusie evenwel ook wordt gedragen door de vaststellingen dat de hoge gebouwen een andere functie vervullen en dat ze niet in de onmiddellijke omgeving zijn gesitueerd; dat die laatste vaststellingen een zelfstandige verantwoording kunnen bieden voor de genoemde conclusie; dat de verzoeker tegen die vaststellingen geen grief aanvoert; dat het middel, dat gericht is tegen ten overvloede gegeven redenen van het bestreden besluit, niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het middel bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel 1 De debatten worden heropend. Artikel 2 Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: Schendt artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de versie vóór de wijziging ervan bij het decreet van 21 november 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de aanvrager in geval van beroep van de gemachtigde ambtenaar recht heeft op een gelijktijdige mededeling van alle bijlagen, d.w.z. niet enkel de stukken die betrekking hebben op toelichtingen bij of motieven van het beroepschrift en die derhalve dagtekenen van na de beslissing van de bestendige deputatie, waarin argumenten X-11.287-12/13 tegen deze beslissing worden verwoord of waaruit zulke argumenten zijn af te leiden, maar ook de stukken van het administratief dossier, die duidelijk en uitsluitend voorafgaan aan de beslissing van de bestendige deputatie en derhalve aan de aanvrager bekend zijn, terwijl de aanvrager geen mededeling ontvangt van dezelfde stukken, zelfs niet van de stukken die dateren van na de beslissing van de bestendige deputatie, indien het beroep uitgaat van het college van burgemeester en schepenen of van de aanvrager zelf? Artikel 3 Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verdere onderzoek van de zaak, na ontvangst van het antwoord van het Arbitragehof. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig augustus 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.287-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.910 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.408 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.