id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.912 Rolnummer: A. 170093/X-12698 Zaak: Arrest 161912 - - 22/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-01 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 02:13 Fiche Arrest nr 161.912 van 22 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.912 van 22 augustus 2006 in de zaak A. 170.093/X-12.
- In zake : Marc VINDEVOGEL, die woonplaats kiest bij Advocaat F. CORYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Casinoplein 19 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc VINDEVOGEL op 10 februari 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 28 november 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van de beroepen van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Gavere en de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 13 mei 2004 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de voorwaardelijke vergunning is afgegeven voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning met betrekking tot een grond gelegen te Gavere, aan de Ouden Herreweg, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 704c, 705d en 706d en anderdeels, vernietiging van de beslissing van 13 mei 2004 van de bestendige deputatie; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 april 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 12 mei 2006; X-12.698-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. CORYN die verschijnt voor de verzoeker, en van Advocaat J. VAN LOMMEL die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoeker eigenaar is van een terrein gelegen aan de Ouden Herreweg te Asper (Gavere), kadastraal bekend onder Gavere, 6de afdeling, sectie A, nrs. 704 c, 705 d en 706 d; dat dit terrein deel uitmaakt van een verkaveling waarvoor op 31 maart 1964 een verkavelingsvergunning is verleend; dat die vergunning betrekking heeft op drie loten, waarvan twee bestemd voor het oprichten van vrijstaande woningen (loten 1 en 2) en één voor landbouw (lot 3); dat de verzoeker eigenaar is van lot 1, waarop zijn woning is opgericht, en van lot 3, dat thans gebruikt wordt als weiland; dat de verzoeker en mevrouw Jeannine Piens, eigenares van lot 2, een aanvraag hebben ingediend, ontvangen op 15 september 2003, strekkende tot het verkrijgen van een wijziging van de verkavelings-vergunning voor wat betreft lot 3 en een deel van lot 1; dat aldus een vergunning wordt gevraagd om de genoemde loten verder te verkavelen in negen loten, waarvan zes voor halfopen en drie voor open eengezinswoningen; dat tijdens het openbaar onderzoek vier identieke bezwaarschriften zijn ingediend; dat de gemeenteraad van de gemeente Gavere bij besluit van 24 november 2003 het stratentracé en de wegenis van het verkavelingsontwerp heeft goedgekeurd; dat de gemachtigde ambtenaar op 16 januari 2004 over de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning een voorwaardelijk gunstig advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Gavere bij besluit van 30 januari 2004 de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning heeft verleend, mits inachtneming van een aantal voorwaarden en met oplegging van een aantal lasten, waaronder de verplichte kosteloze afstand van de openbare wegen, de nutsvoorzieningen en de wegenisbedding en van de zone bestemd voor ontsluiting; dat de aanvragers tegen dit besluit beroep hebben ingesteld; dat de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen bij besluit van 13 mei 2004 het beroep gedeeltelijk heeft ingewilligd en dienvolgens de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning heeft verleend, X-12.698-2/7 mits inachtneming van een aantal voorwaarden en met oplegging van een aantal lasten, doch zonder de verplichting tot afstand van eigendom; dat de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen tegen dit besluit beroep hebben ingesteld; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 28 november 2005 oordeelt dat het voorgelegde ontwerp niet voor vergunning vatbaar is, en dienvolgens de beroepen inwilligt en het genoemde besluit van de bestendige deputatie vernietigt; dat dit ministerieel besluit van 28 november 2005 het voorwerp vormt van de voorliggende vordering;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verzoeker een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, uit de machtsoverschrijding en uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel "tantum devolutum quantum appellatum"; dat de verzoeker in essentie aanvoert dat de hogere beroepen van de gemachtigde ambtenaar en van het college van burgemeester en schepenen niet gericht waren tegen het verlenen van de wijziging van de verkavelingsvergunning op zich, maar enkel tegen het gedeelte van de beslissing van de bestendige deputatie in verband met de oplegging van lasten in de tweede fase, dat door de hogere beroepen de zaak derhalve niet in zijn geheel aanhangig is gemaakt bij de bevoegde minister en de minister dus geen uitspraak kon doen over de toekenning zelf van de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning, dat de minister niettemin over de hele aanvraag heeft geoordeeld, ook over aspecten waarvoor geen hoger beroep is ingesteld, dat de devolutieve werking van het administratief beroep te dezen niet meebracht dat de minister zich over het geheel van de vergunningsaanvraag mocht uitspreken, dat er te dezen geen sprake was van een onmogelijkheid om de beslissing inzake de kosteloze grondoverdracht af te splitsen van de beslissing over het verlenen van de wijziging van de verkavelingsvergunning, dat de minister, door over méér te oordelen dan waarvoor hij geadieerd was, zijn bevoegdheid te buiten gegaan is; X-12.698-3/7 Overwegende dat de bestendige deputatie, beslissend over het door de aanvragers ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen, de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning heeft verleend, mits naleving door de aanvragers van een aantal voorwaarden en met oplegging aan de aanvragers van bepaalde lasten; dat de bestendige deputatie i.v.m. de lasten voor de aanvragers geoordeeld heeft dat het opleggen van de onmiddellijke overdracht van de zone die wordt voorzien voor de latere ontsluiting van de aanpalende percelen in het binnengebied, samen met de wegenis en de nutsvoor-zieningen, geen invloed heeft op de goede plaatselijke aanleg en de goede ruimtelijke ordening "binnen de huidige voorgestelde verkavelingswijziging", en dat de overeenkomst tussen de aanvragers en de aanpalende eigenaars, bij een eventuele verdere ontwikkeling van het binnengebied, van burgerlijke aard is en geen stedenbouwkundig argument vormt; dat de bestendige deputatie de bedoelde verplichte overdracht dan ook heeft weggelaten uit de lasten die aan de aanvragers worden opgelegd; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar bij een op 10 juni 2004 ter post aangetekend schrijven beroep heeft ingesteld tegen die beslissing; dat dit schrijven geredigeerd is als volgt: "Op 13/05/2004 nam de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen in beroep een beslissing omtrent (de in de aanhef van de brief vermelde) aanvraag. Ik heb deze beslissing ontvangen op 18/05/
- Tegen die beslissing ga ik in beroep (overeenkomstig artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996), om volgende redenen: De overdracht (aan de gemeente) van het perceel grond bestemd voor latere ontsluiting (nu groenzone) is geen burgerlijke aangelegenheid maar wel degelijk een stedenbouwkundig aspect. Die last wordt best nu opgelegd om de ontsluiting van het resterend gebied zonder verdere problemen veilig te stellen"; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen bij een op 14 juni 2004 ter post aangetekend schrijven beroep heeft ingesteld tegen die beslissing; dat dit schrijven geredigeerd is als volgt: "Op 13/05/2004 nam de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen in beroep een beslissing omtrent (de in de aanhef van de brief vermelde) aanvraag (...). Wij hebben deze beslissing ontvangen op 18/05/
- Het College van burgemeester en schepenen gaat in beroep tegen deze beslissing overeenkomstig artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Motivatie X-12.698-4/7 Het College van burgemeester en schepenen gaat niet akkoord met de door de Bestendige Deputatie gewijzigde lasten. In haar besluit d.d. 13 mei 2004 werden enkel de lasten in 1e fase opgelegd, de lasten in 2e fase werden weggelaten. De lasten in 2e fase betreffen de gratis vrij en onbelaste overdracht van de vermelde openbare wegen, nutsvoorzieningen en de wegenisbedding alsook van de zone bestemd voor ontsluiting (art. 6 stedenbouwk. voorschriften) na definitieve aanvaarding van de wegeniswerken. Overeenkomstig art. 105, § 1, vierde lid, kunnen de lasten ook inhouden dat, wanneer de werken zijn begonnen, aan de overheid gratis, vrij en onbelast voor haar, de eigendom wordt overgedragen van de in de aanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen en de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd. De overdracht aan de gemeente van de aan te leggen infrastructuur, de wegenisbedding alsook van de zone bestemd voor ontsluiting (art. 6 stedenbouwk. voorschriften) na de definitieve aanvaarding van de werken is geen burgerlijke aangelegenheid en is wel degelijk van stedenbouwkundig belang. Door het niet overdragen van deze zone kan de verdere ontwikkeling van het resterend woongebied gehypothekeerd worden, o.a. door speculatieve doeleinden"; Overwegende dat uit beide beroepschriften lijkt te volgen dat, zo de appellanten hun grieven specifiek richtten op de beslissing inzake de lasten met betrekking tot de overdracht van de zone bestemd voor latere ontsluiting, zij hun beroep hebben ingesteld tegen de hele beslissing van de bestendige deputatie, zonder de omvang van hun beroep te beperken; dat ten gevolge van de devolutieve werking van de beroepen de aanvraag in haar geheel aanhangig lijkt te zijn gemaakt bij de minister; dat de minister dan ook binnen zijn bevoegdheid lijkt te zijn gebleven door te overwegen, na beslist te hebben dat de grieven van de appellanten in verband met de beslissing over de kosteloze grondafstand gegrond zijn, "dat de verkavelings- aanvraag ... niet alleen wat het gehekelde wegenisprobleem betreft, maar ook en vooral in zijn geheel dient bekeken te worden"; dat door de aanvraag vervolgens in haar geheel te beoordelen en te beslissen "dat huidig ontwerp niet aan (een aantal) vereisten voldoet en bijgevolg niet voor vergunning vatbaar is", de minister de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschreden lijkt te hebben; dat het middel niet ernstig is;
- Overwegende dat de verzoeker een tweede middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 53, § 3, en 55 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het formeel motiveringsbeginsel, minstens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het X-12.698-5/7 rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoeker in essentie aanvoert dat de beslissingen van de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 53, § 3, eerste lid, van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening met redenen omkleed worden, dat dit vereiste met zich brengt dat de motieven en het dispositief van de beslissing niet dubbelzinnig mogen zijn, dat het dispositief te dezen bepaalt, enerzijds, dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd, en anderzijds, dat de beslissing van de bestendige deputatie houdende toekenning van een vergunning wordt vernietigd, dat er aldus een tegenstrijdigheid in het dispositief is, nu de inwilliging van het beroep enkel tot gevolg heeft dat de last in tweede fase opnieuw wordt opgelegd, terwijl de vernietiging van de bestreden beslissing van de bestendige deputatie tot gevolg heeft dat de verleende vergunning in haar geheel wordt vernietigd; Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat de inwilliging van de beroepen van de appellanten enkel kan leiden tot de vernietiging van het deel van de bestreden beslissing van de bestendige deputatie dat verband houdt met de "lasten in tweede fase", d.w.z. de kosteloze grondafstand; dat die opvatting op haar beurt ervan uitgaat dat de appellanten slechts het genoemde deel van de beslissing van de bestendige deputatie bestreden hebben, en niet de beslissing in haar geheel; dat, zoals uit het antwoord op het eerste middel is gebleken, die laatste opvatting niet lijkt te stroken met de bewoordingen zelf van de beroepschriften; dat het middel, dat aldus lijkt te steunen op een onjuiste lezing van de beroepschriften, dan ook niet lijkt te kunnen worden aangenomen; dat het niet ernstig is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.698-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig augustus 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.698-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.912 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.