← België

Arrest 161914 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 22/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.914 Rolnummer: A. 171083/X-12743 Zaak: Arrest 161914 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 22/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 02:14 Fiche Arrest nr 161.914 van 22 augustus 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.914 van 22 augustus 2006 in de zaak A. 171.083/X-12.

  1. In zake :
  2. Jan LOUAGIE,
  3. Francis MEERT,
  4. Henri MEIRESONNE,
  5. Johan VERMEIREN, die woonplaats kiezen bij Advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan LOUAGIE, Francis MEERT, Henry MEIRESONNE en Johan VERMEIREN op 16 maart 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 december 2005 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Afbakening grootstedelijk gebied Gent", bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 januari 2006 ; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.743-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. BEKÉ die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat I. BOCKSTAELE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de eigendommen van verzoekers alle zijn gelegen te Sint-Martens-Latem, deel Hoog-Latem; dat de Vlaamse regering bij besluit van 22 oktober 2004 het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Afbakening grootstedelijk gebied Gent" voorlopig heeft vastgesteld; dat dit project naast de grenslijn een aantal deelprojecten omvat, waaronder het "deelproject 2B - randstedelijk woongebied Hoog-Latem"; dat Hoog-Latem is gelegen tussen de Kortrijksesteenweg (noorden), Keistraat (zuiden) en Moeistraat (oosten); dat deze wijk volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in woonuitbreidingsgebied; dat het een relatief groot woonuitbreidingsgebied betreft waarvan aanzienlijke delen reeds zijn gerealiseerd; dat een openbaar onderzoek wordt gehouden van 10 januari 2005 tot 10 maart 2005; dat verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend; dat de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 9 maart 2005 advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse Commissie voor ruimtelijke ordening op 28 juni 2005 een advies heeft uitgebracht; dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 1 december 2005 advies heeft uitgebracht (39.388/1); dat de Vlaamse regering bij het thans bestreden besluit van 16 december 2005 het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Afbakening grootstedelijk gebied Gent" definitief heeft vastgesteld; Overwegende dat verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2005; Overwegende dat verzoekende partijen daarbij hun belang putten uit hun hoedanigheid van eigenaars "binnen de perimeter X-12.743-2/7 gebied, en stellen: "De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal bijgevolg onmiddellijke implicaties hebben voor de leefomgeving (van) verzoekende partijen, daar hun woonhuis binnen de betrokken perimeter is gelegen. Bovendien uitten verzoekende partijen terecht hun bezorgdheid omtrent de implicaties van de inkleuring van een deel van Sint-Martens-Latem als randstedelijk gebied op de totale gemeente. (...) Verzoekende partijen wensen geenszins dat hun gemeente als Latem haar groene landelijke residentiële aantrekkingskracht blijft behouden"; Overwegende dat het aangevochten gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan weliswaar een geheel vormt, maar dat een gedeeltelijke vernietiging mogelijk is indien die vernietiging betrekking heeft op een vanuit planologisch oogpunt isoleerbaar gebied en de partiële vernietiging niet tot gevolg heeft de algemene economie van het plan aan te tasten; dat onder die voorwaarden ook een gedeeltelijke schorsing mogelijk is; Overwegende dat te dezen, gelet op de opdeling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in deelprojecten naast de vastlegging van de grenslijn, en op het duidelijk afgebakend belang van de verzoekende partijen zoals uiteengezet in hun verzoekschrift, vastgesteld moet worden dat een partiële schorsing, beperkt tot het deelproject 2B - Randstedelijk gebied Hoog-Latem, mogelijk is zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het plan; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de vordering tot schorsing slechts ontvankelijk is in zover zij het deelproject 2B - Randstedelijk gebied Hoog-Latem betreft; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit X-12.743-3/7 van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing o.m. dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de verzoekers in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzetten dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmiskenbaar tot gevolg zal hebben dat hun woonsituatie en leefomgeving op ernstige wijze zal worden gewijzigd, dat hun levenskwaliteit, met name het residentieel wonen in het groen, op aanzienlijk wijze zal verminderen, daar door de opname van Hoog-Latem in het "Grootstedelijk Gebied Gent" de aansnijding en bebouwing van het gebied dat thans volgens het gewestplan "woonuitbreidingsgebied" is, en volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen "buitengebied", reëler wordt, dat de kwalificatie van Hoog-Latem als randstedelijk gebied onmiskenbaar zijn weerslag zal hebben op het thans bestaande rustige, landelijke en residentiële karakter van Sint-Martens-Latem, dat aan de hand van recente "woonbehoeftestudies" uitgevoerd in opdracht van de gemeente Sint-Martens-Latem, wordt aangetoond dat de nood aan aansnijding van nieuwe gebieden als woonzone "0" bedraagt, dat ook op bovenlokaal niveau dient te worden vastgesteld dat geenszins een noodzaak bestaat om nieuwe gebieden aan te snijden, dat de schrapping van een aantal woonuitbreidingsgebieden te Drongen daar een levend voorbeeld van is, dat evenwel uit het oog wordt verloren dat de gemeente Sint-Martens-Latem sinds 1991 een "openruimtebeleid" heeft gevoerd en sinds 1991, op één uitzondering na, geen enkele verkaveling meer heeft toegestaan in Hoog-Latem; Overwegende dat uit verzoekers' uiteenzetting blijkt dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij menen te zullen ondergaan bestaat uit de vrees dat de groene omgeving waarin zij wonen ingevolge de mogelijke bebouwing zal verdwijnen; dat zij in wezen nastreven dat de bestaande feitelijke toestand ongewijzigd zou blijven, m.a.w. dat de nog onbebouwde delen van het vroegere woonuitbreidingsgebied onbebouwd zouden blijven; dat bij de beoordeling van de X-12.743-4/7 ernst van het door de verzoekers aangevoerde nadeel in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de voorheen vastgestelde bestemming van het betrokken plangebied; dat de nog onbebouwde delen van dat gebied volgens de bestemmings- voorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone waren bestemd tot woonuitbreidingsgebied; dat de bestemmingsvoorschriften voor zodanig gebied woningbouw niet uitsluiten; dat het verschil met het bestemmingsvoorschrift "randstedelijk woongebied", zoals dat ingevolge het aangevochten gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing is, bestaat in de modaliteiten waaronder de bestemming kan worden gerealiseerd; dat het voorschrift "randstedelijk woongebied" de onmiddellijke aansnijding en bebouwing, na uitvoering en evaluatie van waterbeheersingswerken, toelaat van de onder "fase 1" bedoelde delen, terwijl het voorschrift "woonuitbreidingsgebied" uitsluitend groepswoningbouw toelaat zolang de bevoegde overheid niet over de ordening van het gebied heeft beslist, en zolang, volgens het geval, die overheid geen besluit tot vaststelling van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor; dat bij de beoordeling van het aangevoerde nadeel ook rekening moet worden gehouden met de specifieke stedenbouwkundige voorschriften voor het betrokken "randstedelijk woongebied"; dat die voorschriften bepalen dat de ontwikkeling van de niet-bebouwde delen van het randstedelijk woongebied dient te gebeuren in verschillende fases waarbij, vooraleer met de eerste fase een aanvang kan worden genomen, de nodige waterbeheersingswerken moeten worden uitgevoerd en geëvalueerd; dat vervolgens een volgende fase maar kan worden vergund nadat minimum 2/3 van de niet-bebouwde delen uit de vorige fase is bebouwd en dit telkens na evaluatie van de reeds uitgevoerde waterbeheersingswerken en van de impact van de ontwikkelingen op de mobiliteit en verkeersleefbaarheid; dat de stedenbouwkundige voorschriften verder ook nog bepalen dat: "De ontwikkeling van het randstedelijk woongebied is gericht op het verhogen van het woningaanbod met behoud en zo mogelijk versterken van het randstedelijke en groene karakter, de realisatie van een kwalitatieve woonomgeving, kwalitatieve inrichting van het openbaar domein en groene ruimte, het benutten van de mogelijkheden van het openbaar vervoer en van gemeenschapsvorming en op een zorgvuldig ruimtegebruik. De invulling gebeurt met een gedifferentieerde woningtypologie en dichtheid, aangepast aan de omliggende woonomgeving. Er kunnen maximaal 450 bijkomende wooneenheden worden gerealiseerd"; dat uit het vorenstaande blijkt dat de stedenbouwkundige voorschriften een voorwaardelijke, gefaseerde en aan de omliggende woonomgeving aan te passen invulling opleggen; dat de verzoekers aldus niet aannemelijk maken dat de X-12.743-5/7 onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden deelproject hun woonsituatie en leefomgeving ten aanzien van de voordien geldende juridische toestand dermate zal veranderen dat deze verandering als een ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat de uiteenzetting van verzoekers geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.743-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig augustus 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.743-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.914 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.