id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.915 Rolnummer: A. 170311/X-12713 Zaak: Arrest 161915 - - 22/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 02:14 Fiche Arrest nr 161.915 van 22 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.915 van 22 augustus 2006 in de zaak A. 170.311/X- 12.
- In zake :
- Saturino RODRIGUEZ LOZANO,
- Patricia GHYSENS, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. SAEYS, kantoor houdende te 9300 AALST, Zwarte Zustersstraat 13 tegen :
- de gemeente LEDE,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Saturino RODRIGUEZ LOZANO en Patricia GHYSENS op 16 februari 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van, eensdeels, het besluit van 3 mei 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede houdende afgifte aan de heer en mevrouw STEPPE van de vergunning tot wijziging van de verkavelings- vergunning van 23 oktober 1995 voor een perceel gelegen te Impe (Lede) aan de Blokstraat 18, kadastraal gekend onder Lede, 3de afdeling, sectie D, nr. 96e, en anderdeels, van het besluit van 8 november 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede houdende afgifte aan de heer en mevrouw STEPPE van de stedenbouwkundige vergunning tot "regularisatie inplanting woning + aanleg voortuin" op hetzelfde perceel; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.713-1/6 Gelet op de beschikking van 21 april 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 12 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. SAEYS die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekers eigenaar zijn van een woning gelegen te Lede, Blokstraat 20; dat het perceel waarop die woning is gebouwd, deel uitmaakt van een verkaveling waarvoor het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede op 23 oktober 1995 een verkavelingsvergunning heeft verleend; Overwegende dat het links aanpalende, hoger gelegen perceel (Blokstraat 18) eigendom is van de heer en mevrouw Steppe; dat dit perceel kadastraal gekend is onder Lede, 3de afdeling, sectie D, nr. 96 e; dat de heer Steppe op 10 april 2000 een stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen voor het bouwen van een vrijstaande woning; Overwegende dat op 12 juli 2001 en 16 oktober 2001 processen- verbaal zijn opgesteld, waarbij is vastgesteld dat de woning van de heer en mevrouw Steppe niet werd gebouwd overeenkomstig de goedgekeurde bouwplannen, met name door het niet in acht nemen van de afstand tot de perceelsgrens met de verzoekers; dat telkens bevel werd gegeven tot stillegging van de werken; dat de heer Steppe daarop een aanvraag heeft ingediend, strekkende tot het verkrijgen van een wijziging van de verkavelingsvergunning voor zijn perceel, meer bepaald wat betreft de bouwvrije strook rechts op dat perceel; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede bij besluit van 19 november 2001 de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning heeft toegestaan; dat een daartegen door de verzoekers ingestelde vordering tot schorsing door de Raad van State is X-12.713-2/6 verworpen, bij arrest nr. 107.862 van 17 juni 2002, en dat bij arrest nr. 115.890 van 13 februari 2003 de afstand van geding is vastgesteld; dat de heer Steppe ook een aanvraag heeft ingediend, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning ter regularisatie van zijn woning, meer bepaald wat de afstand tot de perceelsgrens rechts betreft; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 25 maart 2002 de gevraagde vergunning heeft verleend, mits inachtneming van een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het peil van de gelijkvloerse vertrekken zou worden voorzien op minstens 18 cm en op maximum 35 cm boven het peil van de straatkruin; dat de verzoekers tegen dit besluit een beroep hebben ingesteld bij de Raad van State, waarover de Raad bij arrest nr. 111.877 van 24 oktober 2002 de afstand van geding heeft toegewezen; dat op 4 augustus 2004 een nieuw proces-verbaal is opgesteld, waarin is vastgesteld dat de woning werd opgetrokken met een hogere vloerpas dan vergund en dat niet- vergunde reliëfwijzigingen werden uitgevoerd in de tuin achteraan de woning; dat hierop een nieuw bevel is gegeven tot stillegging van de werken; dat op 13 september 2004 andermaal een proces-verbaal is opgesteld, waarin is vastgesteld dat grondwerken in de achtertuin werden voortgezet; dat ook hierop een bevel tot stillegging van de werken is gevolgd; Overwegende dat de heer en mevrouw Steppe vervolgens een nieuwe aanvraag hebben ingediend, ontvangen op 31 januari 2005, strekkende tot het wijzigen van de verkavelingsvergunning wat hun perceel betreft, meer bepaald door het optrekken van het peil van de gelijkvloerse vertrekken tot maximum 72 cm boven het peil van de straatkruin; dat tijdens het openbaar onderzoek 13 bezwaren zijn ingediend; dat de gemachtigde ambtenaar over deze aanvraag een gunstig advies heeft verleend; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 3 mei 2005 de gevraagde wijziging heeft toegestaan; dat dit besluit de eerste bestreden handeling vormt; Overwegende dat de heer en mevrouw Steppe ook een nieuwe aanvraag hebben ingediend, ontvangen op 5 september 2005, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning ter regularisatie van de inplanting van hun woning en de aanleg van de voortuin; dat bij de Raad van State geen administratief dossier met betrekking tot deze aanvraag is neergelegd; dat de verzoekers uiteenzetten dat de aanvraag strekte tot het verkrijgen van een vergunning voor de aanhoging aan de zijkant van de woning, met inbegrip van een waterkeermuur en een bijhorende drainage over de volledige diepte van de woning; X-12.713-3/6 dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 8 november 2005 de gevraagde vergunning heeft verleend, met inachtneming van een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het peil van de gelijkvloerse vertrekken dient te worden voorzien op minstens 18 cm en op maximum 35 cm boven het peil van de straatkruin; dat dit besluit de tweede bestreden handeling vormt; Overwegende dat de heer en mevrouw Steppe ondertussen een nieuwe aanvraag hadden ingediend, ontvangen op 20 oktober 2005, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning ter regularisatie van de vloerpas en van de reliëfwijziging achteraan de woning; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 3 januari 2006 de gevraagde vergunning heeft geweigerd;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat de verzoekers in de eerste plaats uiteenzetten dat hun woon- en leefklimaat op een ernstige wijze wordt aangetast, op grond dat hun woning reeds ettelijke malen, ten gevolge van het bouwen van de woning naast hun perceel en het aanhogen ervan, bij een normale ernstige regenbui onder water is komen te staan, dat de woning ondertussen is beveiligd met een muur van zandzakken, geplaatst door de brandweer, doch dat deze muur moet worden onderbroken om toegang tot de woning te krijgen, met als gevolg dat er steeds iemand thuis moet zijn om bij ernstige regenvlagen de dam te sluiten en dat het gezin geen vakantie kan nemen; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de eerste verzoeker zelfstandige is in centrale verwarming, sanitair en lekopsporing, dat het bestaan van de wal zandzakken rond zijn woning hem schade toebrengt, doordat zijn cliënteel niet kan begrijpen dat hij geen oplossing kan vinden voor zijn eigen waterprobleem; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat zich op 20 meter van hun woning een elektriciteitscabine bevindt, die bij iedere overstroming dreigt onder te lopen, dat er daardoor een gevaar is, niet enkel voor elektrocutie (wanneer de cabine onder water komt te staan), maar ook voor ontploffing (bij zware kortsluiting door insijpelend water); X-12.713-4/6 Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat de verzoekers geen enkel voordeel zouden halen uit een eventuele schorsing, nu de woning van de heer en mevrouw Steppe reeds volledig is opgericht, op de hoogte die overeenstemt met de vloerpas bepaald in de bij het eerste bestreden besluit toegestane wijziging van de verkavelingsvergunning; Overwegende dat de door de verzoekers ingeroepen nadelen alle te maken hebben met het feit dat de woning van de heer en mevrouw Steppe op een bepaalde hoogte ten opzichte van de straat is gebouwd en dat de omliggende tuin dienvolgens verhoogd is, waardoor hun eigen terrein bij ernstige buien een wateroverlast ondervindt of dreigt te ondervinden; dat de verzoekers niet betwisten dat de woning van de heer en mevrouw Steppe volledig is gebouwd; dat, zonder zich uit te spreken over de ernst van de ingeroepen nadelen, de Raad van State niet anders kan dan vaststellen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden wijziging van de verkavelingsvergunning of van de bestreden stedenbouwkundige vergunning die nadelen niet tijdelijk kan wegnemen of zelfs maar beperken; Overwegende dat de verzoekers ter terechtzitting weliswaar ook nog wijzen op het nadeel dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de vergunning tot het aanleggen van een waterkeermuur; dat zij er meer bepaald op wijzen dat het aanleggen van die muur met zich zou brengen dat een tijdelijk gegraven greppel, die tot nu toe doeltreffend is gebleken, gedempt zou worden; dat dit nadeel evenwel niet is aangevoerd in het verzoekschrift tot schorsing; dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met ter terechtzitting gegeven aanvullende feiten en verklaringen geen rekening kan worden gehouden; X-12.713-5/6 Overwegende dat geconcludeerd moet worden dat uit de uiteenzetting in het verzoekschrift tot schorsing niet kan worden afgeleid dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningen de verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig augustus 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.713-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.915 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.