← België

Arrest 161965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.965 Rolnummer: A. 175910/X-12983 Zaak: Arrest 161965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-08-31 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 02:35 Fiche Arrest nr 161.965 van 24 augustus 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 161.965 van 24 augustus 2006 in de zaak A. 175.910/X-12.

  1. In zake :
  2. Peter LEEMANS,
  3. Cathy SIMOEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. BUYSSE, kantoor houdende te 9300 AALST, Dendermondsesteenweg 23A tegen : de gemeente OPWIJK, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  4. tussenkomende partij : Paul DE COSTER, die woonplaats kiest bij Advocaat J. HOUTHUYS, kantoor houdende te 1500 HALLE, Suikerkaai
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter LEEMANS en Cathy SIMOEN op 18 augustus 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 20 juni 2006 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Opwijk waarbij aan Paul DE COSTER de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een paardenstal te Opwijk, Vossestraat 42, op een perceel kadastraal gelegen sectie A, nr. 161e; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 augustus 2006; X-12.983-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BUYSSE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat F. DE PRETER die loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat J. HOUTHUYS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Paul DE COSTER met een verzoekschrift van 22 augustus 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verzoekende partijen, na het indienen van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, nog een nota hebben neergelegd; dat dit niet in de procedureregeling opgenomen stuk op vraag van de verwerende en de tussenkomende partij uit de debatten moet worden geweerd; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.983-2/4 Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift aanvoeren: "Zoals voornoemd is slechts bij wijze van voorlopige maatregel, ingevolge een eenzijdig verzoekschrift van verzoekende partijen, een verbod opgelegd om de werken verder te zetten. Van zodra dit verbod zou/zal worden opgeheven geeft dit aan de heer De Coster de 'vrijgeleide' om de bouwwerken te voleindigen en derhalve over te gaan tot de exploitatie van de paardenstal met vier paarden en met ernstige hinder voor verzoekende partijen tot gevolg. Dienvolgens roepen verzoekende partijen de uiterst dringende noodzakelijkheid in."; Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen er op goede gronden op wijzen dat momenteel de uitvoering van de vergunde werken reeds is geschorst op grond van een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 11 augustus 2006, gewezen op eenzijdig verzoekschrift ingeleid door de verzoekende partijen, hetzij tot de rechter in kort geding, gevat in een tegensprekelijke procedure, een bevelschrift heeft verleend, hetzij tot na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening van de eerste beschikking ; dat er in die omstandigheden geen afdoende redenen voorhanden zijn om, vóór de "definitieve" uitspraak door de justitiële kortgedingrechter of vóór het verstrijken van bovenvermelde termijn van een maand, ook nog eens de Raad van State bij hoogdringendheid te vatten om de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning te schorsen; dat de verzoekende partijen de gevolgen van de door hen gekozen procedurele weg moeten aanvaarden; dat zij niet vermogen zich ter terechtzitting te beroepen op gebeurlijk nadelige gevolgen voortvloeiend uit de door hen gemaakte keuze; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond; BESLUIT: Artikel
  6. Het verzoek tot tussenkomst van Paul DE COSTER in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-12.983-3/4 Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig augustus 2006, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier, De griffier, De voorzitter, J. CAMU. R. STEVENS. X-12.983-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.965 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.