← België

Arrest 162024 - - 25/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.024 Rolnummer: A. 64089/X-10005 Zaak: Arrest 162024 - - 25/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-01 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 02:46 Fiche Arrest nr 162.024 van 25 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.024 van 25 augustus 2006 in de zaak A. 64.089/X-10.

  1. In zake :
  2. Fernand DE KEYSER,
  3. Margaretha KESTENS, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. BUEKENS, kantoor houdende te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen :
  4. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat F. DE BISSCHOP, kantoor houdende te 9255 BUGGENHOUT, Provincialebaan 20,
  5. de nv AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaat J. RYCKEBOER, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Caputsteenstraat
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fernand DE KEYSER en Margaretha KESTENS op 14 juni 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  7. het besluit van 10 april 1995 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting, waarbij de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven bepaalde private onbebouwde gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Roosdaal, van openbaar nut wordt verklaard ten gunste van de nv AQUAFIN,
  8. de beslissing van de nv AQUAFIN, vervat in een ter post aangetekend schrijven van 24 april 1995 aan verzoekers, om op grond van voormeld ministerieel besluit gebruik te maken van hun eigendommen; Gelet op het arrest nr. 58.128 van 14 februari 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-10.005-1/7 Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 6 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. VAN DEN BOSSCHE die loco advocaat M. BUEKENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat S. BEECKMAN die loco Advocaat F. DE BISSCHOP verschijnt voor de eerste verwerende partij, en die eveneens loco Advocaat J. RYCKEBOER verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  9. Overwegende dat de tweede verweerster, in het kader van de aanleg van een prioritaire riolering langs de Poelbeek in Roosdaal, bij schrijven van 6 januari 1995 een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut voor de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven bepaalde private onbebouwde gronden; dat tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar is ingediend door de verzoekers; dat de aanleg van de ontworpen riolering tot gevolg zou hebben dat een deel van de eigendom van de X-10.005-2/7 verzoekers, gelegen aan de Tenzuivenenstraat te Roosdaal (Pamel), kadastraal gekend onder Roosdaal, 1ste afdeling, sectie E, nrs. 394 h en 386 e, bezwaard zou worden met een erfdienstbaarheid van openbaar nut, en dat een ander deel van die eigendom onmiddellijk in bezit zou worden genomen; dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting bij besluit van 10 april 1995 de oprichting van de genoemde rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven bepaalde private onbebouwde gronden, waaronder die van de verzoekers, van openbaar nut verklaart, en de voorwaarden bepaalt waaronder de installaties op die gronden mogen worden opgericht; dat dit besluit de eerste bestreden handeling vormt; dat de tweede verweerster bij schrijven van 24 april 1995 aan de verzoekers een afschrift van het genoemde besluit mededeelt, en hen tevens mededeelt dat zij gebruik wil maken van hun percelen grond; dat dit schrijven de tweede bestreden handeling vormt;
  10. Overwegende dat de tweede bestreden handeling, die een mededeling bevat van de eerste bestreden handeling en tevens de aankondiging inhoudt dat de tweede verweerster gebruik zal maken van de haar verleende machtiging om gebruik te maken van de percelen van de verzoekers, niet meer is dan een loutere handeling ter uitvoering van de eerste bestreden handeling; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het tegen die tweede bestreden handeling is gericht;
  11. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 11 (lees: 16) van de Grondwet; dat zij in essentie aanvoeren dat de bestreden beslissing verscheidene maatregelen inhoudt, met name een verklaring van openbaar nut voor de verwerving van een deel van hun eigendommen, een verklaring van openbaar nut voor de verwerving van een deel van hun eigendommen in ondergrond, de vestiging van een wettelijke erfdienstbaarheid op een deel van hun eigendommen gedurende de uitvoering van de werken, en de vestiging van een wettelijke erfdienstbaarheid op een deel van hun eigendommen zonder beperking in de tijd, dat door de tweede verweerster het voornemen kenbaar gemaakt is om een deel van hun eigendommen, met een oppervlakte van 32 m2, te verwerven, zonder dat een koopprijs is aangeboden, dat de wettelijke erfdienstbaarheid wordt gevestigd op een strook grond, gelegen in het midden van de eigendommen van de verzoekers, over een lengte van 347 meter en over een breedte van 5 meter, dat op een diepte van amper 1 meter in de besproken strook zal overgegaan worden tot het oprichten van een bouwwerk, te weten de ondergronds gelegen leidingen, dat dit derhalve betekent dat de bestreden beslissing werkelijke X-10.005-3/7 eigendomsinnemingen inhoudt, zonder dat de onteigeningsinneming als zodanig vermeld wordt, dat dit in strijd is met artikel 11 (lees: 16) van de Grondwet, dat onteigening enkel toestaat "in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling"; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 32octies, § 3, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 12 december 1990, de rechten en de verplichtingen van de tweede verweerster geregeld worden in de artikelen 9 tot 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; dat artikel 10 van de wet van 12 april 1965, in de versie zoals die van kracht was op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, bepaalt dat de Koning, thans de Vlaamse regering, het oprichten van een installatie onder, op of boven private gronden van openbaar nut kan verklaren; dat een dergelijke verklaring van openbaar nut de begunstigde het recht verleent om onder, op of boven bepaalde gronden installaties op te richten, toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud, onder de voorwaarden bepaald in de verklaring van openbaar nut; dat luidens artikel 11 van de genoemde wet het gebruik waartoe het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, bestemd is, moet worden geëerbiedigd, en dat de bezetting generlei bezitsberoving meebrengt, maar een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt die elke daad verbiedt welke de installatie of de exploitatie ervan kan schaden; dat luidens artikel 13 van de genoemde wet de gerechtigde op de erfdienstbaarheid van openbaar nut verplicht is een vergoeding te betalen aan de eigenaar van het met de erfdienstbaarheid bezwaarde erf of aan hen die de zakelijke rechten bezitten die aan dat erf verbonden zijn; dat artikel 14 van de genoemde wet voorziet in de mogelijkheid voor de begunstigde van de verklaring van openbaar nut om aan de Koning, thans de Vlaamse regering, te vragen om te worden gemachtigd om de nodige onteigeningen te verrichten; dat de bepalingen van artikel 14 krachtens artikel 11 van de genoemde wet ook van toepassing zijn wanneer de eigenaar van het bezwaarde erf aan de gerechtigde op de erfdienstbaarheid heeft gevraagd het bezette terrein aan te kopen, maar geen overeenstemming wordt bereikt voor een verkoop in der minne; Overwegende dat het bestreden besluit louter de verklaring van openbaar nut van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur te Roosdaal tot voorwerp heeft; dat het, op grond van de hiervóór genoemde bepalingen van de wet van X-10.005-4/7 12 april 1965, de tweede verweerster uitsluitend het recht verleent om installaties op te richten onder, op of boven de in het besluit genoemde private gronden; dat dit recht weliswaar een beperking inhoudt van het eigendomsrecht van de verzoekers, doch geen onteigening met zich brengt, in de zin van artikel 16 van de Grondwet, aangezien de eigendom niet wordt overgedragen; dat het voornemen van de tweede verweerster om een deel van de eigendom te verwerven, hetzij tegen betaling van een met de verzoekers overeengekomen prijs, hetzij op grond van een gedwongen onteigening, na daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd te zijn, aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat, nu er geen sprake is van een onteigening, er ook niet voorzien moest worden in een billijke en voorafgaande schadeloosstelling; dat het middel faalt naar recht;
  12. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 6 en 6bis (lees: 10 en 11) van de Grondwet en van "het voorschrift van behoorlijk bestuur"; dat zij in een eerste onderdeel aanvoeren dat het bestreden ministerieel besluit overweegt "dat er een natuurgebied is ten zuiden van de Poelbeek; dat op vraag van de gemachtigde ambtenaar het project 10 meter van het natuurgebied moest verwijderd blijven", dat geen enkele reden wordt opgegeven waarom het natuurgebied, eerder dan de landbouwgronden van de verzoekers, een bijzondere bescherming zou verdienen; dat de verzoekers in een tweede onderdeel aanvoeren dat het bestreden ministerieel besluit overweegt "dat de vraag van de eigenaar om de collector naar de gronden van de tuinbouwschool (intensiever bewerkt en hoger gelegen dan de weiden van de eigenaar) te verplaatsen, buiten de meerkost voor de diepere ligging en meerleiding, tot gevolg zou hebben dat de riolering van de Tenzuivenenstraat en de overstortleiding de gronden van de eigenaar in de andere richting (zouden) bezwaren", dat het vooreerst louter subjectief is te stellen dat de gronden van de tuinbouwschool intensiever bewerkt zouden worden dan de weide van de verzoekers, en dat dit weideland onmiddellijk omgeschakeld kan worden in bewerkte landbouwgrond, zoals vaak gebeurt, dat een andere ligging van de inneming op de eigendommen van de verzoekers heel wat minder schadelijk zou zijn, dat het vermijden van een "meerkost" nu ten laste van de verzoekers alleen wordt gelegd, dat er eens te meer een ongelijkheid ontstaat en de verzoekers het slachtoffer worden van discriminatie; dat de verzoekers in een derde onderdeel aanvoeren dat het bestreden ministerieel besluit overweegt "dat de bestemming van de grond, namelijk agrarisch gebied, ook na de werken werd gevrijwaard; dat de gebruiker de grond zal kunnen gebruiken voor landbouwdoeleinden", dat het gebruik van de grond, door de aanwezigheid van een X-10.005-5/7 bouwwerk dwars door het midden van de percelen van de verzoekers, op een diepte van amper 1 meter, ontegensprekelijk aanzienlijk wordt beperkt, dat de eigendommen van de verzoekers, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van woningen en gebouwen, de mogelijkheid hebben om aangewend te worden als bouwgrond respectievelijk als zone voor ontspanning, dat het bestreden ministerieel besluit de verzoekers deze mogelijkheid ontneemt, dat er opnieuw ongelijkheid ontstaat; Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat de verzoekers wijzen op een verschil in behandeling tussen gronden gelegen in een natuurgebied, enerzijds, en landbouwgronden, meer bepaald gronden gelegen in een agrarisch gebied, anderzijds; dat het enkele feit dat het bestreden besluit kiest voor een oplossing waarbij een natuurgebied gespaard wordt en een agrarisch gebied met een erfdienstbaarheid wordt bezwaard, geen blijk geeft van een schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie; dat het onderdeel faalt naar recht; Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel, dat de verzoekers niet aanvoeren dat de vaststelling in het bestreden besluit dat de gronden van de tuinbouwschool "intensiever bewerkt (worden) en hoger gelegen (zijn) dan de weiden van de (verzoekers)", steunt op een kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten; dat, voor het overige, het enkele feit dat het bestreden besluit kiest voor een oplossing die, gelet op de kenmerken van de gronden in de omgeving, een meerkost voor de overheid vermijdt, geen blijk geeft van een schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie; dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; Overwegende, wat betreft het derde onderdeel, dat de grief van de verzoekers volgens welke de ontworpen installatie van die aard is dat het gebruik van hun grond als landbouwgrond op een aanzienlijke wijze zal worden beperkt, berust op een loutere bewering die door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd; dat de grief van de verzoekers volgens welke het bestreden besluit aan hun gronden de mogelijkheid ontneemt om aangewend te worden als bouwgronden of als zone voor ontspanning, berust op een loutere speculatie, gelet op de ligging van die gronden in een zone bestemd als agrarisch gebied; dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; X-10.005-6/7 BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig augustus 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-10.005-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.024 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.58.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.