id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.092 Rolnummer: A. 142164/XIV-16930 Zaak: Arrest 162092 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 02:49 Fiche Arrest nr 162.092 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.092 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 142.164/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. KEULEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Koningin Astridlaan 46 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 14 april 1967 en van Sri Lankese nationaliteit, op 29 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 februari 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 2 mei 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-16.930-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. VAN LOMMEL die, loco Advocaat J. KEULEN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij heeft een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatie- wet), meer in het bijzonder op grond van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/; voormelde regularisatie- aanvraag werd door de verzoekende partij gedateerd op 30 januari
- 1.
- Op 10 juli 2000 heeft het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vastgesteld dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is en heeft zij de aanvraag met een negatief advies voor beslissing overgezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 10 juli 2000 heeft de Commissie voor regularisatie aan de verzoekende partij een termijn van drie dagen verleend om haar standpunt omtrent voormeld advies van het secretariaat uiteen te zetten aan de minister van Binnenlandse Zaken; op 13 juli 2000 heeft de verzoekende partij van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. 1.
- Op 22 november 2001 heeft de Commissie voor regularisatie de verzoekende partij, in aanwezigheid van een raadsman, verhoord. 1.
- Op 3 december 2001 heeft de vierde kamer van de Commissie voor regularisatie geadviseerd “aan verzoeker de regularisatie van zijn verblijf in België niet toe te kennen”; dit advies luidt als volgt: “(...) Uit het ter zitting getoonde inschrijvingsbewijs van aangetekende zending blijkt dat de aanvrager op maandag 31/01/00 een verzoek tot regularisatie op grond van artikel 2 § 2 en 2 § 4 van de wet van 22/12/1999 aan de ‘Commissie voor Regularisatie, Aarlenstraat 80' heeft toegestuurd; dit stuk werd aan het dossier toegevoegd. Deze aanvraag werd door het secretariaat van de Commissie op 10/07/00 met een negatief advies aan de minister overgemaakt bij toepassing van artikel 12 § 1 van de wet van 22/12/1999 (onvolledig dossier) vermits de aanvraag ‘onvolledig is en onregelmatig werd ingediend in het XIV-16.930-2/8 licht van artikel 4 van de wet van 22 december 1999' hetwelk een ‘substantieel vormvereiste’ stelt. Artikel 4, eerste lid bepaalt: ‘De aanvraag tot regularisatie wordt ingediend bij de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft binnen een termijn van drie weken te rekenen van inwerkintreding van deze wet en wordt overgezonden aan de Commissie voor Regularisatie’. Artikel 17 bepaalt: ‘Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch staatsblad wordt bekendgemaakt’ Dit gebeurde op 10/01/
- Uit het stuk uitgaande van de ‘cel regularisaties Lange Nieuwstraat 22a te Antwerpen’ en dat aan het formulier ‘aanvraag tot regularisatie’ is gehecht, blijkt dat deze aan verzoeker een ‘afspraak tot indienen van een aanvraag tot regularisatie’ heeft overgemaakt (in de Nederlandse, Franse en engelse taal) voor vrijdag 28/01/00 om 18 uur, volgnummer K
- De aanvrager was dus perfect ingelicht omtrent de wijze en de datum waarop hij zijn aanvraag moest indienen. Hij heeft aan deze afspraak geen gevolg gegeven en blijft in gebreke daartoe een geldig motief in te roepen, a fortiori aan te tonen. Zoals in het verslag van het secretariaat vermeld, is het vormvereiste vermeld in artikel 4, a fortiori eerste lid, substantieel vermits dit ‘onder andere aan de overheden eveneens de mogelijkheid biedt de werkelijkheid van de opgegeven verblijfplaats en de samenstelling van het gezin van de aanvrager te onderzoeken’. De aanvraag is dus inderdaad onregelmatig ook trouwens wat de tijd betreft, vermits die niet en dan nog bij een onjuiste instantie kan toegekomen zijn ‘binnen de drie weken te rekenen van de inwerkingtreding’ van de wet. De door verzoeker bij bemiddeling van zijn raadsman naar voor gebrachte argumenten en stukken vermogen niet het door het secretariaat ingenomen standpunt tegen te spreken. Om deze redenen Verleent de vierde kamer van de Commissie voor Regularisatie volgend advies: aan verzoeker de regularisatie van zijn verblijf in België niet toe te kennen. (...).”. 1.
- Op 15 februari 2002 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie; deze beslissing, die de thans bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te Antwerpen, op 02/02/2000 en dat het nummer draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...)”.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Schending van het algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en die kunnen worden gecontroleerd (materiële motiveringsplicht). - Inbreuk op het beginsel van zorgvuldig bestuur. - Inbreuk op het gelijkheidsbeginsel en de artikelen l0 en 11 G.W. De bestreden beslissing verwijst naar het advies van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie, die haar advies op haar beurt steunt op het advies van het secretariaat, waarin wordt gesteld dat de aanvraag van verzoeker ‘onvolledig is en onregelmatig werd ingediend in het licht van artikel 4 van de wet van 22 december 1999’ hetwelk een ‘substantieel vormvereis- te’ stelt. Prof. Dirk VANHEULE stelt dat, opdat aan de materiële motiveringsplicht is voldaan, drie voorwaarden moeten vervuld zijn :
- de motieven moeten kenbaar zijn
- de motieven moeten juist zijn XIV-16.930-3/8
- de motieven moeten draagkrachtig zijn Hij stelt verder dat de materiële motiveringsplicht slaat op de inhoudelijke draagkracht van de motivering, waarbij vier elementen van belang zijn:
- de logische consistentie (tegenstrijdigheden)
- de juridische aanvaardbaarheid (juiste wettelijke grond en juiste interpreatie van de wet
- de feitelijke aanvaardbaarheid (gebaseerd op juiste en relevante feiten)
- de beleidsaanvaardbaarheid (aansluitend op het gevoerde beleid) (zie D. VANHEULE, ‘De ene motiveringsplicht is de andere niet’, noot bij Raad van State, nr 106.502, 13 mei 2002 en Raad van State, nr. 106.506, 13 mei 2002 in T. V. R., nr 3, september 2002, pagina 323). A. Eerste onderdeel: De bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken is logisch inconsistent m.a.w. tegenstrijdig, aangezien hij enerzijds stelt dat de aanvraag tot regularisatie door verzoeker werd ingediend bij de Burgemeester (zie brief van de Minister Antoine DUQUESNE dd. 15.02.2002 - 5de regel, 4de woord) en anderzijds de overwegingen overneemt van het advies van de Kamer, waarin wordt gesteld dat de aanvraag onregelmatig is ingediend want rechtstreeks bij de Commissie voor Regularisatie. B. Tweede onderdeel De bestreden beslissing is niet juridisch aanvaardbaar daar waar ze stelt dat de aanvraag niet is ingediend binnen de wettelijke termijn. Kenmerkend is dat de bestreden beslissing niet vermeldt wat exact de laatste datum was voor het geldig indienen van aanvragen. Uit de rechtspraak van de Commissie volgt dat de laatste nuttige datum 31 januari 2000 was. Artikel 4 van de wet van 22 december 1999 bepaalt immers: "de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend bij de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft binnen een termijn van drie weken te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet". De wet van 22 december 1999 is in werking getreden op datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 10 januari
- Hier volgt dan ook uit dat de uiterste limiet om de aanvraag in te dienen 31 januari 2000 was om middernacht (Zie M. LEROY, Contentieux administratif, ed. 1996, p 369 ev., alsook de artikelen 52 ev. van het Ger. W.) PV van de algemene vergadering van de Commissie van Regularisatie van 18 november 2000, waarin wordt geciteerd G.H. BEAUTHIER en N.J. FERMON ‘Regularisatie, hoe, voor wie?, Epo, p. 47; en Commissie van Regularisatie, Chambre F, dossiernummer 00032000013100054 (zie stuk 5))- en niet 30 januari 2000 zoals in een interne omzendbrief gericht aan de gemeenten werd meegedeeld. In Antwerpen was bovendien zaterdag 29.1.2000 de laatste dag waarop de regularisatieaan- vragen door de stad werd aanvaard. C. Derde onderdeel De bestreden beslissing is niet juridisch aanvaardbaar noch beleidsaanvaardbaar daar waar zij stelt dat de aanvraag onregelmatig is ingediend wat betreft de wijze van indienen. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de aanvraag bij de verkeerde instantie is ingediend, namelijk rechtstreeks bij de Commissie voor Regularisatie in plaats van bij de burgemeester van de woonplaats van verzoeker. De kamer van de Commissie voor Regularisatie verwijst naar artikel 4 van de wet van 22 december 1999 en stelt dat de vormvereiste vermeld in dit artikel, a fortiori eerste lid, substantieel is vermits dit ‘onder andere aan de overheden eveneens de mogelijkheid biedt de werkelijkheid van de opgegeven verblijfplaats en de samenstelling van het gezin van de aanvrager te onderzoeken’. Nochtans is het begrip ‘substantiële vormvereiste’ niet wettelijk omschreven. Om na te gaan of een vormvereiste substantieel is moet men nagaan of het voorschrift is opgelegd in het belang van de bestuurden of, zowel in het belang van de bestuurden als in het belang van de goede werking van het bestuur. Het door de normsteller nagestreefde oogmerk is hierbij van doorslaggevend belang. (zie de geciteerde werken in I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, ‘Formele motivering van bestuurshandelingen’, Die Keure, Brugge, 1999, nr. 140). In casu is het noodzakelijk noch voor het belang van de bestuurden, noch voor de goede werking van het bestuur dat de aanvraag wordt ingediend bij de burgemeester. Dit wordt trouwens indirect erkend door de Kamer in haar advies waar zij stelt dat de vormvereiste vermeld in artikel 4 belangrijk is omdat zo aan de overheden de mogelijkheid wordt geboden de werkelijkheid van de opgegeven verblijfplaats en de samenstelling van het gezin te onderzoeken. Er wordt hier gesproken over ‘de overheden’ in het algemeen, er wordt niet specifiek gerefereerd aan de gemeentelijke overheden en bovendien blijkt uit het dossier zelf dat dit onderzoek effectief heeft plaatsgehad (zie stuk 6 briefwisseling van de heer F. COEKAERTS, Inspecteur van Politie aan de Commissie voor Regularisatie dd. 18 november 2001.- Deze inspecteur komt op 18 november 2001 na een onderzoek ter plaatse tot de bevinding dat verzoeker niet woonachtig zou zijn op het opgegeven adres. Nochtans verschijnt verzoeker zonder problemen op 22 november 2001 ter zitting met zijn toenmalige raadsvrouw.) XIV-16.930-4/8 Bovendien volgt uit de ministeriële omzendbrief van 6 januari 2000 (Belgisch Staatsblad 10 januari 2000) dat het opstellen van een sociaal verslag geenszins verplicht is. Verder blijkt uit de memorie van toelichting bij de wet van 22 december 1999 dat de regularisatieprocedure werd opgezet vanuit een algemene bekommernis voor de situatie van sociale onzekerheid en marginaliteit waarin de meeste van de illegalen zich bevinden. Het zou dan ook strijdig zijn met dit beleid om de wijze van indienen van een dossier al te rigoureus te beoordelen, zeker nu de voorwaarden gesteld in artikel 4 van de wet van 22 december 1999 niet op straffe van onontvankelijkheid worden voorgeschreven. Het is trouwens vanuit diezelfde bekommernis dat de Commissie verscheidene dossiers waarin de aanvraag werd ingediend niet in persoon, maar per aangetekend schrijven, toch ontvankelijk heeft verklaard. (zie V - stukken 1 tot 9). Het is dan ook een schending van de artikelen 10 en 11 G.W. en het gelijkheidsbeginsel om in casu niet dezelfde interpretatie van art. 4 van de wet van 22.12.1999 toe te staan. Dat verzoeker zijn aanvraag rechtstreeks per aangetekend schrijven naar de Commissie voor Regularisatie heeft gericht, heeft alles te maken met de volgende feiten: - Op 30 januari 2000 had verzoeker nog steeds geen oproeping van de gemeente ontvangen; de brief van de Cel Regularisaties uit de Lange Nieuwstraat 22 A te Antwerpen, die in het dossier van de Regularisatiecommissie zit, heeft verzoeker nooit ontvangen. Reeds in de asielprocedure had verzoeker verschillende problemen met de postbedeling die ervoor hebben gezorgd onder meer dat hij de oproeping voor de Vaste Beroepscommissie d.d. 21 oktober 1999 nooit heeft ontvangen. Deze problemen werden door de vorige raadsman van verzoeker aan de Vaste Beroepscom- missie gemeld, alsook in de procedure bij de Raad van State. (Wegens gebrek aan bewijs van enig falen in hoofde van de post werd hier echter geen rekening mee gehouden.) Ook de oproeping van de gemeente voor 28 januari 2000 in het kader van de regularisatie- procedure heeft verzoeker nooit ontvangen. Hij zou er echter geen enkel belang bij hebben om op deze uitnodiging - waar hij zelf heeft om moeten vragen - niet in te gaan! - Een interne omzendbrief naar de gemeentes bepaalde dat 30 januari 2000 de laatste dag was van de regularisatiecampagne (in tegenstelling met de rechtspraak van de Commissie Regularisaties); In casu had de gemeente Antwerpen zelfs eenzijdig bepaald om 29 januari als laatste dag voor het indienen van een aanvraag vast te stellen Verder bepaalde de publieke omzendbrief van 6 januari 2000 (B.S. 10 januari 2000) dat de burgemeester en zijn gemachtigden geen regularisatieaanvragen meer mochten in ontvangst nemen buiten de termijn. Verzoeker zag dan ook geen andere mogelijkheid om zijn rechten te vrijwaren dan per aangetekend schrijven van 31 januari 2000 zijn aanvraag bij de Commissie rechtstreeks aanhangig te maken. D. Vierde onderdeel Verzoeker heeft van de stad Antwerpen nooit een schriftelijke uitnodiging gekregen om zijn dossier te komen indienen op het gemeentehuis. Een bestuurde in de waan laten dat hij dergelijke uitnodiging zal ontvangen en tegelijkertijd hem verwijten, wanneer hij deze uitnodiging niet heeft ontvangen, dat hij de aanvraag niet correct heeft ingediend, getuigt niet van zorgvuldig bestuur. (Zie ook de ontwikkelingen hierboven opgenomen in het derde onderdeel.)”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Enig middel: ‘Schending van het algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite haalbaar zijn en die kunnen worden gecontroleerd ( materiële motiveringsplicht) - Inbreuk op het beginsel van zorgvuldig bestuur - Inbreuk op het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 GW.’ Verzoeker is van oordeel dat het indienen van de regularisatieaanvraag buiten de bij wet gestelde termijn en buiten de gemeente van verblijf om, niet wordt gesanctioneerd door de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. De bestreden beslissing zou volgens verzoeker het gelijkheidsbeginsel schenden. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de regularisatiewet verscheen in het staatsblad van maandag 10 januari 2000 en in niet mis te verstane bewoordingen stelt in artikel 4: ‘De aanvraag tot regularisatie wordt ingediend bij de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft binnen een termijn van drie weken te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet en wordt overgezonden aan de Commissie voor regularisatie’. Artikel 17 stelt dat de wet in werking treedt dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Daaruit volgt dat de regularisatieaanvraag uiterlijk op 30 januari 2000 moet zijn ingediend om tijdig te zijn. XIV-16.930-5/8 In de omzendbrief van 6 januari 2000 wordt daaruit de logische conclusie getrokken dat na verloop van de in artikel 4 van de regularisatiewet bepaalde termijn van drie weken de burgemeester of zijn gemachtigde geen regularisatieaanvragen meer in ontvangst kan nemen. Dat houdt in dat indien verzoeker zich op 31 januari 2000 had aangeboden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats, in casu Antwerpen, hem het indienen van een regularisatieaanvraag zou zijn geweigerd. Verzoeker kon derhalve niet op ontvankelijke wijze dergelijke aanvraag indienen, per aangetekend schrijven van 31 januari 2000 en rechtstreeks gericht aan de regularisatiecommis- sie, waar ze werd geregistreerd op 2 februari
- Terecht oordeelde de vierde kamer van de Commissie voor regularisatie: ‘De aanvraag is dus inderdaad onregelmatig ook trouwens wat de tijd betreft, vermits die niet en dan nog bij een onjuiste instantie kan toegekomen zijn’ binnen de drie weken te rekenen van de inwerkingtreding’ van de wet. Het door verzoeker aangehaalde gelijkheidsbeginsel zou precies geschonden zijn moest zijn aanvraag toch nog in aanmerking zijn genomen. Het enig middel mist iedere ernst.”; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van “het algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en die kunnen worden gecontroleerd”, van “het beginsel van zorgvuldig bestuur”, van het gelijkheidsbegin- sel en van de artikelen l0 en 11 van de Grondwet; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij in een eerste onderdeel van het enig middel aanvoert dat de bestreden beslissing “logisch inconsistent (is) m.a.w. tegenstrijdig, aangezien hij (zij) enerzijds stelt dat de aanvraag tot regularisatie door verzoeker werd ingediend bij de Burgemeester en anderzijds de overwegingen overneemt van het advies van de Kamer, waarin wordt gesteld dat de aanvraag onregelmatig is ingediend want rechtstreeks bij de Commissie voor Regularisatie”; dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar de aanvraag tot regularisatie, ingediend bij de burgemeester, duidelijk berust op een materiële vergissing vanwege de minister van Binnenlandse Zaken, vermits, enerzijds, de desbetreffende verwijzing niet volledig is (“door U ingediend bij de Burgemeester te ”) en, anderzijds, uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken de overwegingen van de Commissie voor regularisatie onderschrijft en als de zijne overneemt; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde onderdeel van het enig middel stelt dat de bestreden beslissing “juridisch aanvaardbaar noch beleidsaanvaard- baar (is) daar waar zij stelt dat de aanvraag onregelmatig is ingediend wat betreft de wijze van indienen”; Overwegende dat artikel 4 van de Regularisatiewet als volgt luidt: “(...) De aanvraag tot regularisatie wordt ingediend bij de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft binnen een termijn van drie weken te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet en wordt overgezonden aan de Commissie voor regularisatie. (....)”; XIV-16.930-6/8 Overwegende dat uit voormelde bepaling blijkt dat de aanvraag tot regularisatie slechts geldig wordt ingediend bij de burgemeester; dat het in casu bovendien blijkt dat de omstandigheid dat de aanvraag bij de Commissie en niet bij de burgemeester werd ingediend, uitsluitend te wijten is aan de verzoekende partij zelf; dat uit het advies van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie blijkt dat de verzoekende partij naar de gemeente is gegaan en dat haar door de “Cel regularisaties Lange Nieuwstraat 22a te Antwerpen”, een afspraak tot het indienen van een regularisatieaanvraag is gegeven voor vrijdag 28 januari 2000 om 18.00 uur; dat de Commissie bijgevolg terecht stelt dat de verzoekende partij perfect was ingelicht over de wijze en de datum waarop zij haar aanvraag moest indienen; dat de verzoekende partij aan deze afspraak geen gevolg heeft gegeven; dat uit voormeld advies tevens blijkt dat de verzoekende partij hieromtrent door de Commissie is gehoord; dat de Commissie stelt dat de verzoekende partij terzake geen geldig motief heeft ingeroepen, a fortiori heeft aangetoond; dat de verzoekende partij niet ontkent dat zij hieromtrent door de Commissie is gehoord, noch dat zij geen geldig motief kon verlenen; dat huidige zaak derhalve is te onderscheiden van de door de verzoekende partij aangehaalde adviezen, aangezien in die desbetreffende zaken geen afspraak tot het indienen van een aanvraag bij de burgemeester was afgegeven; dat de verzoekende partij zich bovendien niet kan beroepen op een gelijkheid in de onwettigheid; dat een schending van het gelijkheidsbe- ginsel bijgevolg niet kan worden aangenomen; 3.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de aanvraag bij de verkeerde instantie werd ingediend, volstond om de aanvraag onontvankelijk te verklaren; dat het feit dat eveneens werd vastgesteld dat de aanvraag laattijdig zou zijn ingediend, bijkomstig is; dat de kritiek op dit motief, uiteengezet in het tweede onderdeel van het enig middel, derhalve niet moet worden onderzocht; dat kritiek op overtollige motieven immers niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing vermag te leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.930-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-16.930-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.