id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.095 Rolnummer: A. 114970/XIV-7886 Zaak: Arrest 162095 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 02:49 Fiche Arrest nr 162.095 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.095 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 114.970/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. ANTYCHIN, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Luikersteenweg 232/18 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 juni 1970 en van Russische nationaliteit, op 21 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; XIV-7886-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. ANTYCHIN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 24 juni 2000 en verklaart zich vluchteling op 26 juni
- 1.
- Op 6 maart 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 14 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verklaart uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen verlaten te hebben. Sinds 1993 woont u in Tiraspol, Transdniestrië. Daar had u te zamen met uw broer V. een bedrijf. In juni 1996 kwam Veniamin in Oekraine om in een auto-ongeval. U vermoedt dat het geen ongeval maar moord betrof, en dat de opdrachtgever G. was, een parlementslid van Transdniestrië die –om politieke redenen- niet wilde dat uw koren uit Rusland als betaling zou aanvaarden voor de produkten die u naar Ruslanduitvoerde. U liet de vermeende moord eerst, doch echter zonder resultaat, onderzoeken door de Oekraiense autoriteiten. Vervolgens diende u klacht in bij het parket van de republiek Transdniestrië. Luitenant Sidorenko onderzocht de zaak maar kon nergens de betrokkenheid van Gradinar aantonen. Van 1996 tot 1999 had u geen problemen. Inmiddels had u in Transdniestrië een nieuw bedrijf opgericht, een worstenfabriek. Omstreeks nieuwjaar 1999-2000 ontving u van kennissen van u en uw overleden broer een cassette waarop het laatste gesprek tussen uw broer en G. stond. Tijdens dat gesprek bedreigde G. uw broer met de dood. U gaf een kopie van de cassette XIV-7886-2/7 aan onderzoeker Sidorenko. Die opende een strafzaak waarbij G. officieel in verdenking werd gesteld. Begin maart 2000 deden 4 gemaskerde mannen van de MGB een inval in uw woning. Ze namen u vervolgens mee naar de veiligheidsdienst van Tiraspol en sloten u op in een cel. Na twee dagen werd u medegedeeld dat u beschuldigd werd van de vergiftiging (nitraten) van acht personen door uw worsten. U verbleef twee maanden in de cel. In mei 2000 sprak u in uw cel met Seredinov, een met G. bevriend zakenman uit Transdniestrië. Hij stelde me voor om in ruil voor mijn vrijlating de klacht tegen G. in te trekken. U gaf dadelijk uw mondeling goedkeuring en werd de volgende dag vrijgelaten. U zou echter de klacht nooit officieel intrekken. Want toen u de volgende dagen in ziekenhuizen nitraatvergiftigingen ging navragen bleek er geen één te zijn, en vermoedde u dat het een valse aanklacht van G. betrof. U sprak hierover met Sidorenko, die inmiddels de strafzaak tegen G. voor verder onderzoek aan een hogergeplaatste had doorgegeven. Na enkele dagen, in mei 2000, deden drie gemaskerde mannen in burger bij u een huiszoeking en namen de cassette (met het laatste gesprek tussen uw broer en G.) mee. U werd door hen geslagen en vervolgens in hun wagen meegenomen naar een verlaten terrein aan de rand van de stad, nabij de Dniestr. Daar bedreigden ze u met de dood indien u de klacht tegen G. niet introk. Daarna lieten ze u gaan. U verbleef vervolgens nog enkele dagen bij uw moeder en vertrok via Polen naar België. Op 26 juni 2000 vroeg u in België de status van vluchteling aan. We dienen vooreerst te wijzen op een aantal tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van uw relaas in twijfel trekken. Zo verklaart u op het Commissariaat- Generaal dat begin maart 2000 mannen van de MGB u bij uw woning oppakten, doch geen huiszoeking uitvoerden: u werd nog voor het betreden van uw woning opgepakt en meegenomen (verslag cgvs, p6, 7). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u daarentegen dat in die periode 4 mannen van de MGB in uw woning een huiszoeking deden, en ze hierbij documenten en een cassette meenamen (verslag dvz, p7) en u daarna twee dagen in een cel opsloten. Verder verklaart u op het Commissariaat-Generaal dat de bewuste cassette pas werd meegenomen in mei 2000, toen 3 gemaskerde mannen uw woning binnenvielen en een huiszoeking verrichtten (verslag cgvs, p9, 10). U verklaart ook op het Commissariaat-Generaal dat deze mannen u toen meenamen naar een afgelegen terrein langs de Dniestr en u daar dreigden te doden en in de rivier te gooien (verslag cgvs, p10). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u enkel dat u thuis werd opgepakt, in auto gedwongen en bedreigd, maar vermeldt u helemaal niet dat u buiten de stad werd gevoerd, en dat er daar gedreigd werd u ter plaatste te doden en in de Dniestr te gooien (verslag dvz, p7). Nog op het Commissariaat-Generaal verklaart u dat u aan de zakenman Seredinov onmiddellijk de belofte deed de klacht tegen G. in te trekken en al een dag na zijn bezoek werd vrijgelaten (verslag cgvs, p8). Op de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen verklaart u dat u slechts drie dagen na het bezoek van Seredinov de belofte deed uw klacht tegen G. in te trekken, en pas nadien werd vrijgelaten (verslag dvz, p7). Verder kunnen we opmerken dat u in Transdniestrië op de hulp van de gerechtelijke autoriteiten hebt kunnen rekenen. Nadat u de bezwarende cassette aanbracht werd immers dadelijk een strafzaak tegen G. geopend, en het onderzoek was nog steeds lopende toen u besloot Transdniestrië te ontvluchten. U ontvluchtte anders gezegd Transdniestrië zonder het resultaat van de gerechtelijke procedure af te wachten. Als dusdanig ontrok u zich aan de bescherming en de hulp door de autoriteiten van Transdniestrië en kunt u niet aannemelijk maken dat u niet op bescherming hunnerzijds zou kunnen rekenen. Temeer daar u het naliet na de laatste bedreiging, in mei 2000, van dit voorval melding te maken bij de gerechtelijke autoriteiten of hen om bescherming te vragen. Tenslotte kunt u –als Russisch staatsburger- geenszins aannemelijk maken waarom u zich niet in de Russische Federatie zou kunnen vestigen en aldaar het resultaat van het gerechtelijk onderzoek tegen G. afwachten. U leefde tot 1993 in de Russische Federatie en bent nog steeds een Russisch staatsburger , en u maakt ook niet aannemelijk dat uw problemen het lokale niveau overstijgen. Uw problemen zijn immers volledig verbonden met de persoon van G., waarmee u jaren geleden in conflict kwam over de invoer van graan naar Transdniëstrie en waartegen u een klacht had lopen. Bovenstaande vaststellingen in acht genomen kunnen we bij u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève weerhouden. Derhalve kunnen we besluiten met een bevestiging van de weigering van verblijf. Wat betreft de door u neergelegde documenten: uw paspoort bewijst uw identiteit; de overlijdensakte van uw broer en foto’s bevestigen zijn overlijden, en de overige documenten bevestigen enkel uw commerciële activiteiten in Transdniestrië Deze documenten kunnen niets aan voornoemd besluit wijzigen. (...)”. XIV-7886-3/7
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Verkeerde interpretatie van de feiten, wat als gevolg gebrekkige motivering mee brengt. De bestreden beslissing heeft gesteld dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolgingen in de zin van de Conventie van Genève. Deze argumentatie kan niet bijgetreden worden. Het CGVS ondersteunt zijn beslissing door te verwijzen naar een aantal tegenstrijdigheden bij verschillende ondervragingen van betrokkene, die de geloofwaardigheid van verzoeker's relaas in twijfel trekken, en ze zijn volgende: Op de DVZ verklaart verzoeker dat hij in maart 2000 door 4 mannen van de MGB opgepakt werd, die in zijn woning huiszoeking deden en originele cassette vonden. Verzoeker werd mee genomen en zat twee dagen in de cel, terwijl bij het CGVS zei verzoeker niets over deze huiszoeking. Verzoeker antwoordt dat bij het CGVS over de gebeurtenissen van maart 2000 niet veel gevraagd werd, omdat ondervrager zei dat hij al verhaal van verzoeker gelezen had en stelde bepaalde vragen, die hem nog interesseerden. Daarom werd dit niet in detail besproken. Wat betreft verwijt van het CGVS dat verzoeker niets zei bij de DVZ over zijn gedwongen ‘uitstap’ naar afgelegen terrein langs de Dniestr en bedreigingen met de dood, antwoordt verzoeker dat hij dit wel vertelde, omdat dit de laatste druppel was die de emmer liet overlopen, voor hij besloot het land te verlaten. Het kan uitsluitend aan de DVZ verweten worden, wat ondervrager van belang vond om te noteren en wat niet. Op de DVZ werd genoteerd dat verzoeker slechts na drie dagen na het bezoek van Seredinov de belofte deed zijn klacht tegen G. in te trekken, en pas nadien vrijgelaten werd, terwijl bij het CGVS - onmiddellijk aan Serdinov de belofte deed en al één dag na zijn bezoek vrijgelaten werd. Terug meent verzoeker dat zijn verklaring bij de DVZ verkeerd genoteerd of vertaald werd. Volgens het CGVS kon verzoeker op de hulp van de gerechtelijke autoriteiten rekenen, maar hij onttrok zich van deze bescherming. Hierop verwijst verzoeker dat in zijn geval zijn vijand - G., de Minister van Financiën was (die trouwens nog op dezelfde plaats zit). Verzoeker werd vervolgd door MGB - staats geheime dienst, wat tegenoverstelde aan conclusies van het CGVS bewijst. Hoe kan iemand beschermd worden als hij zelf door eigen autoriteiten vervolgd wordt ? Dit argument van het CGVS kan niet in rekening genomen worden. Tenslotte werd er door het CGVS verwezen naar meervoudige nationaliteit van verzoeker en werd gezegd dat hij met zijn Russische burgerschap naar Rusland kon vertrekken en zich daar vestigen. Waarop verzoeker antwoordt, dat aangezien tussen Rusland en Transdniestrië bijna geen grenzen zijn, hij gemakkelijk kon gevonden worden, opgepakt en naar Transdniestrië gebracht. Deze elementen tonen aan dat het asielrelaas van de betrokkene, in tegenstelling tot de bewering van het CGVS, wel onder de bepalingen van de Conventie van Genève valt. Door zijn argumentatie, weerlegt verzoekende partij argumenten van het CGVS die aan de basis van bestreden beslissing en zijn motivatie liggen. Derhalve is de motivering van het CGVS gebrekkig. De motivering druist lijnrecht in tegen het motief van de verzoeker. Beweringen van de gemachtigde van de Commissaris-Generaal dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, beantwoorden niet aan de realiteit.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het volgende stelt: “In zijn annulatieberoep, vermeldt verzoeker als zijn middel - gebrekkige motivering. Betrokkene geeft een redelijke uitleg aan de hem in bestreden beslissing verweten ‘tegenstrijdigheden’, die als later bleek het gevolg te zijn van verkeerde interpretatie en vertaling 1 of notering van het verzoeker's asielrelaas. Verzoeker staaft zijn verzoekschrift met argumentatie, waaruit blijkt dat de motivering van de bestreden beslissing genomen door het CommissariaatGeneraal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gebrekkig is. XIV-7886-4/7 Uit de brief van de griffie van de Raad van State blijkt, dat het CommissariaatGeneraal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verzuimde een memorie van antwoord in te dienen binnen de vastgestelde termijn. Hieruit kan afgeleid worden, dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van de aan hem geboden mogelijkheid om het middel van verzoeker te bestrijden, geen gevolg gaf. Op grond van de door verweerder niet weerlegde middelen van verzoeker, is de motivering van verweerder gebrekkig en zijn beweringen dat de aanvraag van verzoekende partij bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, beantwoorden niet aan de realiteit.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de motiveringsplicht aanvoert, en een verkeerde interpretatie van de feiten; 2.
- Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing als volgt luiden: - er zijn een aantal tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van het relaas van de verzoekende partij in twijfel trekken; - de verzoekende partij verklaarde op het CGVS dat begin maart 2000 mannen van de MGB haar bij haar woning oppakten, maar geen huiszoeking uitvoerden; op de DVZ verklaarde de verzoekende partij dat vier mannen van de MGB in die periode in haar woning en huiszoeking deden, en documenten en een cassette meenamen; - op het CGVS verklaarde de verzoekende partij dat deze cassette pas werd meegenomen in mei 2000, toen drie gemaskerde mannen haar woning binnenvielen en een huiszoeking verrichtten; deze mannen namen haar toen mee en dreigden haar te doden en in de rivier de Dniestr te gooien; op de DVZ verklaarde de verzoekende partij dat zij thuis werd opgepakt, in een auto gedwongen en bedreigd; de verzoekende partij vertelde hier niet dat zij buiten de stad werd gevoerd en bedreigd werd met de dood en met het feit om in de Dniestr te worden gegooid; - op het CGVS verklaarde de verzoekende partij dat zij aan de zakenman Seredinov de belofte deed de klacht tegen G. in te trekken en dat zij al een dag na zijn bezoek werd vrijgelaten; op de DVZ daarentegen verklaarde ze dat zij slechts drie dagen na het bezoek van Seredinov de belofte deed om de klacht in te trekken, en dat zij pas nadien werd vrijgelaten; - verder wordt opgemerkt dat de verzoekende partij in Transdniestrië op de hulp van de gerechtelijke autoriteiten heeft kunnen rekenen: er werd immers een strafzaak geopend en het onderzoek was nog steeds lopende toen de verzoekende partij het land uit vluchtte; zij heeft het resultaat van het strafonderzoek dus niet afgewacht; zij onttrok zich aan de hulp en de bescherming van de autoriteiten en kan niet aannemelijk maken dat zij niet op hun bescherming kon rekenen; de verzoekende partij liet eveneens na om bij de gerechtelijke autoriteiten melding te maken van de laatste bedreiging in mei 2000; - de verzoekende partij maakt niet aannemelijk waarom zij, als Russisch staatsburger, zich niet in de Russische Federatie zou kunnen vestigen en daar het resultaat van het gerechtelijk onderzoek afwachten; de verzoekende partij leefde daar tot in 1993 en maakt niet aannemelijk dat haar problemen het lokale niveau overstijgen; haar problemen zijn immers XIV-7886-5/7 volledig verbonden met de persoon van G., waarmee zij jaren geleden in conflict kwam over de invoer van graan naar Transdniestrië en waartegen zij een klacht had lopen; - gezien bovenstaande vaststellingen kan in hoofde van de verzoekende partij geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld; - de documenten die de verzoekende partij heeft ingediend, wijzigen niets aan het voorgaande; Overwegende dat de verzoekende partij de drie tegenstrijdigheden afdoet als niet relevant want veroorzaakt door de ondervrager; dat zij stelt dat haar bij het Commissariaat-generaal niets werd gevraagd over de gebeurtenissen van maart 2000, en dat sommige van haar verklaringen niet (doodsbedreiging aan de Dniestr) of verkeerd (drie dagen of één dag) werden genoteerd door de ondervrager van de Dienst Vreemdelingenzaken; dat deze beweringen van de verzoekende partij evenwel een verklaring post factum vormen, die niet wordt gestaafd met concrete gegevens; dat de verzoekende partij door de ondertekening van het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, te kennen gaf dat dit overeenstemde met de gegevens die zij had verstrekt, en dat deze gegevens oprecht zijn; dat zij geen opmerkingen maakte over het verhoor bij het Commissariaat-generaal; dat zij enkel vooraf in haar verzoekschrift in dringend beroep uitdrukkelijk heeft verzocht om een tolk Russisch-Nederlands; dat bijgevolg de verklaringen van de verzoekende partij, zoals die worden weergegeven in de verhoorverslagen die zich in het administratief dossier bevinden, konden worden gebruikt door de Commissaris-generaal als basis voor de bestreden beslissing; dat de beweringen van de verzoekende partij hieraan geen afbreuk doen; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat haar vijand de minister van Financiën was en dat zij daarom niet op bescherming van de autoriteiten kon rekenen; dat dit gegeven evenwel niet wegneemt dat de verzoekende partij zich toch de moeite heeft getroost om, volgens haar eigen verklaringen, klacht neer te leggen tegen deze persoon; dat, opnieuw volgens de verklaringen van de verzoekende partij, naar aanleiding van deze klacht een strafzaak werd geopend en het onderzoek nog steeds lopende was toen ze het land verliet; dat de overweging van de Commissaris-generaal dat de verzoekende partij het resultaat van het strafonderzoek niet heeft afgewacht en zich hierdoor onttrok aan de hulp en de bescherming van de autoriteiten, niet kennelijk onredelijk is; dat de overweging van de Commissaris-generaal dat de verzoekende partij niet aannemelijk kan maken dat zij niet op de bescherming van de autoriteiten kon rekenen, gesteund is op het feitenrelaas van de verzoekende partij, dat zij op beknopte wijze herhaalt in haar verzoekschrift; dat de verzoekende partij hierdoor niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot zijn conclusie is gekomen; XIV-7886-6/7 Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat er tussen Rusland en Transdniestrië bijna geen grenzen zijn en dat zij gemakkelijk kan worden opgepakt en overgebracht; dat deze bewering van de verzoekende partij hypothetisch is, en geen afbreuk doet aan de overweging van de Commissaris-generaal dat de verzoekende partij een Russisch staatsburger is die tot 1993 in de Russische Federatie woonde, en van wie de problemen in Transdniestrië het lokale niveau niet overstijgen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, pertinente en deugdelijke motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-7886-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.