id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.096 Rolnummer: A. 158835/XIV-21488 Zaak: Arrest 162096 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 02:50 Fiche Arrest nr 162.096 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.096 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 158.835/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. HEYVAERT, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Franz Courtensstraat 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 april 1960 en van Turkse nationaliteit, op 29 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 2004 tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 17 november 2005, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; XIV-21.488-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. HEYVAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 20 december 1992 en verklaart zich vluchteling op 21 december
- 1.
- Op 7 september 1993 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 18 mei 1994 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
- Bij arrest van de Raad van State nr. 54.738 van 20 juli 1995 werd het beroep tegen deze beslissing verworpen omdat de verzoekende partij geen gekozen woonplaats meer had in België. 1.
- Op 25 januari 2000 dient de verzoekende partij een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 27 mei 2004 is de verzoekende partij gehoord door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat. 1.
- Op 5 augustus 2004 heeft de Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) “Gelet op de beschikking van 29 april 2004 van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie, mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 27 mei
- XIV-21.488-2/13 Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij bijgestaan door zijn raadsman mr Herman Heyvaert, advocaat aan de balie van Dendermonde. De verzoeker kon worden gehoord met de bijstand van een tolk. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld in overeenstemming met artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari
- De raadsman van betrokkene vroeg ter zitting nog tot 17 juni 2004 de gelegenheid te krijgen bijkomende stukken te bezorgen aan de Commissie en het door de Commissie te geven advies niet voor augustus 2004 te bezorgen. Met zijn schrijven van 4 juni 2004 heeft de raadsman van betrokkene nog een nota bezorgd aan de Commissie vergezeld van zevenentwintig bijkomende stukken ter ondersteuning van de ingediende aanvraag tot regularisatie. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 24 januari 2001 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier wel volledig was maar stukken bevatte die aanleiding konden geven tot betwisting zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij en Kamer van de Commissie in overeenstemming met artikel 12 § 2 van de Wet van 22 december
- En daarin werd reeds vermeld dat de controle van de woonst van verzoeker op het adres te 2060-Antwerpen op 6 maart 2000 een negatief resultaat had vermits er alleen kon worden vastgesteld dat er daar een postadres bestond voor betrokkene welke dit adres bij het indienen van zijn verzoek op 25 januari 2000 zelf had opgegeven als zijn feitelijke verblijfplaats. Dit onderzoek moet dus als negatief beschouwd blijven. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met de nummers 4.251.670 en 4.547.737 en in welke dossiers de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben en waarover ter zitting ook tegensprekelijk werd gehandeld. Zo blijkt dat XXX geboren op 16 april 1960 in Turkije te Cemeller zich op 21 december 1992 vluchteling had verklaard nadat hij volgens eigen verklaring als een ongehuwde het Rijk voor het eerst was binnen gekomen op 20 december 1992 en in het bezit was van een Turkse identiteitskaart Ser.P.01 nr
- Daarna verklaarde hij gehuwd te zijn met Y. G. geboren in Turkije in 1963 en twee kinderen A. en D. te hebben respectievelijk 9 en 2,5 jaar welke eveneens in Turkije waren achtergebleven. Er werd op 7 september 1993 beslist tot een weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. Tegen deze beslissing werd er dan een dringend beroep tot heronderzoek ingediend dat op 18 mei 1994 aanleiding gaf bij de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatiozen tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf met de uitdrukkelijke vermelding dat de betrokken vreemdeling in de toenmalige omstandigheden mocht worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht was en dat bovendien de maatregel tot verwijdering uitvoerbaar was niettegenstaande eik beroep. De burgemeester van Antwerpen kreeg op 13 juni 1994 opdracht dit ten uitvoer te leggen. Daarop werd bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend tot nietigverklaring en er kwam arrest nr 54.738 van 20 juli 1995 tussen in de zaak A.58.6971X-3750 waarin te lezen stond dat de verzoeker XXX dan geen gekozen woonplaats had in België zodat de zaak van de rol werd afgevoerd. Het Duitse Bundesamt für Anerkennung ausländischer Rüchtlinge liet op 10 juli 1996 uit Nürnberg weten dat deze vreemdeling er zich vluchteling had verklaard en er gekend was op het adres te 94469 Deggendorf. Hij was volgens verklaring op 22 mei 1996 de Bondsrepubliek Duitsland binnen en was er vanaf 22 juli 1996 vertrokken met onbekende bestemming. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar schoof te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van en beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Uit hoger vermelde gegevens mag als vaststaand en onweerlegbaar worden aangenomen dat verzoeker niet voldeed aan deze voorwaarde van een ononderbroken verblijf van zes jaar op het Beigische grondgebied voor het indienen van zijn verzoek tot regularisatie van verblijf. Het dossier van zijn aanvraag werd door het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen in beslag genomen en op 31 maart 2004 terug vrij gegeven voor behandeling ervan door de Commissie. Het is een feit dat zijn dossier slechts in beslag genomen werd voor XIV-21.488-3/13 onderzoek nadat wantrouwen was gesticht door de stukken die verzoeker wilde gebruiken voor het ondersteunen van zijn verzoek tot regularisatie en hijzelf dus aan de basis lag van de strafinformatie en hierdoor dus zelf verantwoordelijk blijft voor de behandelingstermijn van zijn verzoek. Dit gegeven belet dat verzoeker een gegronde opmerking zou kunnen maken over een redelijke termijneis als onderdeel van de zorgvuldigheidsplicht van de overheid. Of het onderzoek van het Parket te Antwerpen tot enige ambtshalve vervolging aanleiding gaf is aan de Commissie onbekend. Na de zitting toonde verzoeker zelf aan dat hiervan tegenover hemzelf geen sprake was geweest op het parket te Antwerpen. Verzoeker voegde bij zijn dossier een verklaring van dokter A. Rhaman MD. Brusselstraat 83 te 2018Antwerpen van 20 januari 2000 waarin, deze schreef dat betrokkene sinds 20 augustus 1998 bij hem in behandeling was voor een psycho-somatisch probleem. Wanneer verzoeker hierover nader geïnterpelleerd werd op de zitting van 27 mei 2004 bleek hij niet in de mogelijkheid daarover ook maar één detail te vertellen en evenmin over enige behandeling want hij leek zich dit probleem zelfs niet meer te herinneren. Er bestaat dan ook alleen maar twijfel over de inhoud van vermelde verklaring gezien ze door geen enkele toetsing geloofwaardig kon worden gemaakt en het Antwerpse Parket dus niet ten onrechte wantrouwen had gekregen. Zelfs na alle ondertussen verlopen jaren voelde verzoeker nog de behoefte zich door een tolk te moeten laten bijstaan voor de behandeling van zijn verzoek zodat dit gegeven niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat verzoeker zich geen ernstige moeite heeft willen doen om zich de taal van de streek waarin hij in België zou geleefd hebben eigen te maken teneinde met alle gemak onder de plaatselijke bevolking te kunnen leven. Na de zitting legde verzoeker stukken neer waarmee hij wilde aantonen dat hij wel lessen in de Nederlandse taal heeft willen volgen. Verzoeker bracht voor zijn dossier een kopij van een huurcontract dat hij in België reeds zou hebben afgesloten vanaf 8 augustus 1991 zodat er mag gesteld worden dat verzoeker hiermede een leugenachtig stuk wilde voorleggen om de Belgische overheid er mee te bedriegen of om de tuin te leiden. Verzoeker zelf had immers schriftelijk ondertekend dat hij volgens eigen verklaring van 21 december 1992 het Rijk slechts op 20 december 1992 voor het eerst was binnengekomen. Hetzelfde moet dus gezegd en gedacht worden voor de kopij van zijn huurcontract dat reeds op 15 november 1992 zou begonnen zijn. Hier gaat het dus wel duidelijk om valsheid in geschriften. Om de waarheid te doen vaststellen bestaan er in het Belgisch recht voor de bewijsvoering na te leven regels. Zo mag de Belgische rechter alleen rekening houden met de door de wet aangeduide bewijsmiddelen. Volgens de artikelen 1354-1356 van het Burgerlijk Wetboek ontslaat een bekentenis van elke verdere bewijsplicht omdat dit de erkenning is van een feit en voortvloeit uit de wil van de partij zelf en is in dit geval ook schriftelijk vastgelegd. Het is in dergelijke omstandigheden dan ook onmogelijk rekening te houden met verklaringen van derden die hiermede niet overeenstemmen en daarenboven ontoetsbaar blijven. Bij het indienen van zijn verzoek tot regularisatie voegde verzoeker ook kopij van een Turkse identiteitskaart Ser.C07 nr 118200, blijkbaar ook afgeleverd in Turkije, en dus reeds een andere dan deze waarover hij in 1992 beschikte. Ter zitting kon de Commissie dan kennis nemen van weer een andere Turkse identiteitskaart Ser. 107 nr 571539 ditmaal na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie te Antwerpen afgeleverd op 6 april
- Een Turks internationaal paspoort nr.1525/02 TR-N.N/ 109355 werd hem te Antwerpen afgeleverd op 1 augustus 2002 geldig tot 9 mei
- Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen of de aanwezigheid van humanitaire redenen die in zijnen hoofde bestonden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, dit kon door de Commissie niet worden waargenomen. De Commissie kon niet vaststellen dat verzoeker van uit dit land nog interesse had getoond voor de vrouw waarmee hij destijds huwde noch voor de twee kinderen die hij vroeger vermeld had zodat er derhalve geen elementen konden waargenomen worden die een echt verlangen naar een gezinshereniging in dit land tot uiting brachten. Wel legde verzoeker na de zitting een reeks stukken voor waaruit betalingen naar Turkije blijken en waarmee hij wil aantonen dat hij zijn aldaar verblijvende gezinsleden ginds financieel heeft willen ondersteunen sinds hij hier officieel werk vond. Verzoeker zelf vroeg bij het indienen van zijn aanvraag tegelijkertijd om regularisatie van zijn volgens zijn verklaring met hemzelf op hetzelfde adres samenwonende echtgenote maar liet daarbij zelfs na om haar identiteit te vermelden zodat hij hierdoor zelf een rechtstreekse regularisatie verhinderde. Sinds het indienen van de aanvraag kon geen enkele Belgische overheid ook vaststellen dat ze ooit in dit land aanwezig zou geweest zijn. In verband met de kopij van het huurcontract dat werd voorgelegd aan de Commissie voor de periode van 20 februari 1997 tot 20 augustus 2000 werd gevraagd om het bewijs te bezorgen van de betaling van de in artikel 10 voorziene waarborg en van de in artikel 11 vereiste verzekering maar deze stukken, die een verdere toetsing van dat huurcontract mogelijk konden maken en er dus enige geloofwaardigheid aan geven, werden aan de Commissie niet bezorgd. Er mag dus worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hier indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet XIV-21.488-4/13 geloofwaardig heeft kunnen maken, meer zelfs dat de twijfel niet kon worden weggenomen voor zijn effectief verblijf in dit land op 1 oktober 1999 hetgeen betekent dat er door verzoeker niet tegemoet gekomen wordt aan essentiële vereisten om voor een regularisatie van verblijf in aanmerking te kunnen komen. Het bestaan van duurzame sociale bindingen in dit land of de aanwezigheid van humanitaire reden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie kon evenmin worden waargenomen. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.802/X.-3072 L. De Smet/Belgische Staat). Om die reden kan er dan ook geen rekening worden gehouden met de stukken die betrekking hebben op de periode verlopen sinds het indienen van het verzoek tot regularisatie van verblijf voor het beoordelen van zijn situatie voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag. Over verzoeker zelf is niets ongunstig bekend aan de Commissie welke kan vaststellen dat verzoeker na het indienen van zijn aanvraag is willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit en dit op en ernstige en volhardende wijze blijkt te hebben gedaan en zich daarbij ook volledig in regel heeft gesteld op sociaal gebied. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari
- OM DEZE REDENEN brengt de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek op tegenspraak, een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf ingediend door EREN Erol.”; (...).”. 1.
- Op 11 augustus 2004 heeft de Advocaat van de verzoekende partij een brief gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken in antwoord op dit advies. 1.
- Op 18 oktober 2004 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de bestreden beslissing. “(...) Betreft : het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december 1999 nr. regularisatie :
- Ik wens u op de hoogte te brengen van het feit dat ik beslist heb uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen om de volgende redenen : Ik ben van oordeel dat u, zoals wordt bepaald in het advies gegeven door de Commissie tot Regularisatie van Verblijf, niet aan de voorwaarden voldoet die worden omschreven in artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat u op 21 december 1992 een asielaanvraag indient. U verklaart hierbij op 20 december 1992 het land te zijn binnengekomen. Zowel bij de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt u uw land van herkomst te hebben verlaten op 17 december
- Op 18 mei 1994 verwerpt de commissaris-generaal uw asielaanvraag wegens de bedrieglijkheid ervan. Uw verblijf op het grondgebied tot en met de beslissing van de commissaris-generaal wordt niet betwist. Bij arrest nummer 54.738 van 20 juli 1995 verwerpt de Raad van State het tegen de beslissing van de commissaris-generaal ingediende beroep omdat conform de bepalingen van de wetten op de Raad van State u geen woonplaats heeft gekozen. XIV-21.488-5/13 De stukken die u voorlegt laten niet toe te concluderen dat u voldoet aan de voorwaarden omschreven in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december
- U brengt namelijk geen relevante stukken aan die uw ononderbroken aanwezigheid gedurende een periode van 6 jaar voorafgaand aan januari 2000 moet aantonen. Vooreerst zijn er de verschillende huurcontracten. U legt ter ondersteuning vier huurcontracten neer betreffende de huur van een woning gelegen te Antwerpen. Het eerste huurcontract voorziet een huurtermijn van vier maand van 8 augustus 1991 tot en met 8 december
- Het tweede contract voorziet een huurtermijn van één jaar van 15 november 1992 tot en met 15 november
- De periodes die worden -vermeld in de huurcontracten zijn opmerkelijk, u verklaarde immers tijdens uw asielprocedure steeds pas op 17 december 1992 Turkije te hebben verlaten. De uitleg die door uw raadsman in zijn brief van 11 augustus 2004 hieraan wordt gegeven namelijk dat er “wellicht materiële vergissingen zijn begaan bij het toen opstellen van deze contracten” is niet afdoende. Immers gedurende het eerste huurcontract bevond u zich, volgens u eigen verklaringen, nog niet in België. Ook de begindatum van het tweede huurcontract, bevat een datum voorafgaand aan uw aankomst in België. Bijgevolg moet worden getwijfeld aan de authenticiteit van deze huurcontracten. Dit des te meer daar uw raadsman in zijn brief van 11 augustus 2004 aanhaalt dat regularisatieaanvragers door allerlei sociale instanties werden aangespoord om absoluut huurcontracten voor te leggen. Gezien qua vorm de twee andere huurcontracten van 20 februari 1994 tot 20 februari 1997 en van 20 februari 1997 tot 20 februari (of augustus) 2000 volledig dezelfde zijn als eerste twee kan er om die reden het bewijs op het grondgebied gedurende die periode er niet worden uit afgeleid. Ook uit het feit dat volgens informatie van het Duitse Bundesambt für Anerkennung ausländischer Flüchteiinge van 10 juli 1996 u op 22 mei 1996 Duitsland binnenkwam, u er zich vluchteling verklaarde en op 22 juli 1996 vertrok met onbekende bestemming vertrok doet twijfelen aan de authenticiteit van voorgelegde huurcontracten. Daarnaast blijkt, zoals gezegd, uit informatie van het Duitse Bundesambt für Anerkennung ausländischer Flüchtelinge van 10 juli 1996 dat u op 22 mei 1996 Duitsland binnenkwam, u er zich vluchteling verklaarde. Dat u, zoals uw raadsman stelt, slechts een tweetal weken in Duitsland verbleef en daarna naar België terugkeerde, blijkt niet uit het dossier. Uit de informatie van het Duitse Bündesambt blijkt daarentegen dat u op 22 juli 1996 Duitsland verliet met onbekende bestemming. Wat betreft het attest van dokter A. Rahman van 20 januari 2000 die verklaart u sinds 1995 te kennen en u sinds 20 augustus 1998 als patiënt in behandeling te hebben wegens een psycho-somatische probleem: uit het advies van de Commissie voor Regularisatie blijkt dat u op de zitting van deze commissie van 27 mei 2004 werd gevraagd waaruit uw psychosomatisch probleem bestond, alsook welke behandeling u ervoor kreeg. Het advies van de Commissie stelt dat blijkt dat u ter zitting niet in staat bent u over het probleem zelf of de genoten behandeling iets te herinneren. De verklaring van uw raadsman in zijn brief van 11 augustus 2004 dat het normaal is dat u zich dergelijke details niet meer herinnert kan niet worden gevolgd. Ondanks het belang dat ter zitting van 27 mei 2004 door de Commissie aan dit element werd gehecht, liet u na stukken hierover bijkomende stukken neer te leggen. Bovendien werd op uw verzoek het advies niet gewezen voor augustus 2004 zodat u nog ruimschoots over de tijd beschikte hierover meer elementen te verzamelen. De overige aangebrachte stukken zijn nauwelijks controleerbare privé-getuigenissen en aantal aankoopbewijzen die uw aanwezigheid gedurende bovengemelde periode niet aantonen. De door u aangebrachte foto's dateren ofwel van voor 1996 ofwel van na
- De stukken die dateren van na uw aanvraag tot regularisatie kunnen niet in overweging worden genomen om een schending van het gelijkheidsbeginsel te vermijden. Een andere redenering zou tot gevolg hebben dat aanvragers van wie het dossier vroeger werd behandeld zich in een nadeliger situatie zouden bevinden. Overeenkomstig artikel 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 beschikt u over een termijn van 30 dagen om bij de afdeling Administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en verzoek tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen deze beslissing. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Verzoeker roept artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten in en artikel 10 van de Belgische grondwet, en tevens de schending van het principe van 'gelijke berechtiging'. Ten overvloede wordt ook het verwijt gemaakt aan de Minister van Binnenlandse Zaken dat een abnormaal lange termijn werd bereikt alvorens tot een beslissing van weigering van verblijf XIV-21.488-6/13 te komen: regularisatieaanvraag dd. 25-1-2000, beslissing dd. 18-10-2004, betekend op 1-12-2004, hetzij 4 jaar..... Artikel 10 van de Belgische grondwet voorziet expliciet de gelijke berechtiging van éénieder. Artikel 8 van de Conventie van de Rechten van de Mens voorziet het recht van iedere burger op de eerbiediging van zijn privé en familieleven. Welnu: Het feit van de regularisatie van verblijf te weigeren aan een eerbaar burger die 6 jaar voor de regularisatiewet onafgebroken in België verblijft en 12 jaar tot op heden, zijn gezin financieel steunt en onderhoudt, en deze weigering te verrechtvaardigen door het inroepen van geresumeerd de volgende 3 motieven:
- geen ononderbroken verblijf van 6 jaar in België voorafgaandelijk de regularisatieaanvraag. Men steunt zich op het feit dat bepaalde huurcontracten qua exacte datum niet kloppen en dat ondermeer een huurcontract aanvang neemt voor de aankomst van verzoeker in België. Weze nogmaals beklemtoond dat de meeste regularisatieaanvragen niet over huurcontracten beschikten en op uitdrukkelijk advies van sociale instanties en OCMW's aangespoord werden de huurcontracten te reconstitueren door de eigenaars verhuurders op te sporen en hen te vragen een huurcontract op te stellen. Het lijkt toch logisch dat na verloop van zovele jaren hierin materiële vergissingen werden begaan.
- De informatie van het Duitse Bundes Ambt Inderdaad heeft verzoeker in 1996 ook asiel aangevraagd in Duitsland waar hij familie had die hem deze raad hadden gegeven teneinde alle mogelijke kansen te benuttigen. Het verblijf in Duitsland bedroeg een 1 O-tal dagen en verzoeker kwam terug naar België waar hij een vaste woonst had.
- Het attest van Dr. Rahman dd. 20-1-
- Dr. Rahman attesteert dat hij verzoeker kent sedert 1995 en hem behandelde voor psychosomatische stoornissen sedert
- Zoals hoger in het feitenrelaas uiteengezet werd verzoeker uit de zaal naar voor geroepen en diende onverwachts 'medische uitleg' te verschaffen over zijn ziekte. Dit maakte hem zodanig over stuur van zenuwachtigheid dat hij amper enkele woorden kon zeggen en zeker niet in staat was deskundige medische uitleg te verschaffen. De psychosomatische klachten waren het gevolg van een zeer ernstig rugletsels. Conclusie: De manier waarop de zaak werd behandeld voor de Commissie voor regularisatie met fundamentele ongelijkheid ten aanzien van de duizenden dossiers die 3 á 4 jaar voordien werden behandeld met humane ingesteldheid en goed begrip van de situatie van deze aanvragen, zijn kwetsend en tasten verzoeker aan in zijn rechten van verdediging en van gelijke en eerlijke behandeling. Daarenboven wordt hij getroffen in zijn persoonlijk leven en dat van zijn gezin welke van hem volkomen afhankelijk is. Op basis van hoger weergegeven elementen dient de beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken dd. 18 oktober 2004 te worden vernietigd.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Aangezien verzoeker als enig middel opwerpt: ‘Verzoeker roept artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten in en artikel 10 van de Belgische grondwet, en tevens de schending van het principe van 'gelijke berechtiging'. ‘Vooreerst merkt verwerende partij op, met betrekking tot verzoekers overweging inzake de 11 abnormaal lange termijn’ die de behandeling van verzoekers regularisatieaanvraag in beslag zou hebben genomen, dit niet aan verwerende partij kan worden verweten. Immers, zoals blijkt uit het feitenrelaas werd het dossier van verzoeker in beslag genomen door de gerechtelijke diensten in het kader van een strafonderzoek. Dit blijkt overigens uit het schrijven dd. 11.08.2004 van de raadsman van verzoeker (zie stuk 74 van het administratief dossier) waarin deze zelf erkent dat de vertraging ‘hoofdzakelijk te wijten [is] aan een penale klacht bij het parket te Antwerpen’. Verzoeker kan derhalve niet ernstig de behandelingsduur van zijn aanvraag betwisten, hetgeen overigens ook als dusdanig wordt vermeld in het advies van de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie. Betreffende de vermeende schending van ‘artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten’, laat de verwerende partij gelden dat, behoudens het gegeven dat verzoekende partij er kennelijk niet in slaagt de door haar geschonden geachte rechtsregel voldoende XIV-21.488-7/13 duidelijk te omschrijven, het haar geenszins duidelijk is waarom verzoekende partij het ‘artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten’ nu juist geschonden acht. Verzoekende partij blijft naar het oordeel van de verwerende partij in gebreke om in zijn beroepschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting van dit onderdeel van zijn enig middel te geven. Betrokkene beperkt er zich immers toe te vermelden dat er volgens hem sprake is van een schending van ‘artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten’ zonder dat hij in zijn middel verder toelicht in welke zin de in casu bestreden beslissing dd. 18.10.2004 het betrokkene artikel nu juist zou miskennen. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van ‘artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten’ bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijkheid van het beroep betreffende dit onderdeel van het enig middel tot gevolg heeft. Betreffende de vermeende schending van het ‘artikel 10 van de Belgische grondwet’ laat de verwerende partij het volgende gelden. Verzoeker acht het voormeld ‘artikel 10 van de grondwet’ kennelijk geschonden omdat er in casu geen ‘gelijke berechtiging’ zou zijn, nu beweerdelijk ‘We meeste regularisatieaanvragen niet over huurcontracten beschikten en op uitdrukkelijk advies van sociale instanties en OCMW's aangespoord werden de huurcontracten te reconstitueren door de eigenaars verhuurders op te sporen en hen te vragen een huurcontract op te stellen', en dergelijke regularisatieaanvragen beweerdelijk wél zouden zijn toegekend, waarbij verzoeker ook stelt dat het toch ‘logisch [lijkt] dat na verloop van zovele jaren hierin materiële vergissingen werden begaan.’ Aangaande de gelijke behandeling stelt verzoeker ook: ‘De manier waarop de zaak werd behandeld voor de Commissie voor regularisatie met fundamentele ongelijkheid ten aanzien van de duizenden dossiers die 3 á 4 jaar voordien werden behandeld met humane ingesteldheid en goed begrip van de situatie van deze aanvragen, zijn kwetsend en tasten verzoeker aan in zijn rechten van verdediging en van gelijke en eerlijke behandeling.’ De verwerende partij merkt vooreerst op verzoeker op geen enkele wijze zijn beweringen als zouden vele huurcontracten naderhand zijn opgesteld, waarbij dan mede op basis van deze documenten tot regularisatie zou zijn overgegaan, op een afdoende wijze staaft. Geheel ten overvloede voegt de verwerende partij aan het bovenstaande nog toe dat de verwijzing van verzoeker naar ‘We duizenden dossiers’ naar haar oordeel ter zake niet dienend is. De wenselijkheid van het nastreven van een bepaalde eenheid in gelijkaardige zaken kan immers geen afbreuk doen aan de opdracht van de Kamers van de Commissie voor regularisatie en van de verwerende partij om het dossier van elke aanvrager op zijn eigen merites te beoordelen in functie van de kenmerken die het vertoont en de gemaakte vaststellingen betreffende de specificiteit van verzoekers situatie. In combinatie met de vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de vereiste van een onafgebroken verblijf in het Rijk van meer dan 6 jaar en kennelijk ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn talenkennis en zijn medische toestand, laat dit toe te stellen dat de Minister van Binnenlandse Zaken, geheel binnen de grenzen van de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid en beoordelingsruimte, terecht oordeelde dat verzoeker regularisatieaanvraag diende verworpen te worden en dat het gelijkheidsprincipe derhalve niet wordt miskend. De verwerende partij is de mening toegedaan dat verzoekers middel niet kan worden aangenomen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende stelt: “Geresumeerd poogt de verwerende partij de 3 rechtsgronden waarop huidig verzoek is gesteund, te ontkrachten.
- De abnormale duur verlopen sedert het indienen van de regularisatieaanvraag (25-1-2000) en de betekening van de beslissing genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken concluderende tot weigering (geschied op 1-12-2004), bedraagt niet minder dan 5 jaar. ‘Zulks betekent een flagrante overschrijding van een normaal 'redelijke' termijn van behandeling waarop ieder burger, verblijvende in België, onafgezien zijn nationaliteit, recht heeft. Verweerder kan zulks zeker niet ontkennen doch argumenteert dat het aanslepen van de procedure en het uitblijven van de beslissing niet te wijten is aan de Minister van Binnenlandse Zaken doch aan de 'penale klacht bij het Parket te Antwerpen'. XIV-21.488-8/13 Hoe dan ook is het abnormaal aanslepen van de behandeling te wijten aan de administratie van de Belgische Staat, weze het nu de Minister van Binnenlandse Zaken of de Federale Overheidsdienst Justitie. Het is al te gemakkelijk dat de ene Minister de fout afwentelt op de andere. Beiden vertegenwoordigen dezelfde Belgische Staat. Weze beklemtoond dat verzoeker door het Parket van de Procureur des Konings BUITEN VERVOLGING werd gesteld (seponering), zodat hieruit onomstootbaar blijkt dat hij geen enkele schuld treft in deze penale aangelegenheid.
- Schending van artikel 8 van de Conventie van de Mensenrechten. In zijn annulatieverzoekschrift omschrijft en preciseert verzoeker waarom deze schending wordt ingeroepen. Dit artikel voorziet het recht van ieder burger op een eerbiediging van zijn privé- en familieleven. Welnu: verzoeker woont onafgebroken in België sedert bijna 13 jaar (21 december 1992) en werkt onafgebroken waardoor zijn gezin, bestaande uit vrouw en 2 kinderen, die in Turkije verblijven, worden gesteund en onderhouden. Door het weigeren van de regularisatie van zijn verblijf wordt hem ipso facto zijn bron van inkomsten ontnomen wat een evidente onmiddellijke dramatische terugslag betekent op zijn privé- en familieleven (in casu zijn gezin).
- Schending van artikel 10 van de Grondwet. Het is evident dat, door de regularisatie te weigeren aan verzoeker, die sedert 1992 in België woont en WERKT, en van onberispelijke gedrag is, Zie tekstueel de passage van het advies van de Regularisatiecommissie: 'Over verzoeker is niets onregelmatigs bekend aan de Commissie welke kan vaststellend at verzoeker na het indien en van zijn aanvraag is willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit en dit op een ernstige en volhardende wijze blijkt te hebben gedaan en zich daarbij ook volledig in regel heeft gesteld op sociaal gebied.' Hierdoor afbreuk wordt gedaan van het principe van gelijke berechting. Dat verzoeker sedert 1992 in België verblijft, lijkt toch evident: - verzoeker deed in België een asielaanvraag op 21-12-1992; - verzoeker werd gehoord op 1-9-1993 op de dienst Vreemdelingenzaken; - tijdig werd dringend beroep aangetekend tegen de beslissing van weigering tot erkenning als politiek vluchteling op 9-9-1993; - tijdig werd een verzoek tot nietigverklaring van de weigeringsbeslissing ingediend bij de Raad van State (beslissing hem betekend op 18-5-1994); - uit het OCMW attest Antwerpen dd. 1-12-1994 blijkt dat verzoeker tussen 1-5-1993 en 30-5-1994 gesteund werd; - verzoeker is gekend door Dokter Rahman sedert 1995 en in behandeling bij hem sedert 20-8-1998 tot op heden (psychosomatische problemen). Dat voor wat zijn 6-jarig verblijf voor de datum van indiening van zijn regularisatieaanvraag expliciet kan worden verwezen naar de nota opgesteld door de diensten van de Commissie voor Regularisatie meer bepaald bladzijde 3, 4 en 5 rubriek 'analyse van het dossier'. 'Dat er reeds een eerdere aanwijzing is van verblijfvoor 1991; dat ook voor de volgende jaren aanwijzingen of meldingen inzake aanwezigheid bestaan: 1992, 1993, 1994, 1995, 199 7, 1998, 1999; dat het bewijs onder andere berust op een schrijven van een rechterlijke of administratieve overheid (D VZ.... politie, rijkswacht, gemeentelijke overheid of fiscale administratie ... )(stuk 3, 6, & 17). Schrijven van de post (stuk 16) Schrijven van de diplomatieke of consulaire vestiging in België (stuk 10) Schrijven van de apotheker (stuk 15) Schrijven van de geneesheer (stuk 8). Dat het bewijs geheel of deels berust op algemene en niet gedetailleerde verklaringen en getuigenissen, die niet objectief of nauwkeurig na te trekken zijn. Dat MEN KAN AANNEMEN op basis van de stukken dat er sprake was van een continu verblijf gedurende de VEREISTE PERIODE.' Dat alleen ingevolge een penale informatie nopens het attest van Dokter Rahman, de zaak toen niet kon worden behandeld. Dat naderhand is gebleken dat verzoeker geen enkele fout trof en buitenvervolging werd gesteld (zie brief Procureur des Konings dd. 26-5-2004). Dat er derhalve geen enkele reden meer kan bestaan, gelet op de positieve voorbereidende nota van de Commissie en het feit dat verzoeker buiten vervolging werd gesteld in de penale zaak, om de regularisatie te weigeren en kan alleen worden vastgesteld dat de Commissie zelf op ongelijke wijze ten overstaan van vergelijkbare dossiers, alhier negatief heeft geadviseerd.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en XIV-21.488-9/13 goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van artikel 10 van de Grondwet en van het principe van de “gelijke berechting”; van het beginsel van de redelijke termijn; dat de verzoekende partij aanvoert dat er een abnormaal lange termijn is verstreken tussen de regularisatieaanvraag op 25 januari 2000 en de beslissing die werd betekend op 1 december 2004; dat zij wel degelijk een ononderbroken verblijf in België kan doen gelden, voorafgaand aan de aanvraag, omdat zij a) op aansporing van sociale instanties en OCMW’s huurcontracten heeft gereconstrueerd en dat het logisch is dat er materiële vergissingen in sluipen, b) zij slechts een tiental dagen in Duitsland verbleven heeft in het jaar 1996 en c) zij ter zitting onverwachts medische uitleg moest verschaffen en ze daardoor zodanig overstuur was dat zij niet in staat was een deskundige medische uitleg te verschaffen; dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar de nota van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie waarin wordt overwogen dat “men kan aannemen op basis van de stukken dat er sprake was van een continu verblijf gedurende de vereiste periode”; dat de verzoekende partij aanvoert dat haar rechten van verdediging en het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn, omdat er duizenden dossiers zijn die drie à vier jaar voordien werden behandeld met een meer humane ingesteldheid; dat zij aanvoert dat zij in België werkt om haar gezin in Turkije te onderhouden en dat een weigering van regularisatie een schending inhoudt van artikel 8 van het E.V.R.M.; 2.
- Overwegende dat uit een brief van de Advocaat van de verzoekende partij van 11 augustus 2004, die zich in het administratief dossier bevindt, en uit de nota van de verwerende partij blijkt dat het dossier van de verzoekende partij in beslag werd genomen door het Antwerps parket naar aanleiding van een strafonderzoek; dat de verzoekende partij buiten vervolging werd gesteld op 4 maart 2003 en dat, volgens de Commissie voor regularisatie, het dossier op 31 maart 2004 terug vrijgegeven werd; dat het gerechtelijk onderzoek eerst moest worden afgehandeld vooraleer de regularisatieprocedure kon worden verdergezet; dat de vertraging bijgevolg niet kan worden toegeschreven aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat na vrijgave van het dossier het verloop van de procedure niet onredelijk lang heeft geduurd; dat de verzoekende partij door de Commissie voor regularisatie werd gehoord op 27 mei 2004; dat het advies van de Commissie dateert van 5 augustus 2004 en dat de bestreden beslissing werd genomen op 18 oktober 2004; dat hieraan wordt toegevoegd dat in het proces-verbaal van de zitting van 27 mei 2004 van de Commissie voor regularisatie het volgende werd genoteerd: “De advocaat krijgt de gelegenheid om nog stukken over te maken voor 17 juni
- Nadien zal de zaak in beraad worden genomen. De verdediging vraagt het advies niet te bezorgen voor augustus
- Liefst zo laat mogelijk.”; dat tenslotte artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) bepaalt dat feitelijk niet zal worden overgegaan tot verwijdering tot de dag waarop een negatieve beslissing werd genomen; dat de verzoekende partij bijgevolg geen nadeel heeft ondervonden door het verstrijken van de termijn; XIV-21.488-10/13 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat de huurcontracten die zij voorlegde, materiële vergissingen bevatten; dat de verzoekende partij erkent dat deze contracten achteraf zijn “gereconstrueerd”; dat in de bestreden beslissing op uitgebreide en gedetailleerde wijze wordt ingegaan op deze contracten en dat wordt opgemerkt dat twee van deze contracten een begindatum vermelden waarop de verzoekende partij zich nog niet in België bevond, en dat de vier contracten identiek zijn qua vorm; dat het niet onredelijk is dat de minister van Binnenlandse Zaken hieruit afleidt dat deze huurcontracten geen bewijs kunnen vormen van een ononderbroken verblijf van meer dan zes jaar op het grondgebied; Overwegende dat de verzoekende partij niet ontkent dat zij in de loop van 1996 in Duitsland verbleef; dat de verzoekende partij dit verblijf tracht te minimaliseren door te stellen dat dit slechts een tiental dagen duurde en dat zij daarna terugkwam naar België; dat in de bestreden beslissing evenwel wordt gesteld dat uit informatie verkregen bij de Duitse overheid blijkt dat de verzoekende partij Duitsland binnenkwam op 22 mei 1996 en het land verliet op 22 juli 1996; dat het niet onredelijk is dat de minister van Binnenlandse Zaken dit verblijf van twee maanden in Duitsland in aanmerking neemt om te stellen dat de ononderbroken aanwezigheid gedurende een periode van zes jaar voorafgaand aan januari 2000 niet wordt aangetoond; Overwegende dat de verzoekende partij beaamt dat zij tijdens de zitting van de Commissie voor regularisatie geen uitleg kon geven over haar doktersbehandeling; dat de uitleg van de verzoekende partij in het verzoekschrift niet opgaat; dat van een vreemdeling die een beroep wenst te doen op het gunstregime van de Regularisatiewet, en die als stavingsstuk onder meer een getuigschrift van een arts voorlegt dat deze arts hem sinds augustus 1998 behandelde, mag worden verwacht dat hij zich tijdens de zitting iets van deze behandeling herinnert; dat, ongeacht het zich herinneren van de details van de medische klachten, toch kan worden verwacht dat hij uitleg kan verschaffen over minstens één detail van de ziekte of de behandeling; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de verzoekende partij hierover na de zitting evenmin bijkomende gegevens heeft verstrekt; dat de minister van Binnenlandse Zaken, de drie voorgaande elementen in acht genomen, en met de toevoeging in de bestreden beslissing dat de overige stukken nauwelijks controleerbare privé-getuigenissen zijn en een aantal aankoopbewijzen die haar aanwezigheid tijdens de vereiste periode niet aantonen, op goede gronden heeft geoordeeld dat de verzoekende partij geen relevante stukken aanbrengt die een ononderbroken aanwezigheid gedurende een periode van zes jaar voorafgaand aan de aanvraag aantonen; Overwegende dat de nota van het onderzoekssecretariaat van 24 januari 2001 inderdaad vermeldt dat “men kan aannemen op basis van de stukken dat er sprake was van een continu verblijf gedurende de vereiste periode” (p. 5) maar dat in hetzelfde advies eveneens wordt vermeld dat “op basis van deze stukken, men moet XIV-21.488-11/13 besluiten dat er betwisting is over het verblijf (...) omdat hij geen bewijs van verblijf in België tussen 1 januari 1999 en 1 oktober 1999 aanbrengt”, dat “volgens het politierapport d.d. 6/3/2000, het adres van feitelijk verblijf eigenlijk een postadres is” en dat “er twijfels zijn betreffende de aankomstdatum van de aanvrager”; dat de verzoekende partij bijgevolg deze nota, waarvan het doel was om de aanvraag aanhangig te maken bij een kamer van de Commissie voor regularisatie voor nader onderzoek, niet kan gebruiken om aan te tonen dat zij voldoet aan de voorwaarde van een ononderbroken verblijf gedurende zes jaar; 2.
- Overwegende dat, wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, de verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens moet aantonen dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de overige regularisatieaanvragers waarmee zij zich vergelijkt; dat de verzoekende partij met een vage verwijzing naar “duizenden dossiers die 3 à 4 jaar voordien werden behandeld met humane ingesteldheid en goed begrip van de situatie” de schending van het gelijkheidsbeginsel niet kan hard maken; dat de tewerkstelling waarnaar de verzoekende partij verwijst dateert van na de regularisatieaanvraag, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden; dat de schending van de rechten van de verdediging niet met concrete gegevens wordt uiteengezet; 2.
- Overwegende dat de Regularisatiewet principieel een gunstmaatregel is en een uitzonderingswet die meer welomschreven omstandigheden en striktere voorwaarden bevat dan het gemeen recht vervat in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de beslissingen, genomen op basis van de Regularisatiewet, geen schending inhouden van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat, naast het feit dat deze beslissingen voorzien zijn bij wet, zoals bepaald in artikel 8, § 2, van het E.V.R.M., ze bestaan uit de weigering of de uitsluiting van een gunst die de staat niet verplicht was om toe te staan ter naleving van zijn internationale verplichtingen; dat de door artikel 8 van het E.V.R.M. beschermde situaties het voorwerp dienen uit te maken van een aanvraag om toelating of machtiging tot verblijf op basis van de Vreemdelingenwet;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-21.488-12/13 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-21.488-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.