← België

Arrest 162097 - - 30/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.097 Rolnummer: A. 166705/XIV-23753 Zaak: Arrest 162097 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 02:50 Fiche Arrest nr 162.097 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.097 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 166.705/XIV-23.753. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 april 1975 en van Turkse nationaliteit, op 7 oktober 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2005 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 6 april 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; XIV-23.753-1/9 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. Het secretariaat van de Commissie voor regularisatie heeft op 27 juli 2004 vastgesteld dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en de aanvraag met een negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken overgemaakt. 1.3. De Commissie voor regularisatie heeft aan de verzoekende partij op 27 juli 2004 meegedeeld dat het onderzoekssecretariaat een negatief advies had genomen en aan de verzoekende partij werd een termijn van drie dagen verleend om haar standpunt uiteen te zetten aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.4. Met een schrijven van 3 augustus 2004 heeft de verzoekende partij haar standpunt omtrent dit negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld. 1.5. Op 9 maart 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Bij beslissing van 24 augustus 2005 werd deze beslissing ingetrokken. Bij arrest van de Raad van State nr. 152.599 van 12 december 2005 werd het beroep tegen de beslissing van 9 maart 2005 zonder voorwerp verklaard. 1.6. Op 15 mei 2005 heeft de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). XIV-23.753-2/9 1.7. Op 23 mei 2005 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Bij arrest van de Raad van State nr. 156.205 van 10 maart 2006 werd het beroep tegen dit bevel zonder voorwerp verklaard. 1.8. Op 24 augustus 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie op basis van de Regularisatiewet verworpen. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Betreft: Het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december 1999 Langs deze weg wens ik u in kennis te stellen van het feit dat ik beslist heb mijn beslissing van 09 maart 2005 tot verwerping van uw verzoek tot regularisatie in te trekken. U zal onderstaand tevens mijn nieuwe beslissing met betrekking tot voormeld verzoek willen vinden. Ingevolge de wet van 22 december 1999 heb ik - na nieuwe studie van uw aanvraag - beslist toch uw verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand niet in te willigen en dit om volgende redenen. Het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het dossier van uw regularisatieaanvraag, ingediend bij de Burgemeester te Antwerpen, op 27 januari 2000 dat het nummer draagt, onvolledig was ten aanzien van de vereisten die in artikel 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk vervat zijn. In toepassing van artikel 12 par. 1 van dezelfde wet heeft het Secretariaat van de Commissie mij bijgevolg, voor beslissing, een negatief advies omtrent uw aanvraag bezorgd. Het heeft u tezelfdertijd, en nog steeds in toepassing van deze bepaling, eveneens een termijn van drie werkdagen toegestaan om uw standpunt bij aangetekend schrijven uiteen te zetten. Op 03 augustus 2004 heeft u aan deze uitnodiging gevolg gegeven door bij aangetekend schrijven via uw raadsman uw standpunt kenbaar te maken. Na lezing van dit schrijven ben ik echter tot de vaststelling gekomen dat de argumenten die u hierin aanhaalt niet van die orde zijn dat zij het advies van het Secretariaat van de Commissie ondermijnen. Via uw raadsman, de heer Moskofidis, laat u weten niet akkoord te kunnen gaan met het ongunstig advies van het Secretariaat en dat u bijgevolg wenst gehoord te worden door een Kamer van de Commissie. U bent namelijk van oordeel dat u kan bewijzen voldoende jaren in België aanwezig te zijn geweest en dat er in uwen hoofde duurzame sociale bindingen bestaan alsook humanitaire redenen om geregulariseerd te worden. Zo stelt u lange tijd gewerkt te hebben, niet afhankelijk te zijn van het OCMW, lessen Nederlands gevolgd te hebben en dergelijke meer. Echter dient opgemerkt dat de door u aangehaalde elementen nog steeds geen bewijs vormen van uw aanwezigheid van meer dan zes jaar in het Rijk vóór uw aanvraag tot regularisatie, zoals vereist bij artikel 9.91 van de wet van 22 december 1999. Deze elementen hebben namelijk allen betrekking op de periode na de aanvraag tot regularisatie waar uiteraard geen rekening mee kan gehouden worden. De door u aangehaalde argumenten ontkrachten bijgevolg op generlei wijze het negatief advies van het Secretariaat van de Commissie. Gelet op bovenstaande overwegingen heb ik aldus beslist het negatief advies van het Secretariaat te volgen en uw aanvraag tot regularisatie van uw verblijfstoestand te verwerpen. (...).”. 1.9. Op 20 september 2005 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Tegen dit bevel diende de verzoekende partij eveneens een beroep in. 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “

  1. a)Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur. o.a. het materiële motiveringsbe- ginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel XIV-23.753-3/9 Hoewel verzoeker reeds op 27/01/2000 een verzoek tot regularisatie in toepassing van artikel 2, 2' van de wet van 22/12/1999 had ingediend, nam verweerder pas op 24/08/2005 een beslissing hierover; zijnde méér dan 5 jaren en zes maanden later, hetgeen véél te laat is en onredelijk lang is. Rekeninghoudend met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ware het noodzakelijk dat de beslissing van de MINISTER uiterlijk binnen de 12 maanden was tussengekomen. Verzoeker heeft zich in die lange tussenperiode, sedert 2000 tot op heden, immers nog verder geïntegreerd ; heeft een normaal leven opgebouwd in België en heeft geen enkele band meer met zijn land van herkomst. De beslissing dd. 24/08/2005 schendt hierdoor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker is inmiddels de Nederlandse taal volledig machtig en heeft zeer hechte banden opgebouwd met talrijke inwoners in België. Verzoeker heeft bovendien een werkopleiding gevolgd bij de VDAB en heeft vervolgens bijna ononderbroken en op regelmatige wijze gewerkt. Verzoeker is dan ook van oordeel de MINISTER het redelijkheidsbeginsel miskend heeft. De MINISTER heeft niet alleen onvoldoende rekening gehouden met de door verzoeker aangehaalde argumenten zoals uiteengezet in het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman teneinde zijn aanvraag op grond van de wet van 22/12/1999 ontvankelijk en gegrond te verklaren; maar heeft bovendien op een aantal terechte argumenten van verzoeker niet geantwoord. De MINISTER heeft geenszins de vereiste belangenafweging gedaan dewelke door een redelijk denkend mens in deze zelfde omstandigheden wél zou gedaan zijn ; zodat de voorwaarde van een wettige uitoefening van de beleidsvrijheid door het Ministerie in casu niet is vervuld. Minstens is er in casu sprake dat er m.b.t. het overheidsoptreden twijfel bestaat. Gelet op de door verzoeker uitgewerkte argumenten in het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman alsmede de bijgevoegde stavingsstukken (1 t.e.m. 15) kon het Ministerie niet in redelijkheid komen tot de door haar genomen beslissing. Aangezien verzoeker MINSTENS sedert januari 2000 tot op heden in België heeft verbleven, mag worden verondersteld dat er thans duurzame sociale bindingen zijn ontstaan en dat er humanitaire redenen zijn om zijn verblijf in België te regulariseren. De in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens zijn totaal onverenigbaar met het door het Ministerie genomen besluit.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel ‘Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel.’ Verzoeker stelt dat er onredelijk lang werd gewacht met het geven de beslissing over de regularisatieaanvraag die werd ingediend op 27 januari 2000. Tijdens die lange tussenperioden heeft verzoeker zich verder geïntegreerd, een normaal leven opgebouwd in België en heeft hij geen enkele band meer met Turkije. Hij heeft een werkopleiding gevolgd, kent Nederlands en werkt bijna ononderbroken en op regelmatige basis. Verzoeker argumenteert als zou de minister niet op alle argumenten hebben geantwoord. De aanwezigheid sinds januari 2000 veronderstelt het ontstaan van duurzame sociale bindingen. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat de argumenten die verzoeker aanvoert ter staving van het vierde criterium van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk betrekking moeten hebben op de periode van minstens zes jaar ononderbroken verblijf voor het indienen van de aanvraag op 27 januari 2000 en niet op de periode na januari 2000. De stukken die verzoeker aan zijn regularisatieaanvraag toevoegde, tonen de aanwezigheid aan sinds april 1999. Hij kan dienvolgens onmogelijk voorhouden ononderbroken aanwezig te zijn geweest sinds 1994 . Verzoeker, die alleenstaande is, moet immers een ononderbroken aanwezigheid aantonen van zes jaar, periode die moet voleindigd zijn in januari 2000. De opmerkingen die verzoeker via zijn advocaat overmaakte als reactie op het advies van het onderzoekssecretariaat, hebben betrekking op de periode na het indienen van de regularisatieaanvraag en kunnen derhalve niet worden in aanmerking genomen, daar moet voldaan zijn aan de voorwaarden op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Het middel is daardoor niet ernstig.” XIV-23.753-4/9 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, en van de materiële motivering; 2.1.4. Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij aanvoert dat zij zich in de lange periode tussen haar regularisatieaanvraag en de beslissing van de minister verder heeft geïntegreerd, artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), uitdrukkelijk vermeldt dat de regularisatiecriteria moeten vervuld zijn op het ogenblik van de aanvraag, in casu op 27 januari 2000; dat het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken meer dan vijf jaar later een eindbeslissing neemt, hieraan niets afdoet; dat hierover anders beslissen, een miskenning zou inhouden van de bedoeling van de Regularisatiewet, die een gunstmaatregel inhoudt voor bepaalde categorieën van vreemdelingen; dat de redenering van de verzoekende partij, dat zij door het uitblijven van een beslissing een recht op regularisatie zou verwerven, dan ook indruist tegen het voormelde gunstregime van de Regularisatiewet; dat de schending van het redelijkheidsbe- ginsel niet kan worden aangenomen; 2.1.5. Overwegende dat de brief van de Advocaat van de verzoekende partij van 3 augustus 2004 melding maakt van een tewerkstelling op regelmatige basis, met name in een kippenslachterij in Genk en daarna bij het bedrijf Frozen Fresh Food in Hasselt, dat de verzoekende partij sinds begin 2002 inwoont bij haar neef in Genk en deel uitmaakt van het gezin, dat zij daarvoor meerdere jaren in Antwerpen woonde, en dat zij de voorbije jaren een beroepsopleiding heeft gevolgd, alsook lessen Nederlands; dat deze brief een antwoord uitmaakt op het negatief advies van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie, waarin werd gesteld dat de verzoekende partij geen verklaring geeft dat zij geen wettig verblijf bewijst en evenmin een verklaring betreffende een bevel om het grondgebied te verlaten toevoegt, dat er een vermoeden is dat de verzoekende partij België binnenkwam op 9 april 1999, dat er aanwijzingen zijn dat de verzoekende partij in België was in 1999 en dat er maar één niet na te trekken getuigenverklaring is dat de verzoekende partij in het jaar 1996 in België was, dat wat de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen betreft, de verzoekende partij enkel getuigenissen voorlegt waaruit zou moeten blijken dat zij in België verbleef en er relaties heeft ontwikkeld, en dat deze aanwijzingen onvoldoende zijn; Overwegende dat hieruit blijkt dat in het negatief advies van het onderzoekssecretariaat klaar en duidelijk de redenen werden opgegeven waarom het advies negatief was; dat de Advocaat van de verzoekende partij in zijn schrijven als antwoord hierop melding maakt van tewerkstelling en het behoren tot een gezin sinds 2002; dat de overweging in de bestreden beslissing dat de argumenten die de verzoekende partij in het schrijven van 3 augustus 2004 heeft aangehaald “niet van die orde zijn dat zij het advies van het secretariaat van de Commissie ondermijnen”, omdat “de door u aangehaalde elementen XIV-23.753-5/9 nog steeds geen bewijs vormen van uw aanwezigheid van meer dan zes jaar in het Rijk vóór uw aanvraag tot regularisatie (...). Deze elementen hebben namelijk allen betrekking op de periode na de aanvraag tot regularisatie waar uiteraard geen rekening mee kan gehouden worden. De door u aangehaalde argumenten ontkrachten bijgevolg op generlei wijze het negatief advies van het Secretariaat van de Commissie” bijgevolg op goede gronden berust; dat de verzoekende partij bovendien in het verzoekschrift niet betwist dat zij niet voldoet aan de voorwaarde van een aanwezigheid in België die op het moment van de regularisatieaan- vraag teruggaat tot meer dan zes jaar, zoals voorzien in artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; dat in dit verband tevens wordt verwezen naar de analyse van het tweede middel; dat de schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, en het beginsel van de materiële motivering niet kunnen worden aangenomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “
  2. b)Schending van de artikelen 2 + 3 wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen . schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Het MINISTERIE heeft zich er ten onrechte toe beperkt te stellen dat de door verzoeker aangehaalde elementen ‘nog steeds geen bewijs vormen van zijn aanwezigheid van meer dan zes jaar in het Rijk vóór zijn aanvraag tot regularisatie’. Uit de door het MINISTERIE gegeven loutere opsomming ( Zo stelt U lange tijd gewerkt te hebben ; niet afhankelijk te zijn van het OCMW, lessen Nederlands gevolgd te hebben en dergelijke meer) blijkt niet dat de MINISTER in zijn bestreden beslissing van niet-ontvankelijk- heid een behoorlijk onderzoek heeft gedaan van de door verzoeker aangevoerde feiten. Het MINISTERIE heeft ten onrechte de aanvraag tot regularisatie van zijn verblijf geweigerd, gezien zij niet alle gegevens van zijn dossier in acht heeft genomen. Alzo heeft de MINISTER niet geantwoord op het feit dat verzoeker tijdens zijn verblijf in België samenwoonde met zijn zus en haar echtgenoot en dat hij deel uitmaakt van hun gezin op het adres 3600 Genk. Verzoeker is bovendien op regelmatige basis tewerkgesteld geweest. In het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman was tevens een kopij van zijn arbeidsovereenkomst bijgevoegd. Verzoekers werkgever is uitermate tevreden over zijn geleverde arbeidsprestaties. Ook over dit onderdeel van verzoeksters regularisatieaanvraag heeft de MINISTER niet voldoende geantwoord. De beslissing van de MINISTER houdt dan ook een schending in van de motiveringsplicht wegens een gebrekkige motivering. Door te weigeren om zijn verblijf te regulariseren heeft de MINISTER een beoordelingsfout begaan. De beslissing dd. 24/08/2005 van verweerder dient dan ook te worden vernietigd.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Tweede middel: ‘Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen schending van artikel 62 van vreemdelingenwet.’ Volgens verzoeker zou niet zijn geantwoord op het feit dat verzoeker in zijn reactie op het negatieve advies van het onderzoekssecretariaat had aangegeven dat hij tijdens zijn verblijf deel uitmaakt van het gezin van zijn zus en haar echtgenoot en op regelmatige wijze is tewerk gesteld geweest. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat de basis voorwaarde om te kunnen genieten van het voordeel van de regularisatie, de onafgebroken aanwezigheid gedurende zes jaar is, voorafgaand aan de aanvraag, die uiterlijk in januari 2000 kon worden ingediend. XIV-23.753-6/9 Verzoeker spreekt niet tegen en bewijst ook niet ononderbroken aanwezig te zijn geweest op Belgisch grondgebied sinds 1994. Het administratief dossier bevestigt daarenboven de binnenkomst in april 1999. In die omstandigheid kan de integratie die verzoeker vooropstelt, en die tot stand kwam na en vanaf april 1999, niet in overweging worden genomen. Voor zover verzoeker zou wijzen op de rechten die hij zou kunnen putten uit het samenleven met zijn zus en diens gezin, verwijst de verwerende partij naar het gegeven dat de regularisatie- wet kadert in de immigratie problematiek waaromtrent de soevereine staat beslissingsmacht behoudt en de regelgeving uitvaardigt. Verzoeker voldoet duidelijk niet aan de wettelijke voorwaarden die werden vooropgesteld om te kunnen genieten van de uitzonderlijke mogelijkheid die werd geboden door de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Het middel is niet ernstig.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken niet alle gegevens van het dossier in acht heeft genomen, met name de tewerkstelling van de verzoekende partij en het feit dat zij met haar zus en haar echtgenoot samenwoonde en deel uitmaakte van hun gezin; 2.2.4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op beslissingen die werden genomen in het kader van de Regularisatiewet; Overwegende dat, wat de regularisatieaanvraag op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet betreft, uit de samenlezing van dit artikel en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet (onder meer een bewijs dat zijn aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar), alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één XIV-23.753-7/9 van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat de verzoekende partij niet betwist dat zij niet voldoet aan de vereiste van een aanwezigheid in België die op het moment van de regularisatieaanvraag teruggaat tot meer dan zes jaar; dat de verzoekende partij evenmin aanvoert dat zij wel zou voldoen aan één van de andere voorwaarden van artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken zich bijgevolg kon beperken tot de verwijzing naar het feit dat de door de verzoekende partij aangehaalde argumenten nog steeds geen bewijs vormen van haar aanwezigheid van meer dan zes jaar in het Rijk vóór haar aanvraag tot regularisatie; dat de minister van Binnenlandse Zaken hier nog aan toevoegt dat de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten allemaal betrekking hebben op de periode na de aanvraag, waardoor er geen rekening mee kan worden gehouden; dat de minister van Binnenlandse Zaken bijgevolg niet specifiek op elk van de argumenten betreffende de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen moest antwoorden, en dat de motieven van de bestreden beslissing volstaan en afdoende, pertinent en deugdelijk zijn; dat het tweede middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-23.753-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-23.753-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.