id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.098 Rolnummer: A. 166917/XIV-23813 Zaak: Arrest 162098 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 02:51 Fiche Arrest nr 162.098 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.098 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 166.917/XIV-23.813. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 april 1975 en van Turkse nationaliteit, op 17 oktober 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 september 2005 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 6 april 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-23.813-1/6 Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. XXX heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. Het secretariaat van de Commissie voor regularisatie heeft op 27 juli 2004 vastgesteld dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en de aanvraag met een negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken overgemaakt. 1.3. De Commissie voor regularisatie heeft aan de verzoekende partij op 27 juli 2004 meegedeeld dat het onderzoekssecretariaat een negatief advies had genomen en aan de verzoekende partij werd een termijn van drie dagen verleend om haar standpunt uiteen te zetten aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.4. Met een schrijven van 3 augustus 2004 heeft de verzoekende partij haar standpunt omtrent dit negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld. 1.5. Op 9 maart 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Bij beslissing van 24 augustus 2005 werd deze beslissing ingetrokken. Bij arrest van de Raad van State nr. 152.599 van 12 december 2005 werd het beroep tegen de beslissing van 9 maart 2005 zonder voorwerp verklaard. 1.6. Op 15 mei 2005 heeft de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). XIV-23.813-2/6 1.7. Op 23 mei 2005 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Bij arrest van de Raad van State nr. 156.205 van 10 maart 2006 werd het beroep tegen dit bevel zonder voorwerp verklaard. 1.8. Op 24 augustus 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie op basis van de Regularisatiewet verworpen. Bij arrest nr. 162.097 van 30 augustus 2006 werd het beroep tegen deze beslissing verworpen. 1.9. Op 20 september 2005 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven als volgt luiden: “(...) Reden van de beslissing - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al.1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: - De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 24.08.2005 (...).”. 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “
- a)Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur. o.a. het materiële motiveringsbe- ginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel Hoewel verzoeker reeds op 27/01/2000 een verzoek tot regularisatie in toepassing van artikel 2, 2' van de wet van 22/12/1999 had ingediend, nam verweerder pas op 24/08/2005 een beslissing hierover; zijnde méér dan 5 jaren en zes maanden later, hetgeen véél te laat is en onredelijk lang is. Rekeninghoudend met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ware het noodzakelijk dat de beslissing van de MINISTER uiterlijk binnen de 12 maanden was tussengekomen. Verzoeker heeft zich in die lange tussenperiode, sedert 2000 tot op heden, immers nog verder geïntegreerd ; heeft een normaal leven opgebouwd in België en heeft geen enkele band meer met zijn land van herkomst. De beslissing dd. 24/08/2005 schendt hierdoor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker is inmiddels de Nederlandse taal volledig machtig en heeft zeer hechte banden opgebouwd met talrijke inwoners in België. Verzoeker heeft bovendien een werkopleiding gevolgd bij de VDAB en heeft vervolgens bijna ononderbroken en op regelmatige wijze gewerkt. Verzoeker is dan ook van oordeel de MINISTER het redelijkheidsbeginsel miskend heeft. De MINISTER heeft niet alleen onvoldoende rekening gehouden met de door verzoeker aangehaalde argumenten zoals uiteengezet in het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman teneinde zijn aanvraag op grond van de wet van 22/12/1999 ontvankelijk en gegrond te verklaren; maar heeft bovendien op een aantal terechte argumenten van verzoeker niet geantwoord. De MINISTER heeft geenszins de vereiste belangenafweging gedaan dewelke door een redelijk denkend mens in deze zelfde omstandigheden wél zou gedaan zijn ; zodat de voorwaarde van een wettige uitoefening van de beleidsvrijheid door het Ministerie in casu niet is vervuld. Minstens is er in casu sprake dat er m.b.t. het overheidsoptreden twijfel bestaat. Gelet op de door verzoeker uitgewerkte argumenten in het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman alsmede de bijgevoegde stavingsstukken (1 t.e.m. 15) kon het Ministerie niet in redelijkheid komen tot de door haar genomen beslissing. XIV-23.813-3/6 Aangezien verzoeker MINSTENS sedert januari 2000 tot op heden in België heeft verbleven, mag worden verondersteld dat er thans duurzame sociale bindingen zijn ontstaan en dat er humanitaire redenen zijn om zijn verblijf in België te regulariseren. De in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens zijn totaal onverenigbaar met het door het Ministerie genomen besluit.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel.’ Verzoeker stelt dat er onredelijk lang werd gewacht met het geven de beslissing over de regularisatieaanvraag die werd ingediend op 27 januari 2000. Tijdens die lange tussenperioden heeft verzoeker zich verder geïntegreerd, een normaal leven opgebouwd in België en heeft hij geen enkele band meer met Turkije. Hij heeft een werkopleiding gevolgd, kent Nederlands en werkt bijna ononderbroken en op regelmatige basis. Verzoeker argumenteert als zou de minister niet op alle argumenten hebben geantwoord. De aanwezigheid sinds januari 2000 veronderstelt het ontstaan van duurzame sociale bindingen. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat verzoeker hierbij hetzelfde middel voorstelt als ter gelegenheid van de procedure gekend onder het nummer G/A 166.705 / XIV - 23.753. Het middel staat niet in rechtstreeks verband met het bestreden bevel, waarvan de eventuele schorsing geen soelaas zou brengen omdat de verwerende partij niet anders dan een nieuw bevel zou kunnen betekenen, gezien de illegale verblijfstoestand. Het middel is niet ontvankelijk, minstens niet ernstig.”; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “
- b)Schending van de artikelen 2 + 3 wet van 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen . schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Het MINISTERIE heeft zich er ten onrechte toe beperkt te stellen dat de door verzoeker aangehaalde elementen ‘nog steeds geen bewijs vormen van zijn aanwezigheid van meer dan zes jaar in het Rijk vóór zijn aanvraag tot regularisatie’. Uit de door het MINISTERIE gegeven loutere opsomming ( Zo stelt U lange tijd gewerkt te hebben ; niet afhankelijk te zijn van het OCMW, lessen Nederlands gevolgd te hebben en dergelijke meer) blijkt niet dat de MINISTER in zijn bestreden beslissing van niet-ontvankelijk- heid een behoorlijk onderzoek heeft gedaan van de door verzoeker aangevoerde feiten. Het MINISTERIE heeft ten onrechte de aanvraag tot regularisatie van zijn verblijf geweigerd, gezien zij niet alle gegevens van zijn dossier in acht heeft genomen. Alzo heeft de MINISTER niet geantwoord op het feit dat verzoeker tijdens zijn verblijf in België samenwoonde met zijn zus en haar echtgenoot en dat hij deel uitmaakt van hun gezin op het adres 3600 Genk. Verzoeker is bovendien op regelmatige basis tewerkgesteld geweest. In het schrijven dd. 03/08/2004 van zijn raadsman was tevens een kopij van zijn arbeidsovereenkomst bijgevoegd. Verzoekers werkgever is uitermate tevreden over zijn geleverde arbeidsprestaties. Ook over dit onderdeel van verzoeksters regularisatieaanvraag heeft de MINISTER niet voldoende geantwoord. De beslissing van de MINISTER houdt dan ook een schending in van de motiveringsplicht wegens een gebrekkige motivering. Door te weigeren om zijn verblijf te regulariseren heeft de MINISTER een beoordelingsfout begaan. De beslissing dd. 24/08/2005 van verweerder dient dan ook te worden vernietigd.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen - schending van artikel 62 van vreemdelingenwet.’ Ook het tweede middel staat niet rechtstreeks in verband met het bestreden bevel. XIV-23.813-4/6 Het middel is niet ontvankelijk, minstens niet ernstig.”; 2.3 Overwegende dat de middelen die de verzoekende partij aanvoert, gericht zijn tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2005 tot weigering van regularisatie; dat het beroep tegen deze beslissing werd verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 162.097 van 30 augustus 2006; dat het verzoekschrift geen middelen bevat die gericht zijn tegen het bestreden bevel; dat, gelet op de verwerping van het beroep tegen de beslissing tot weigering van regularisatie, ook het beroep tegen het bevel, dat steunt op deze beslissing, dient te worden verworpen; dat de middelen niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen leiden; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-23.813-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-23.813-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div