← België

Arrest 162101 - - 30/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.101 Rolnummer: A. 107650/XIV-5604 Zaak: Arrest 162101 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 02:51 Fiche Arrest nr 162.101 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.101 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 107.650/XIV-5604 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DELFORGE, kantoor houdende te 5000 NAMEN, Rue des Tanneries 13 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 januari 1976 en van Kongolese nationaliteit, op 18 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HENDRICKX die, loco Advocaat M. DELFORGE, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché XIV-5604-1/10 D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat N. LUCAS die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  4. De verzoekende partij komt België binnen op 11 november 1999 en verklaart zich vluchteling op 16 november
  5. 1.
  6. Op 14 maart 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 18 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Ingevolge uw dringend beroep betreffende de weigering van verblijf ingediend op 17 maart 2000 heeft de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de eer U de volgende beslissing mede te delen: ‘Betrokkene werd verhoord op 12 september 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Mbungani Enanga. Betrokkene verklaarde de Kongolese (Democratische Republiek Kongo) nationaliteit te bezitten, te behoren tot de Mungo-etnie en afkomstig te zijn uit Kinshasa. Toen tijdens het academiejaar 1998-1999 aan de universiteit van Kinshasa veel lessen in het water vielen, organiseerde betrokkene een protestmars van studenten op 11 mei 1999 en een tweede een tweetal weken later, om een volwaardig academiejaar te eisen. Tussen de twee marsen door werd hij hierover op het matje geroepen door de ‘garde universitaire’. In juli 1999 ging hij een maand naar Zuid-Afrika om zich te laten verzorgen voor een maagprobleem. Begin augustus 1999 werd hij, enkele dagen na zijn terugkeer in Kongo, thuis opgepakt door militairen die hem vroegen waarom hij naar Zuid-Afrika was gegaan, hem het opzetten van de marsen verweten en hem voor de voeten wierpen dat hij een Rwandese vriendin had wat sinds juni 1997 ook het geval was, maar zij was sinds december 1997 in Zuid-Afrika-, en hem er om die redenen van beschuldigden een tegenstander van het bewind te zijn. Betrokkene ontkende maar werd niettemin drie weken in de Demiap-gevangenis in Kitarnbo (Kinshasa) opgesloten, waar hij fel werd mishandeld. Drie dagen na zijn vrijlating werd hij weer opgepakt en nu in het Tshatshi- kamp opgesloten. Na een kleine week werd hij na tussenkomst van zijn peter, de priester M., ook hieruit vrijgelaten. M. nam betrokkene mee naar zijn klooster en op 10 november 1999 reisde hij samen met betrokkene naar België waar ze -de volgende dag aankwamen. Betrokkene vroeg er op 16 november 1999 asiel aan. Er dient te worden vastgesteld dat betrokkene niet aannemelijk kan maken dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie bestaat. Betrokkene baseert de door hem ingeroepen vrees op de aan zijn adres geuite beschuldiging een tegenstander van het regime te zijn omdat hij de studentenprotestmarsen had georganiseerd, een Rwandese vriendin had en een reis naar Zuid-Afrika had gemaakt. De Kongolese autoritei- ten hadden echter kennelijk niet de bedoeling betrokkene om deze redenen daadwerkelijk te (blijven) vervolgen, aangezien ze hem tweemaal na respectievelijk drie weken en vijf of zes dagen zonder meer uit de gevangenis vrijlieten, waarbij ze de eerste keer zelfs uitdrukkelijk tot de bevinding waren gekomen dat betrokkene niets kon worden aangewreven (cf. verhoor door XIV-5604-2/10 het Commissariaat-generaal, dd. 12 september 2000, p. 8). De ingeroepen motieven wegen hoe dan ook te licht om een actuele vrees voor vervolging te rechtvaardigen. Een studentenprotest tegen een slecht georganiseerd academiejaar en een reis om medische redenen naar Zuid-Afrika kunnen inderdaad bezwaarlijk als regimebedreigend worden beschouwd of door het regime als dusdanig gepercipieerd, zodat ze tot vervolging aanleiding zouden kunnen geven. Betrokkenes Rwandese vriendin was sinds december 1997 niet meer in Kongo geweest en bezorgde hem in september 1998, bij zijn terugkeer uit Zuid-Afrika, toen er een ware klopjacht tegen de Rwandezen woedde, en tot augustus 1999 kennelijk geen enkele moeilijkheid, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat betrokkene hierom tot op heden zou worden geviseerd. Enkele tegenstrijdige verklaringen ondermijnen bovendien de geloofwaardigheid van betrokkenes relaas. Zo stelde hij tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal. dat de eerste door hem georganiseerde studentenmars, die van 11 mei 1999, ongeveer vijftig studenten op de been bracht (cf. verhoor, p. l), terwijl hij ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken van een tiental sprak (cf. verhoor dd. 14 maart 2000). Nog tijdens dit laatste verhoor verklaarde hij dat hij na zijn tweede vrijlating ‘een vriend, pater M., ging opzoeken’, terwijl hij ten aanzien van het Commissariaat-generaal verklaarde dat M. tijdens deze tweede gevangenschap de gevangenisautoriteiten gecontacteerd had om hem vrij te krijgen en hem van daaruit naar zijn klooster bracht (cf. verhoor, p. 10). De door betrokkene voorgelegde documenten vermogen niet aan voorgaande vaststellingen iets te veranderen omdat zij absoluut niets zeggen over de door betrokkene aangehaalde feiten. Het gaat om een attest van de immobiliëngroep Groupimmo (dd. 12 december 1977), een bewijs van concessiehouderschap van een perceel op naam van betrokkenes familie (dd. 9 januari 1986), een ingebrekestelling vanwege het 'Institut des Jardins Zoologiques et Botaniques’ (dd. 29 november 1999) aan het adres van de huurders van dit pand, een persbericht (dd. 23 december 1999) van dit instituut over het pand, een waarschuwingsbrief (dd. 13 januari 2000) van het genoemde instituut aan de huurders, een brief (dd. 21 januari 2000) van het presidentiële kabinet aan de gouverneur van Kinshasa over het pand, een nota (dd. 4 februari 2000) van dit instituut aan de huurders, een brief (dd. 10 februari 2000) van advocaat Onya- Luseke tegen de uitzetting van betrokkenes familie uit dit perceel ten voordele van het instituut, een oproeping (dd. 18 februari 2000) aan dit instituut om voor de rechtbank van eerste aanleg van Kinshasa/Gombe te verschijnen en twee waarschuwingsbrieven van respectievelijk 1 en 15 maart 2000 van het instituut aan de huurders. Bij gebrek aan relevante documenten kunnen noch betrokkenes reisweg, noch zijn ware identiteit worden nagegaan. Ten slotte bevat betrokkenes verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 14 maart
  8. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.’ (...)”.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Pris de la violation de l'article 1 de la Convention Internationale de Genève, des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs, et de la violation de l'article 52 § 1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'entrée sur le territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et pris de l'erreur manifeste d'appréciation; Première branche XIV-5604-3/10 En ce que la seconde partie adverse fonde sa décision sur le fait que la demande d'asile est manifestement non fondée, le requérant n'ayant prétendument pas fourni assez d'éléments: ‘Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève.’ Alors que le requérant a fourni un récit cohérent exempt de contradictions fondamentales ce dont il a la charge en matière de demande d'asile; Seconde branche En ce que la seconde partie adverse porte dès le stade de la recevabilité un jugement sur le fond et apprécie les craintes alléguées; En effet, la seconde partie adverse a estimé que les autorités congolaises n'avaient pas manifestement l'intention de persécuter fortement le requérant dans la mesure où ils l'ont relâché à deux reprises après trois semaines d'emprisonnement la première fois et après 5 à 6 jours de privation de liberté la seconde fois. Ce faisant la seconde partie adverse a pris en considération l'existence de deux emprisonnements arbitraires dont a été victime le requérant pour estimer qu'il ne s'agissait par de persécution au sens de la Convention de Internationale de Genève; La seconde partie adverse a donc examiné le fond de la demande puisqu'elle a déjà porté un jugement sur la persécution subie par le requérant (deux emprisonnements); Alors que tant l'article 1 de la Convention Internationale de Genève que l'article 52§1 de la loi du 15 décembre 1980 permettent respectivement à l'Etat d'organiser une procédure d'examen de la recevabilité des demandes d'asile et à l'administration de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile, de la cohérence, de la constance, de la vraisemblance et du caractère circonstancié des récits du candidat réfugie; Qu'en l'occurrence la seconde partie adverse n'a pas remis en cause la cohérence et la constance du récit du requérant, puisque bien qu'ayant épinglé deux contradictions minimes elle n'a pas estime que celles-ci étaient suffisantes pour conclure au caractère frauduleux de la demande d'asile; Qu'en outre la seconde partie adverse a estimé que le récit du requérant était suffisamment crédible pour fonder sa décision sur le fait que les autorités congolaises ayant relâché le requérant à deux reprises, elles ne pouvaient le considérer comme une véritable menace pour le régime; Que ce faisant la seconde partie adverse a examiné le fond de la demande d'asile pour justifier son refus alors que la demande satisfait aux conditions de recevabilité; Qu'elle a donc outrepassé ses pouvoirs et motive sa décision de manière inadéquate; Que le moyen est fondé.”; 2.
  11. Overwegende dat de eerste verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen; 2.
  12. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende stelt: “Een eerste en enig middel wordt geput uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève, van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingén, van artikel 52§1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de Vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een manifeste appreciatiefout. De verwerende partij sluit zich aan bij het verweer van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten, dat gepaard gaat met de bestreden beslissing en waaromtrent de dienst vreemdelingenzaken de verantwoordelijkheid draagt qua uitvoering, wordt geen middel ontwikkeld.”; 2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert als volgt: “Het enige middel wordt gebaseerd op de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève, van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een manifest appreciatiefonds. XIV-5604-4/10 In haar memorie van antwoord beperkt de eerste partij zich daartoe naar het verweer van de tweede tegenpartij te verwijzen, waarbij zij nochtans verduidelijkt dat het enige middel geenszins het bevel het grondgebied te verlaten beoogt; Dat gelet op de rechtszekerheid en rekening gehouden met haar discretionaire macht er derhalve reden was om de eerste partij in het geding te betrekken; Aangezien de tweede tegenpartij geen enkele memorie van antwoord heeft ingediend; Dat de verzoeker de argumentatie, die in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring ontwikkeld wordt, bevestigt; Dat, daarenboven, de tweede tegenpartij een duidelijke vergissing van appreciatie heeft gemaakt als ze beoordeelt dat twee lange periodes van willekeurige vrijheidsberoving geen ernstige gronden van vermoeden uitmaken voor-een Vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Dat het enige middel gegrond is.”; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, §1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij tevens een manifeste appreciatiefout opwerpt; 2.
  1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiele motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-5604-5/10 2.
  2. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie ertoe strekt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingenstatuut dienen te verlenen; dat de staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie de verplichting hebben om in hun nationale wetgeving een procedure uit te werken, waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden een kandidaat- vluchteling het verblijf kan worden geweigerd, en onder welke voorwaarden hij of zij kan worden teruggeleid naar zijn of haar land van herkomst, of kan worden uitgezet; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft besloten omdat: - de verzoekende partij niet aannemelijk kan maken dat er, wat haar betreft, een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie bestaat; - de verzoekende partij de door haar ingeroepen vrees baseert op de aan haar adres geuite beschuldiging een tegenstander van het regime te zijn omdat zij de studentenprotestmarsen had georganiseerd, een Rwandese vriendin had en een reis naar Zuid-Afrika had gemaakt; - de Kongolese autoriteiten echter kennelijk niet de bedoeling hadden haar om deze redenen daadwerkelijk te (blijven) vervolgen, aangezien ze haar tweemaal na respectievelijk drie weken en vijf of zes dagen zonder meer uit de gevangenis vrijlieten, waarbij ze de eerste keer zelfs uitdrukkelijk tot de bevinding waren gekomen dat de verzoekende partij niets kon worden aangewreven; - de ingeroepen motieven hoe dan ook te licht wegen om een actuele vrees voor vervolging te rechtvaardigen; een studentenprotest tegen een slecht georganiseerd academiejaar en een reis om medische redenen naar Zuid-Afrika bezwaarlijk als regimebedreigend kunnen beschouwd worden of door het regime als dusdanig gepercipieerd, zodat ze tot vervolging aanleiding zouden kunnen geven; de Rwandese vriendin van de verzoekende partij sinds december 1997 niet meer in Kongo was geweest en de verzoekende partij in september 1998, bij haar terugkeer uit Zuid-Afrika, toen er een ware klopjacht tegen de Rwandezen woedde, en tot augustus 1999 kennelijk geen enkele moeilijkheid bezorgde, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat de verzoekende partij hierom tot op heden zou worden geviseerd; XIV-5604-6/10 - enkele tegenstrijdige verklaringen bovendien de geloofwaardigheid van haar relaas ondermijnen; de verzoekende partij tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal stelde dat de eerste door haar georganiseerde studentenmars, die van 11 mei 1999, ongeveer vijftig studenten op de been bracht, terwijl ze ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken van een tiental sprak; ze tijdens dit laatste verhoor verklaarde dat ze na haar tweede vrijlating “een vriend, pater M.i, ging opzoeken”, terwijl ze ten aanzien van het Commissariaat- generaal verklaarde dat M. tijdens deze tweede gevangenschap de gevangenisautoriteiten gecontacteerd had om haar vrij te krijgen en haar van daaruit naar zijn klooster bracht; - de door de verzoekende partij voorgelegde documenten niet aan voorgaande vaststellingen iets vermogen te veranderen omdat zij absoluut niets zeggen over de door haar aangehaalde feiten; - bij gebrek aan relevante documenten kunnen noch haar reisweg, noch haar identiteit worden nagegaan; - het verzoekschrift van de verzoekende partij tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element bevat dat de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken vermag te wijzigen; 2.
  2. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie, zoals reeds hoger werd gesteld, aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de minister op grond van artikel 52, §1, 2/ en artikel 52, § 1, 2/ van de Vreemdelingenwet kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van voormelde wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet zal worden toegestaan in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de vreemdeling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 52, §1, 2/ tot 5/ en 7/ van voormelde wet; dat de Commissaris-generaal, die een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing behandelt, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat de Commissaris-generaal in casu op grond van de hem XIV-5604-7/10 toegekende bevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar deze stelt dat de Commissaris-generaal zich heeft uitgesproken over de grond van de zaak door te stellen dat de gevangenneming geen vervolging uitmaakt in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat immers de afwijzing van een aanvraag op grond van inhoudelijke elementen reeds een onderzoek van de gegrondheid inhoudt en dat de Commissaris-generaal dit gegeven als motivering voor de weigering van de asielaanvraag gebruikt heeft, hoewel de ontvankelijkheidsvoorwaarden wel vervuld zouden zijn; dat de Commissaris-generaal, in het kader van het onderzoek van de asielaanvraag, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van de vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om met kennis van zaken zijn beslissing te kunnen nemen; dat hij zich in het huidige geval gesteund heeft op de verklaringen van de verzoekende partij; dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat een onderzoek door de Commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase dat betrekking heeft op de waarachtigheid van de asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verhoren waaraan de betrokken asielzoeker werd onderworpen, samen met een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen; dat dit evenwel niet het onderzoek betreft dat plaatsvindt in de gegrondheidsfase, die volgt op de ontvankelijkheidsfase; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze vanuit mag worden gegaan dat de feiten aangevoerd door de asielaanvrager, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en dat deze verklaringen niet tegenstrijdig zijn met eerdere verklaringen of met verklaringen van vergezellende familieleden of kennissen; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de door de kandidaat-vluchteling verstrekte gegevens aan deze verklaringen en aan algemeen bekende feiten worden getoetst; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevat; dat de Commissaris-generaal de verklaringen van de verzoekende partij zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria, rekening houdende met de situatie in haar land van herkomst; dat hij op grond hiervan tot de onontvankelijkheid van haar asielaanvraag heeft besloten; dat waar de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing overweegt dat “de Kongolese autoriteiten (...) echter kennelijk niet de bedoeling (hadden) betrokkene om deze redenen daadwerkelijk te (blijven) vervolgen, aangezien ze hem tweemaal na respectievelijk drie weken en vijf of XIV-5604-8/10 zes dagen zonder meer uit de gevangenis vrijlieten, waarbij ze de eerste keer zelfs uitdrukkelijk tot de bevinding waren gekomen dat betrokkene “niets kon worden aangewreven” hij in concreto aangeeft dat de twee aangehaalde gevangennemingen geen ernstige aanwijzingen van een actuele vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève inhouden; dat in tegenstelling tot het beweerde door de verzoekende partij de Commissaris-generaal zich in casu geenszins heeft uitgesproken over de grond van de zaak; dat de bestreden beslissing steunt op omstandige overwegingen; dat uit betreffende beslissing evenwel niet blijkt dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid, bepaald door artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zou hebben overschreden door, na een gedetailleerd onderzoek, te beslissen tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van haar asielrelaas omdat door de verzoekende partij geen gegevens werden aangebracht dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de bewering van de verzoekende partij, als zou ze een coherent verhaal zonder fundamentele tegenstrijdigheden hebben verteld, de vaststellingen van de bestreden beslissing, die steun vinden in de gegevens van het administratief dossier, geenszins ontkracht; dat, gelet op de deugdelijke, pertinente en draagkrachtige motieven van de bestreden beslissing, die gebaseerd zijn op de bevindingen van het administratief dossier, de Commissaris-generaal terecht kon besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de door de verzoekende partij aangevoerde grief geenszins aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal, in deze fase van de procedure, met name de ontvankelijkheidsfase, niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen of een manifeste appreciatiefout zou hebben gemaakt; dat het enig middel ongegrond is;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5604-9/10 BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-5604-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.