← België

Arrest 162104 - - 30/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.104 Rolnummer: A. 120930/XIV-9972 Zaak: Arrest 162104 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-04 00:56 Fiche Arrest nr 162.104 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.104 van 30 augustus 2006 in de zaak A.120.930/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. STEVENS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Schuttersstraat 15-17, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 februari 1968 en van Marokkaanse nationaliteit, op 13 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2002 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 april 2002; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; XIV-9972-1/9 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. STEVENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij, van Marokkaanse nationaliteit, trad bij procuratie op 27 november 1997 in het huwelijk met Y. A., van Belgische nationaliteit. 1.
  4. Op 4 december 1998 diende de verzoekende partij bij de Belgische ambassade te Casablanca een visumaanvraag in, met de bedoeling zich in België te komen vestigen bij haar echtgenote. 1.
  5. Op 25 mei 1999 werd aan de verzoekende partij een visum type D afgeleverd, geldig tot 1 september
  6. Op 15 juni 1999 kwam de verzoekende partij België binnen. De verzoekende partij diende een aanvraag tot vestiging in. 1.
  7. Op 24 januari 2002 werd het huwelijk tussen de verzoekende partij en Yamina AGHASSAIY nietig verklaard door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. 1.
  8. Op 30 april 2002 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is het bestreden bevel waarvan de motivering als volgt luidt : “(...) Motivering art. 7,3 wet 15.12.1980 De betrokkene heeft door zijn gedrag de openbare orde geschaad: trad in het huwelijk met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling zijn verblijfstoestand te regulariseren. Dit huwelijk werd door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 24 januari 2002 vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk. Het beschikkend gedeelte van dit vonnis werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 april
  9. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt hij/zij gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. (...).”. XIV-9972-2/9
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “
  12. Schending van het evenredigheidsbeginsel: Vertoger kwam in België binnen in de loop van de maand juni 1999 en dit met een geldig visum, hetwelk hem afgeleverd werd door de diensten te Marokko. Van vertoger kan dienvolgens niet gezegd worden dat hij op een niet-geldige manier België is binnengekomen; Sinds zijn binnenkomst in België is vertoger gaan samenwonen met Mevrouw A. Y. alwaar hij enkele jaren vertoeft heeft, Dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen geen of onvoldoende rekening gehouden heeft met de aangehaalde argumentatie van vertoger om het bewijs te leveren dat er in deze aangelegenheid geen sprake is van een schijnhuwelijk. Dat vertoger immers naar België gekomen is om te gaan samenwonen met zijn echtgenote en hij onmiddellijk het nodige gedaan heeft om een hypothecaire lening aan te vragen voor de aankoop van een woning en dit samen met zijn echtgenote; Dat vertoger vele renovatiewerken uitgevoerd heeft in deze woning, dewelke eigendom was van de goedkope woningen dat wanneer men de stelling zou volgen van de Procureur des Konings men zulke werkzaamheden toch niet zou uitvoeren als het hier louter om een schijnhuwelijk zou gaan; Dat wanneer vertoger werkelijk een schijnhuwelijk zou willen aangaan, hij alleszins niet zou huwen met zijn schoonzuster, zijnde de zuster van de echtgenote van zijn broer, gezien zulks toch onmiddellijk om problemen vragen was; Dat vertoger zich onmiddellijk ingeschreven heeft bij de open school voor volwassenen om Nederlands te leren en dit vanaf zijn aankomst in België en hij thans deze cursussen nog altijd volgt; Dat echter omwille van zijn slechte taalkennis van het Nederlands en het niet meer kunnen rekenen op de steun van zijn echtgenote, vertoger de termijn om hoger beroep aan te tekenen laten verstrijken heeft; Dat alleszins als men rekening houdt met de gegevens, dewelke bekend zijn in dit dossier, men niet anders kan dan besluiten dat er hier alleszins geen sprake kan zijn van een schijnhuwelijk, gezien de houding van vertoger in deze aangelegenheid; Dat wanneer de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken deze gegevens allemaal kende, bij zeker niet tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen en vertoger dan ook gevraagt dat de bestreden beslissing van de gemachtigde ambtenaar van de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet verantwoord is en zal dienen vernietigd te worden.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hieromtrent het volgende stelt: “Verzoeker beroept zich kennelijk op een vermeende schending van ‘evenredigheidsbeginsel’ en 'de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29.07 91)’. Betreffende de vermeende schending van ‘de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29.0791)’ laat de verwerende partij vooreerst gelden dat reeds werd geoordeeld dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a fortiori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een verplicht te motiveren beslissing een motiveringsgebrek aanvoert, maar hiervoor geen wetsbepaling als geschonden aanduidt (cf. naar analogie: Cass. AR C.94.0369.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2, 9.5.1997, Arr. Cass. 1997,531). Aan deze laatste vereiste beantwoordt niet de loutere vermelding van een motiveringsgebrek in termen van een schending ‘de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29.07 91)’. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat dit aspect van het enig middel van verzoeker in rechte onvoldoende is uitgewerkt om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Geheel ten overvloede laat de verwerende partij nog gelden dat er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de formele motiveringsplicht, vervat in de Wet dd. 29.07.1991 waarvan verzoeker de schending opwerpt, enkel tot doel heeft om de bestuurde toe te laten te XIV-9972-3/9 achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (cf. R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. Rv.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste naar behoren voldaan, hetgeen wordt bevestigd in verzoekers inleidend verzoekschrift, nu bij lezing van dit verzoekschrift blijkt dat verzoeker daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, maar er ook in slaagt de motieven vervat in de in casu bestreden akte uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoeker zichzelf tegenspreekt als hij stelt de motivering van de door hem bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven vervat in de bestreden akte weer te geven in zijn inleidend verzoekschrift. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994,Arr. R.v.St 1994, z.p.). De door verzoeker kennelijk als 'ongeldige' en 'onnauwkeurige' bestempelde overwegingen die, tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling (art. 7, 3 wet 15.1980), de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “1ste middel: schending van het evenredigheidsbeginsel: Vertoger kwam in België binnen de loop van de maand juni 1999 en dit met een geldig visum hetwelk hem afgeleverd werd door de diensten te Marokko; Van vertoger dienvolgens niet gezegd worden dat hij op een niet geldige manier België is binnengekomen; Sinds zijn binnenkomst in België is vertoger gaan samenwonen met mevrouw Aghassaiy Jamina alwaar hij enkele jaren vertoefd heeft; Dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen geen of onvoldoende rekening gehouden heeft met de aangehaalde argumentatie van vertoger om het bewijs te leveren dat er in deze aangelegenheid geen sprake is van een schijnhuwelijke; Dat vertoger immers naar België gekomen is om te gaan samenwonen met zijn echtgenote en hij onmiddellijk het nodige gedaan heeft om een hypothecaire lening aan te vragen voor de aankoop van een woning en dit samen met zijn echtgenote; Dat vertoger vele renovatiewerken uitgevoerd heeft in deze woning dewelke eigendom was van de goedkope woningen en dat wanneer men de stelling zou volgen van de Procureur des Konings men zulke werkzaamheden toch niet zou uitvoeren als het louter om een schijnhuwelijk zou gaan; Dat wanneer vertoger werkelijk een schijnhuwelijk zou willen aangaan, hij alleszins niet zou huwen met zijn schoonzuster, zijnde de zuster van de echtgenote van zijn broer gezien zulk onmiddellijk om problemen vragen was; Dat vertoger zich onmiddellijk ingeschreven heeft bij de open school voor volwassenen om Nederlands te leren en dit vanaf zijn aankomst in België en hij thans deze cursussen nog altijd volgt; Dat echter omwille van zijn slechte taalkennis van het Nederlands en het niet meer kunnen rekenen op de steun van zijn echtgenote, vertoger de termijn om hoger beroep aan te tekenen laten verstrijken heeft; Dat alleszins als men rekening houdt met de gegevens, dewelke bekend zijn in dit dossier, men niet anders kan dan besluiten dat er hier alleszins geen sprake kan zijn van een schijnhuwelijk gezien de houding van vertoger in deze aangelegenheid; Dat wanneer de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken deze gegevens allemaal kende, hij zeker niet tot de zelfde beslissing zou zijn gekomen en vertoger dan ook vraagt dat de bestreden beslissing van de gemachtigde ambtenaar van de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet verantwoord is en zal dienen vernietigd te worden; Aangezien de redenering van de raadsman van verwerende partij moeilijk kan gevolgd worden waar zij stelt dat het de enige bedoeling was van vertoger om een huwelijk aan te gaan met een Belgische onderdaan om een verblijfstoestand te regulariseren; Dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zich de moeite niet getroost heeft om de argumentatie van vertoger na te gaan en de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zich enkel en alleen beperkt heeft tot het vermelden van het vonnis van het Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen waarbij het schijnhuwelijk erkend werd. XIV-9972-4/9 Dat het geenszins zonder meer kan aanvaard worden dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse de redenen waarop de Procureur des Konings te Mechelen zich gebaseerd heeft om te stellen dat er in sprake zou zijn van een schijnhuwelijk, niet hoefde te controleren; Dat wanneer de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken enige controle had uitgevoerd, hij zonder meer tot het besluit was gekomen dat er zeker geen sprake was van een schijnhuwelijk in hoofde van vertoger; Dat het eerste middel dan ook gegrond is.”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; 2.1.
  14. Overwegende dat waar de verzoekende partij zich in betreffend middel beroept op de schending van het evenredigheidsbeginsel, ze in hoofdzaak kritiek geeft op het vonnis van 24 januari 2002 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, waarbij haar huwelijk met Y. A., van Belgische nationaliteit, nietig werd verklaard; dat ze in essentie betoogt dat indien de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken alle gegevens van het dossier zou gekend hebben, met name dat ze samenwoonde met haar echtgenote, onmiddellijk al het nodige heeft gedaan om een hypothecaire lening aan te vragen voor de aankoop van een woning samen met haar echtgenote, vele renovatiewerken heeft uitgevoerd in deze woning, zich onmiddellijk heeft ingeschreven bij de open school voor volwassenen om Nederlands te leren, hij zeker niet tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen; Overwegende dat artikel 7, lid 1, 3/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat een bevel om het grondgebied te verlaten kan worden gegeven wanneer de vreemdeling door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden; Overwegende dat de instelling van het huwelijk de Belgische openbare orde raakt; dat de verzoekende partij gehuwd is met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling haar verblijf te regulariseren; dat dit schijnhuwelijk werd nietigverklaard bij vonnis van 24 januari 2002; dat daaruit blijkt dat de verzoekende partij de openbare orde heeft geschaad; dat waar de verzoekende partij kritiek geeft op voormeld vonnis, de vaststelling volstaat dat het niet aan de Raad van State toekomt de eventuele nietigheid van haar huwelijk te gaan herbeoordelen; dat haar verzuim omtrent het tijdig indienen van een beroepsprocedure tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen hieraan geen afbreuk doet; dat de door de verzoekende partij aangehaalde elementen en beschouwingen geenszins aannemelijk maken dat het evenredigheidsbeginsel zou zijn geschonden, laat staan van aard zijn de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten; dat de verwerende partij artikel 7, lid 1, 3/ van de Vreemdelingenwet rechtmatig heeft toegepast; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-9972-5/9 2.2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “
  16. Schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29/07/91): Aangezien deze wet voorschrijft dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat, ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; Dat deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; Dat de motivering daarenboven afdoende moet zijn wat betekent. draagkrachtig en duidelijk; Dat vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldig of niet plausibele motivering, stereotiepe, geëikte of gestandaardiseerde motiveringen niet afdoende zijn; Zie: Van Heulen D. ‘Vluchtelinge’: een overzicht na de wet van 06/05/93, Mys en Breesch 1993 pagina 78, Van Heulen D. ‘De motiveringsplicht en de vreemdelingenwet’ D.V.R. 1993 pagina 67 - 71 Dat de bestreden beslissingen d.d. 17/04/2002 het voorbeeld van een stereotiepe, geëikte en gestandaardiseerde motivering is; Dat een individuele benadering van het specifieke geval hier volstrekt niet merkbaar is; Dat nergens de eigen benadering van de specifieke kenmerken die het dossier van vertoger bevat, worden aangehaald; Dat vertoger thans reeds meer dan 3 jaar in België verblijft en er zich volledig heeft aangepast en het dan ook onredelijk zou zijn om vertoger thans opnieuw naar Marokko te sturen, enkel en alleen op basis van het tussengekomen vonnis d.d. 24/01/2002 waartegen vertoger wegens overmacht geen beroep heeft kunnen aantekenen.; Dat dit middel dan ook gegrond.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hieromtrent het volgende stelt: “De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen aan hem bevel is gegeven het grondgebied te verlaten, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Verzoekers summiere en ongestaafde kritiek kan aan bovenstaande geen afbreuk doen. Verzoeker kan bovendien ook niet ernstig voorhouden dat ‘nergens de eigen benadering van het specifiek kenmerken die het dossier van vertoger bevat worden aangehaald’. nu in de in casu bestreden akte uitdrukkelijk wordt gesteld dat verzoeker ‘in het huwelijk [trad] met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling zijn verblijfstoestand te regulariseren. Dit huwelijk werd door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 24januari 2002 vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk. Het beschikkend gedeelte van dit vonnis werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 april 2002'. Voormelde motivering, vervat in de in casu bestreden akte, is naar oordeel van de verwerende partij geenszins een ‘stereotiepe, geëikte en gestandaardiseerde motivering’ maar heeft wel degelijk betrekking op de specifieke en kenmerkende situatie van verzoeker. Verzoekers kritiek dienaangaande kan dan ook niet worden aangenomen. In zoverre verzoeker zich beroept op de vermeende schending van het ‘evenredigheidsbeginsel’, en hij daarbij stelt dat ‘er hier alleszins geen sprake kan zijn van een schijnhuwelijk’, laat de verwerende partij gelden dat verzoekers beschouwingen, welke betrekking hebben op de beoordeling van verzoekers ‘schijnhuwelijk’ door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, geen afbreuk kunnen doen aan het in casu bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, die m.b.t. verzoekers huwelijk slechts de nietigheid ervan vaststelt en daar het passende gevolg uit afleidt m.b.t. verzoekers verdere aanwezigheid op het grondgebied van het Rijk. Middelen die geen betrekking hebben op de bestreden akte, zijn niet ontvankelijk (R.v.St. nr. 45.181, 8.12.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.). Verzoeker heeft voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen bovendien afdoende de kans gekregen om zijn visie omtrent zijn (schijn)huwelijk uiteen te zetten, waarna de rechtbank oordeelde dat verzoekers huwelijk nietig diende te worden verklaard. Het komt aan de Raad van State niet toe de eventuele nietigheid van verzoekers huwelijk te gaan ‘herbeoordelen’. Verzoekers nalatigheid omtrent het verstrijken van de beroepstermijn kan aan voormelde geen afbreuk doen. XIV-9972-6/9 De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan verzoekers enig middel niet ontvankelijk, minstens ongegrond is.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “b) 2 de middel: schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling (wet van 29/7/91) Aangezien deze wet voorschrijft dat de overheid op straffen van onwettigheid van de beslissingen in de akte die de beslissing zelf bevat, ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen. Dat deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; Dat de motivering daarenboven afdoende moet zijn wat betekend: draagkrachtig en duidelijk; Dat vage, duistere of niet terzake uitleg, onduidelijk, onnauwkeurige , ongeldig of niet plausibele motivering, stereotype, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen niet afdoende zijn; Zie: Van Heulen D. (vluchtelingen): een overzicht na de wet van 6/5/93, Mys en Breesch 1993 pagina 78 Van Heulen D.(de motiveringsplicht en de vreemdelingen wet), D.V.R 1993 pagina 76-71 Dat de bestreden beslissing dd. 17/4/02 het voorbeeld van een stereotype, geijkte en gestandaardiseerde motivering is; Dat een individuele benadering van het specifieke geval hier volstrekt niet merkbaar is; Dat nergens de eigenbenadering van de specifieke kenmerken die het dossier van vertoger bevat, worden aangehaald; Dat vertoger thans reeds meer dan drie jaar in België verblijft en er zich volledig heeft aangepast en het dan ook onredelijk zou zijn om vertoger thans opnieuw naar Marokko te sturen enkel en alleen op basis van het tussengekomen vonnis dd. 24/1/02 waartegen vertoger wegens overmacht geen beroep heeft kunnen aan tekenen; Aangezien de raadsman van verwerende partij zijn memorie van antwoord stelt dat vertoger er zou in geslaagd zijn om de motieven vervat in de incaso bestreden akte uitdrukkelijk weer te geven waardoor hij blijk geeft van enige kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing; Dat vertoger echter duidelijk stelt dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening gehouden heeft met de argumenten en de verduidelijkingen bij de verkeerde interpretatie van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen waarbij het schijnhuwelijk uitgesproken werd; Aangezien het tweede middel dan ook wel degelijk gegrond is.”; 2.2.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.
  18. Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze; dat het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat XIV-9972-7/9 derhalve, indien zoals verzoekende partij aanvoert, een overweging inderdaad een "voorbeeld van een stereotiepe, geijkte en gestandaardiseerde motivering" zou zijn, dit louter feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepasselijke rechtsregel en het feit dat de verzoekende partij door haar gedrag de openbare orde heeft geschaad; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; 2.2.
  19. Overwegende dat in de motivering van het bestreden bevel wordt verwezen naar artikel 7, lid 1, 3/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en naar het feit dat de verzoekende partij “door zijn gedrag de openbare orde heeft geschaad: trad in het huwelijk met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling zijn verblijfstoestand te regulariseren. Dit huwelijk werd door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 24 januari 2002 vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk (...)”; dat in casu de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met voornoemde wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat die motivering draagkrachtig en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het tweede middel ongegrond is;
  20. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9972-8/9 BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-9972-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.104 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.