id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.118 Rolnummer: A. 138906/XIV-15871 Zaak: Arrest 162118 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 02:52 Fiche Arrest nr 162.118 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.118 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 138.906/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en als vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen XXX, XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat M. VERFAILLE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Bloemenstraat 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 september 1971 en XXX, geboren op 29 maart 1972, beiden van Kirgizische nationaliteit, op 9 juli 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van respectievelijk 4 juni 2003 en 27 mei 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 11 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XIV-15.871-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 22 april 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A.-M. SWINNEN die, loco Advocaat M. VERFAILLE, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 28 juli 2001 en verklaren zich vluchteling op 10 augustus 2001 1.
- Op 12 februari 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op respectievelijk 4 juni 2003, voor wat de eerste verzoekende partij, en op 27 mei 2003, voor wat de tweede verzoekende partij betreft, bevestigt de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, hierna genoemd eerste verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Kirgizisch staatsburger van de Oeigoerse origine, ontvluchtte uw land nadat u sinds 1996 door kapitein Melis van de KNB werd afgeperst. XIV-15.871-2/12 In maart 1996 reisde u voor uw werk naar China. De firma liet u vergezellen door kapitein Melis. Enkele dagen na uw reis kwam Melis bij uw thuis. Hij eiste geld van u. U weigerde en verwees hem naar de firma. Melis werd echter boos en sloeg u buiten bewustzijn. Uw vrouw die tussenbeide trachtte te komen werd in de buik geslagen. U kreeg een maand de tijd het gevraagde bedrag uit te betalen. U besloot de zaak te laten bekoelen en trok enige tijd naar Kazachstan. Tussen maart en juli 1996 verbleven u en uw vrouw in Almaty. Begin augustus werd uw zoontje met polio geboren. Na aanvankelijk slechte verzorging in het ziekenhuis, beterde de situatie. De laatste jaren voor uw vertrek werd uw zoontje correct behandeld en kreeg hij de nodige medicatie. In augustus kwamen Melis en zijn handlangers terug, waarop u klacht indiende bij de ROVD en het stedelijk parket. De klachten bleven zonder gevolg en u besloot daarop Melis éénmalig te betalen. In juli 1998 nam u deel aan een manifestatie ter ondersteuning van de Oeigoeren in China. Korte tijd later werd u thuis door kapitein Melis opgepakt en naar de KNB gebracht. Hij beschuldigde u van het verspreiden van pamfletten en videocassettes. De volgende ochtend werd u vrijgekocht door uw vader. U verbleef hierop een tijdje buiten Bishkek aan het Isikul- meer. In augustus 1999, kort na de inval van terroristen in de Batken-regio, kreeg u weer bezoek van Melis. Hij beschuldigde u wederom van banden met de Oeigoeren in China en het verspreiden van pamfletten. Opnieuw werd u opgesloten, dit maal voor twee dagen. Door de ernstige mishandelingen tijdens uw gevangenschap ondergaan, diende u een drietal weken te worden gehospitaliseerd. U verloor het zicht in één oog. Vanaf de zomer 1999 baatte u een café uit. Eén maal per maand stelde u de gelagzaal ter beschikking van de Oeigoerse gemeenschap om er culturele bijeenkomsten te houden met als doel het in stand houden van de Oeigoerse taal en cultuur. In mei 2000 arresteerde Melis u opnieuw omdat hij vermoedde dat u politiek actief was voor de Oeigoerse zaak. Diezelfde middag kwam u vrij. In april 2001 kwam Melis naar uw café en eiste geld. U gaf hem wat. In mei 2001 trachtte Melis u op te pakken terwijl u met wat Oeigoerse vrienden bijeenzat. U wist echter te ontsnappen. U besloot meteen onder te duiken en verbleef tot eind juni 2001 te Tokmak, van waaruit uw reis naar België geregeld werd. U verliet Bishkek per vliegtuig naar Hannover en was in het bezit van een Duits visum. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten niet van die aard zijn om als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te kunnen worden bestempeld. Zo verklaarde u dat u sinds 1996 met éénzelfde kapitein Melis van de nationale veiligheidsdienst problemen kende. Melis viseerde u omwille van uw origine en uw financiële middelen (CGVS man I, p. 3-4 en II, p. 5, 8, 13). Het een en het ander had ook te maken met het feit dat u Oeigoerse culturele bijeenkomsten organiseerde die tot doel hadden het Oeigoerse culturele erfgoed te bewaren (CGVS man II, p. 8, 10-11). Echter uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, blijkt dat enkel politiek actieve Oeigoeren ernstige problemen kunnen kennen met de Kirgizische overheden omwille van die activiteiten. Oeigoeren die zich enkel met Oeigoerse culturele aangelegenheden bezighouden kennen omwille van die activiteiten geen ernstige problemen. Ook louter de Oeigoerse origine leidt niet tot enige vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U verklaarde niet politiek actief te zijn (CGVS man I, p. 3 en II, p. 12), maar enkel op cultureel vlak bezig te zijn. Ook het feit dat u over een internationaal paspoort beschikte met een Duits Shengenvisum (CGVS man I, p. 2) en vanop de internationale luchthaven van Bishkek met een vlucht naar Hanover vertrok (DVZ man, vraag 42), wijst erop dat u niet actief door de Kirgizische autoriteiten gezocht werd. Dit blijkt althans uit verdere informatie waarover het Commissariaat- Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd. U verklaart dat Melis u viseerde omwille van uw origine en uw financiële middelen (CGVS man I, p. 3-4 en II, p. 5, 8, 13). Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal blijkt dat er inderdaad afpersingspraktijken bestaan, maar dat de Oeigoerse minderheid niet het slachtoffer is van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Bovendien kende u enkel problemen met één enkele corrupte ambtenaar. Uw problemen kunnen niet als systematische vervolging door de Kirgizische autoriteiten worden beschouwd, ongeacht de individuele motieven van Melis. Voor zover u omwille van uw financiële middelen werd geviseerd, valt de afpersing waarvan u tot vier maal toe tussen 1996 en 2001 slachtoffer werd (CGVS man I, p. 5 en II, p. 3,6) buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Verder dient te worden opgemerkt dat u en uw gezin tussen april en juli 2001 ongemoeid in de Kirgische stad Tokmak verbleven (CGVS man II, p. 3-4, 8), hetgeen toch wijst op het bestaan van een intern vluchtalternatief. Tenslotte dient nog te worden opgemerkt dat de medische toestand van uw kind (polio) het gebruik van een humanitaire clausule klaarblijkelijk niet rechtvaardigt, daar zowel u als uw XIV-15.871-3/12 vrouw verklaren dat uw zoontje, zij het na een slechte start, de daaropvolgende jaren een correcte medische behandeling in Kirgizië kreeg (CGVS man II, p. 12-13 en CGVS vrouw, p.5). Aldus kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ter staving van uw identiteit legde u volgende documenten voor: geboorteaktes kinderen, legerboekje, kwalificatieattest vrouw, huwelijksakte, kopie identiteitspagina internationaal paspoort man, kopie identiteitspagina internationaal paspoort vrouw. De door u voorgelegde documenten doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen daar zij enkel uw identiteit bevestigen, terwijl deze niet betwist wordt. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.) (...).”. 1.
- De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, hierna genoemd tweede verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Kirigisch staatsburger van de Oeigoerse origine, ontvluchtte uw land nadat uw echtgenoot sinds 1996 door kapitein Melis van de KNB werd afgeperst. In maart 1996 reisde uw man voor zijn werk naar China. Enkele dagen na zijn reis kwam Melis bij uw thuis. Hij eiste geld van uw echtgenoot. Uw man weigerde. Melis werd boos en sloeg uw man buiten bewustzijn. U trachtte tussenbeide te komen en werd hierbij in de buik geslagen. Uw man kreeg een maand de tijd het gevraagde bedrag uit te betalen. U besloot de zaak te laten bekoelen en trok enige tijd naar Kazachstan. Tussen maart en juli 1996 verbleven u en uw man in Almaty. Begin augustus werd uw zoontje met polio geboren. Na aanvankelijk slechte verzorging in het ziekenhuis, beterde de situatie. De laatste jaren voor uw vertrek werd uw zoontje correct behandeld en kreeg hij de nodige medicatie. Tussen 1996 en 2001 werd uw echtgenoot enkel malen door Melis opgepakt en afgeperst. U kan echter geen verdere details verschaffen door u zich met de verzorging van uw kind bezighield. In juni 2001 trachtte Melis uw man op te pakken terwijl hij met wat Oeigoerse vrienden bijeenzat. Hij wist echter te ontsnappen. U besloot meteen onder te duiken en verbleef tot eind juli 2001 te Tokmak, van waaruit uw reis naar België geregeld werd. U verliet Bishkek per vliegtuig naar Hanover en was in het bezit van een Duits visum. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de problemen welke zijn aangebracht door uw echtgenoot XXX (CGVS vrouw, p. 2 en CGVS man II, p.14). Aangezien voor het door hem ingediende Dringend Beroep omwille van het kennelijk ongegronde karakter van zijn asielrelaas een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen, dient er ook voor u éénzelfde beslissing te worden genomen. Bijgevolg kan er in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève worden vastgesteld. Ter staving van uw identiteit legde u de volgende documenten voor: geboorteaktes kinderen, legerboekje, kwalificatieattest vrouw, huwelijksakte, kopie identiteitspagina van het paspoort van de man, kopie identiteitspagina van het paspoort van de vrouw. De door u neergelegde documenten bevestigen uw identiteit, maar kunnen de hierboven gemelde conclusies niet wijzigen aangezien de documenten louter persoonsgegevens bevatten, terwijl deze niet betwist worden. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. XIV-15.871-4/12 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.) (...).”.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat luidt als volgt: “
- Dat het annulatieberoep van verzoekers gebaseerd is op het argument dat de bestreden beslissing onvoldoende en juridisch onjuist gemotiveerd is. Dat verzoekers in hun uiteenzetting uitdrukkelijk etnische motieven weerhouden om hun vlucht te motiveren. Uit de argumentatie die het Commissariaat -Generaal in haar beslissing voorlegt, blijkt dat deze zich eenvoudig beperkt heeft tot het degraderen van het probleem van verzoekers tot een individueel 'en cultureel' probleem, daar waar de verzoekers het voorwerp hebben uitgemaakt van verregaande vervolging en zelfs een tijdlang ondergedoken hebben geleefd in Tokmak om zichzelf en hun kinderen niet aan nog diepere vervolging bloot te stellen. De Conventie van Genève bepaalt onder art. 1 A 2 dat als vluchteling geldt iedere persoon die uit gegrond vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren ,tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit , en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen. Het Commissariaat - Generaal heeft onterecht geen rekening gehouden met de vaststelling dat de heer XXX van Oeigoerse origine is, dit wil zeggen behorende tot een etnische minderheidsgroep, wat aanleiding heeft gegeven tot vervolging, ongeacht of men al dan niet politiek actief is. Het gezin werd duidelijk geviseerd omwille van zijn etnische oorsprong en dit wordt door het Commissariaat-Generaal zelfs niet ontkend. De motivatie van het Commissariaat - Generaal is evenwel ontoereikend waar wordt gesteld dat de vervolging enkel het gevolg was van het organiseren van culturele bijeenkomsten voor mensen van Oeigoerse origine.
- Bovendien is het Commissariaat - Generaal er foutief van uitgegaan dat het gezin XXX vrijelijk heeft geleefd van april tot en met juli 2001 te TOKMAK, weg van de oorspronkelijke thuisbasis te BISHKEK. Er steekt een duidelijk tegenstrijdigheid in de beslissing van het Commissariaat-Generaal, meer in het bijzonder na vergelijking van punt A en punt B van de beslissing, alwaar oorspronkelijk onder punt A wordt weergegeven dat het gezin pas vanaf juni 2001 tot juli 2001 te TOKMAK ondergedoken verbleef, en onder punt B het Commissariaat- Generaal motiveert dat het gezin ongemoeid verbleef in de Kirgische stad TOKMAK tussen april en juli
- Het gezin verbleef er wel degelijk ondergedoken in een woning van een tante van de heer XXX. Dat deze vrees wel degelijk gegrond was, blijkt uit de vaststelling dat deze tante inderdaad door de kwestieuze corrupte ambtenaar en zijn gevolg werd lastiggevallen. De vlucht vanuit de luchthaven van BISHKEK werd volledig geregeld via een tussenpersoon. Vast staat dat de negatieve beslissing getroffen werd op basis van gegevens en vermoedens die in geen geval voldoende ernstig kunnen genoemd worden om een dergelijke zwaarwichtige en verstrekkende beslissing te treffen:
- Het Commissariaat-Generaal heeft zich daarenboven op onwettige wijze uitgesproken over de gezondheidstoestand van het gehandicapte kind van verzoekers (zie bewijs in bijlage) en op die manier de kansen van het gezin op mogelijke regularisatie aangetast. Het Commissariaat-Generaal heeft op deze wijze haar bevoegdheid overschreden, nu zij geenszins in staat is hierover een oordeel te vellen op basis van de beperkte medische gegevens in haar bezit. Dit houdt een regelrechte overschrijding in van de bevoegdheid van het Commissariaat- Generaal, reden waarom huidig beroep eveneens wordt ingesteld.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hieromtrent het volgende repliceert: “Enig middel; schending van de Vluchtelingenconventie. Verwerende partij wijst erop dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime beoordelingsbevoegdheid geeft, maar in het bijzonderheid wat betreft de organisatie van een procedure m.b.t. het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, werd XIV-15.871-5/12 door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Uw Raad heeft in verband hiermee vastgesteld dat een rechtstreekse schending van artikel 1 vluchtelingenconventie niet nuttig kan worden ingeroepen wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 werd ingeroepen en vastgesteld door de Raad (R.v.St., nr.80.749 van 8 juni 1999; R.v.St., nr.86.228 van 24 maart 2000). Voor het overige beperkt verzoekende partij er zicht toe de asielmotieven opnieuw uiteen te zetten zonder concreet aan te geven waarin het gebrek in de bestreden beslissing bestaat. Verzoekende partij voert aan dat een tegenstrijdigheid werd opgenomen in de bestreden beslissing tussen het vluchtrelaas en de motivering. Dit is niet het geval: er is geen tegenstrijdigheid tussen de stellingen enerzijds dat verzoekers onderdoken te Tomak, en anderzijds dat ze er ongemoeid verbleven, de bestreden beslissing zijn bijgevolg afdoende gemotiveerd. Verwerende partij kon overeenkomstig artikel 52 an de Vreemdelingenwet oordelen dat verzoekers asielaanvragen kennelijk ongegrond waren. Bijgevolg diende de Commissaris- generaal zich niet uit te spreken over enig verband met de Vluchtelingenconventie. Het enig middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van de motiveringsplicht; 2.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie, juncto de schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het bij de beoordeling van de motiveringplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de XIV-15.871-6/12 ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij heeft besloten omdat: - de door de eerste verzoekende partij tot staving van haar asielaanvraag ingeroepen feiten niet van die aard zijn om als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te kunnen worden bestempeld; - de eerste verzoekende partijverklaarde dat ze sinds 1996 met éénzelfde kapitein Melis van de nationale veiligheidsdienst problemen kende; Melis haar viseerde omwille van haar origine en haar financiële middelen; het een en het ander had ook te maken met het feit dat de eerste verzoekende partij Oeigoerse culturele bijeenkomsten organiseerde die tot doel hadden het Oeigoerse culturele erfgoed te bewaren; - uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, blijkt dat enkel politiek actieve Oeigoeren ernstige problemen kunnen kennen met de Kirgizische overheden omwille van die activiteiten; Oeigoeren die zich enkel met Oeigoerse culturele aangelegenheden bezig houden omwille van die activiteiten geen ernstige problemen kennen; ook louter de Oeigoerse origine niet leidt tot enige vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; de verzoekende partij verklaarde niet politiek actief te zijn, maar enkel op cultureel vlak bezig te zijn; - ook het feit dat de eerste verzoekende partij over een internationaal paspoort beschikte met een Duits Shengenvisum en van op de internationale luchthaven van Bishkek met een vlucht naar Hanover vertrok, wijst erop dat ze niet actief door de Kirgizische autoriteiten gezocht werd; dit althans blijkt uit verdere informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd; - de eerste verzoekende partij verklaarde dat Melis haar viseerde omwille van haar origine en haar financiële middelen; dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat er inderdaad afpersingspraktijken bestaan, maar dat de Oeigoerse minderheid niet het slachtoffer is van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; ze bovendien enkel problemen kende met één enkele corrupte ambtenaar; haar problemen niet als systematische vervolging door de Kirgizische autoriteiten kunnen worden beschouwd, ongeacht de individuele motieven van Melis; voor zover ze omwille van haar XIV-15.871-7/12 financiële middelen werd geviseerd, de afpersing waarvan ze tot vier maal toe tussen 1996 en 2001 slachtoffer werd buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie valt; - verder dient te worden opgemerkt dat zij en haar gezin tussen april en juli 2001 ongemoeid in de Kirgizische stad Tokmak hebben verbleven, hetgeen toch wijst op het bestaan van een intern vluchtalternatief; - tenslotte nog dient te worden opgemerkt dat de medische toestand van haar kind (polio) het gebruik van een humanitaire clausule klaarblijkelijk niet rechtvaardigt, daar zowel zijzelf als haar vrouw verklaren dat hun zoontje, zij het na een slechte start, de daaropvolgende jaren een correcte medische behandeling in Kirgizië kreeg; - er in haar hoofde niet kan besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal ook in hoofde van de tweede verzoekende partij tot de kennelijke ongegrondheid van haar asielaanvraag heeft besloten, omdat: - uit de verklaringen van de tweede verzoekende partij blijkt dat ze haar asielaanvraag volledig steunt op de problemen welke zijn aangebracht door haar echtgenoot XXX; - aangezien voor het door haar echtgenoot ingediende dringend beroep omwille van het kennelijk ongegronde karakter van zijn asielrelaas een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen, dient ook voor de tweede verzoekende partij eenzelfde beslissing te worden genomen; er bijgevolg in haar hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève kan worden vastgesteld; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de minister op grond van artikel 52, §1, 2/ van de Vreemdelingenwet kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van voormelde wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet zal worden toegestaan in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de vreemdeling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 52, §1, 2/ tot 5/ en 7/ van voormelde wet; dat de Commissaris-generaal, die een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing behandelt, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de XIV-15.871-8/12 Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat de Commissaris-generaal in casu op grond van de hem toegekende bevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van de verzoekende partijen; dat de Commissaris-generaal in het kader van het onderzoek van de asielaanvraag over de mogelijkheid beschikt alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om met kennis van zaken een beslissing te nemen; dat een onderzoek door de Commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase dat betrekking heeft op de waarachtigheid van de asielaanvraag, noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verhoren waaraan de betrokken asielzoeker werd onderworpen, samen met een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen; dat dit evenwel niet het onderzoek betreft dat plaatsvindt in de gegrondheidsfase, die volgt op de ontvankelijkheidsfase; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze vanuit mag worden gegaan dat de feiten aangevoerd door de asielaanvrager, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en dat deze verklaringen niet tegenstrijdig zijn met eerdere verklaringen of met verklaringen van vergezellende familieleden of kennissen; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de door de kandidaat-vluchteling verstrekte gegevens aan deze verklaringen en aan algemeen bekende feiten worden getoetst; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissingen blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevatten; dat de Commissaris- generaal de verklaringen van de verzoekende partijen zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria, rekening houdende met de situatie in hun land van herkomst; dat hij op grond hiervan tot de onontvankelijkheid van hun asielaanvragen heeft besloten; dat de bestreden beslissingen steunen op omstandige overwegingen; dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift geen elementen aanbrengen die afbreuk doen aan de beslissingen van de Commissaris-generaal; dat uit betreffende beslissingen niet blijkt dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid, bepaald door artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zou hebben overschreden door, na een gedetailleerd onderzoek, te beslissen tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van de verzoekende partijen; Overwegende dat de verzoekende partijen geen enkel concreet element aanbrengen ter staving van hun argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partijen heeft beoordeeld met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris- generaal in casu de bestreden beslissingen heeft genomen omdat de verzoekende partijen geen elementen hebben aangehaald waaruit zou blijken dat zij hun land hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar de XIV-15.871-9/12 verzoekende partijen de overwegingen van de bestreden beslissing trachten te weerleggen, ze een verklaring post factum geven, maar dat zij het niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissingen is gekomen; dat zij in wezen aan de Raad van State vragen om de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissingen steunen, worden bevestigd door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de verklaringen die de verzoekende partijen hebben afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partijen het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken hebben ondertekend, en aldus te kennen hebben gegeven dat dit overeenstemt met die inlichtingen die zij hebben verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat de verzoekende partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd over het verhoor bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partijen de informatie waarop de Commissaris-generaal zijn beslissingen heeft gebaseerd niet weerleggen, noch aantonen dat deze op hen niet van toepassing is; dat de beweringen dat zij behoren tot een etnische minderheidsgroep, wat aanleiding kan geven tot vervolging, ongeacht of men al dan niet politiek actief is, in concreto geenszins aantonen dat er voldoende zwaarwichtige feiten voorhanden zijn waaruit een gegronde vrees voor vervolging in hun individueel geval zou kunnen blijken; dat de verzoekende partijen zich in essentie beperken tot het herhalen van hun asielmotieven, en hun verweer baseren op het ontkennen van de motieven, zonder een poging te ondernemen om de vaststellingen in de bestreden beslissingen, die steun vinden in de gegevens van het administratief dossier, te weerleggen; dat het feit dat ze het niet eens zijn met de gevolgtrekkingen van de Commissaris-generaal niet volstaat om de motieven te weerleggen; dat de verzoekende partijen hun grief geenszins ondersteunen met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissingen is gekomen; dat de verzoekende partijen er niet in slagen om in eigen hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin de Vluchtelingenconventie aannemelijk te maken; dat de bestreden beslissingen bovendien moeten worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de Commissaris-generaal tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partijen heeft besloten op grond van het geheel van de in de bestreden beslissingen opgesomde motieven; dat de bestreden beslissingen steunen op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve XIV-15.871-10/12 grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-15.871-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.871-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div