← België

Arrest 162159 - - 30/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.159 Rolnummer: A. 131353/XIV-13318 Zaak: Arrest 162159 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 02:54 Fiche Arrest nr 162.159 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.159 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 131.353/XIV-13.

  1. In zake : XXX, wonende te: T. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 november 1971 en van Armeense nationaliteit, op 2 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 november 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 4 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 25 april 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 juni 2006 om 10.00 uur; XIV-13.318-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MALUNGRE die, loco Advocaat A. FLIEGER, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 28 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 30 oktober
  4. 1.
  5. Op 2 maart 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, vermits de asielaanvraag van de verzoekende partij reeds in behandeling was genomen in Duitsland. De verzoekende partij werd in het bezit gesteld van een doorlaatbewijs dat haar de mogelijkheid bood zich aan te melden in Aken voor 8 maart
  6. Tegen voormelde beslissing van 2 maart 2001 werd door de verzoekende partij een vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingesteld. Betreffende beroepen werden bij arrest nr. 101.584 van 6 december 2001 van de Voorzitter van de XIe Kamer van de Raad van State verworpen. 1.
  7. Op 19 november 2001 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  8. Op 27 november 2002 wordt deze aanvraag onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag in Duitsland. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Daarenboven werd een tweede asielaanvraag door betrokkene in België ingediend. Deze werd niet in aanmerking XIV-13.318-2/7 genomen aangezien zij op basis van art. 8 van de Conventie van Dublin van 15/06/1990 terug diende te keren naar Duitsland. De Duitse autoriteiten verklaarden zich akkoord om tot een overname over te gaan en om dit mogelijk te maken werd er haar een doorlaatbewijs afgeleverd. Betrokkene ging hier echter niet op in. Het medisch motief kan niet weerhouden worden aangezien uit het voorgelegde medisch attest niet blijkt dat het probleem haar verhindert te reizen. Daarenboven komt uit onze informatie naar voor dat de noodzakelijke medische behandeling zowel in Duitsland als in Armenië voor handen is. Bovendien geeft het voorgelegde medisch attest aan dat betrokkene in het verleden reeds voor een zwaardere problematiek in Armenië werd behandeld. Betrokkene dient contact op te nemen met de Armeense vertegenwoordiging in België en/of de Duitse autoriteiten en/of Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde haar terugkeer naar Duitsland of Armenië voor te bereiden. (...)”. 2.1.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De bestreden beslissing werd op geen enkele manier gemotiveerd. Blijkbaar zijn dit standaardclausules.”; 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “In een eerste middel stelt verzoekster als zouden artikelen 2 en 3 van de wet van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen worden geschonden bij gebruik van standaardclausules. Het middel wordt niet uitgewerkt en is dienvolgens niet ontvankelijk.”; 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de betrokkene, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze; dat het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat derhalve, indien zoals de verzoekende partij aanvoert, een overweging inderdaad een "standaardclausule" zou zijn, dit louter feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepasselijke rechtsregel en naar de redenen waarom de aanvraag van de verzoekende partij om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk XIV-13.318-3/7 werd bevonden; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van de rechten van verdediging Uit het voorgaande is duidelijk gebleken dat de rechten van verdediging geschonden werden. Immers, op geen enkel moment werd verzoekster opgeroepen om gehoord te worden. Verzoekster zou alsdan mondeling haar toestand hebben kunnen uiteenzetten, doch deze mogelijkheid werd haar volledig ten onrechte ontnomen. Verzoekster heeft zich nooit kunnen verweren tegen de beslissing van de Minister.”; 2.2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Het tweede middel wordt geput uit de schending van de rechten van verdediging, doordat verzoekster niet werd opgeroepen om te worden gehoord. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het bestuur niet de plicht heeft verzoekster te horen, in zoverre zij een verzoek heeft gericht tot de overheid, waarin zij de redenen van haar aanvraag uiteenzet.”; 2.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de rechten van verdediging en daaraan toevoegt dat ze op geen enkel moment werd opgeroepen om gehoord te worden, zodat haar de mogelijkheid werd ontnomen haar toestand uiteen te zetten; Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, het volstaat te stellen dat die op het administratief-rechtelijke vlak alleen in tuchtzaken bestaan; dat derhalve de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij de schending van de hoorplicht aanvoert, dit als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 november 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, omdat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom XIV-13.318-4/7 zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen, niet als zulk een maatregel kan worden gezien; dat deze beslissing immers voortvloeit uit de toepassing van voormeld artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en niet gestoeld is op het persoonlijk gedrag van de kandidaat- vluchteling zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat de verzoekende partij geen concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat uit voormelde motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen, noch aantoont dat haar aanvraag niet op een objectieve wijze zou zijn behandeld; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat de procedure voor de minister van Binnenlandse Zaken vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat enkel is vereist dat de aanvrager nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat de verzoekende partij bij het indienen van haar aanvraag de mogelijkheid had om haar redenen uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat de minister van Binnenlandse Zaken derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder de verzoekende partij te horen; dat de verzoekende partij niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor bij de minister van Binnenlandse Zaken en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat bijgevolg het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van art. 8 EVRM: Art. 8 EVRM stelt onomwonden dat eenieder het recht heeft op eerbiediging van zijn privé- leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Niet alleen verzoekster, doch ook haar twee minderjarige kinderen hebben recht op een gezinsleven. Het is duidelijk dat het gezinsleven van verzoekster zich hier in België afspeelt. De twee minderjarige kinderen lopen hier school, de dagelijkse zorg over de twee kinderen wordt waargenomen door verzoekster. Indien verzoekster daadwerkelijk het land dient te verlaten; dient zij de twee minderjarige kinderen alleen aan hun lot over te laten. Verzoekster zal immers niet geneigd zijn om haar twee kinderen mee te nemen naar haar land van herkomst aangezien zij niet alleen vreest voor haar eigen leven, doch ook voor dat van haar twee kinderen.”; 2.3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Het derde middel wordt geput uit de schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, d.d. 4 november 1950, XIV-13.318-5/7 doordat zij weigert haar kinderen mee te nemen ter gelegenheid van de uitvoering van het bevel het grondgebied te verlaten. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoekster hier toegeeft zelf de eventuele schending van het recht op gezinsleven te veroorzaken.”; 2.3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel toegestaan wordt die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat de bestreden beslissingen er niet toe strekken het gezinsleven van de verzoekende partij te verhinderen of te bemoeilijken; dat de eerste bestreden beslissing enkel inhoudt dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden doet gelden die haar vrijstellen om haar aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit haar land van herkomst, in te dienen; dat waar de verzoekende partij in verband met de tweede bestreden beslissing evenwel opwerpt dat ze vreest voor haar eigen leven en dat van haar gezin in haar land van herkomst, er dient te worden vastgesteld dat ze in casu niet verder komt dan een blote bewering die op generlei wijze wordt aannemelijk gemaakt; dat bijgevolg niet wordt ingezien hoe de bestreden beslissingen artikel 8 van het E.V.R.M. zouden schenden; dat het derde middel eveneens ongegrond is;
  18. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-13.318-6/7 Artikel
  19. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-13.318-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.