id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.160 Rolnummer: A. 176051/XII-4840 Zaak: Arrest 162160 - - 30/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 02:54 Fiche Arrest nr 162.160 van 30 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.160 van 30 augustus 2006 in de zaak A. 176.051/XII-
- In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. HEIJSE, kantoor houdende te BRUSSEL, H. Wafelaertsstraat 47-51 tegen :
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep 8 - Brussel die woonplaats kiezen bij advocaat M. STOMMELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 220, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 22 augustus 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 31 juli 2006 van de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs waarbij haar beroep tegen het op 17 januari 2006 door de directeur van de basisschool De Zonnewijzer te Sint-Pieters-Woluwe gegeven ontslag om dringende redenen, wordt verworpen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 augustus 2006, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. LUST; XII-4840-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. HEIJSE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat M. STOMMELS, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
- Overwegende dat verzoekster voor het schooljaar 2005-2006 tijdelijk wordt aangesteld voor een bepaalde duur, tot 30 juni 2006, als leermeester godsdienst - Islamitische godsdienst (8 uur) in de basisschool De Zonnewijzer te Sint-Pieters-Woluwe; dat het schoolreglement verbiedt kledij, tekens of symbolen te dragen waarmee zichtbaar een religieuze of levensbeschouwelijke aanhorigheid of overtuiging wordt uitgedrukt of die de indruk daartoe wekt; dat dit verbod luidens het schoolreglement “geldt voor de leerlingen, de leerkrachten (met uitzondering van de godsdienstleerkrachten die binnen hun klaslokaal hun religieuze symbolen mogen dragen) en voor stagiair-leerkrachten”; Overwegende dat verzoekster op 10 en 17 januari 2006 weigert buiten de klas haar hoofddoek af te nemen; dat de directeur van de basisschool De Zonnewijzer haar met een brief van 17 januari 2006 om dringende redenen ontslaat; dat in een brief van 18 januari 2006 nader wordt verklaard dat verzoekster zich door haar weigering om de hoofddoek buiten haar klas af te nemen, daadwerkelijk heeft gemanifesteerd als belijder van een bepaald geloof en daardoor de in het openbaar onderwijs vereiste neutraliteit niet heeft geëerbiedigd en het pedagogisch project van de school niet heeft nageleefd; Overwegende dat verzoekster tegen het ontslag op 3 februari 2006 beroep instelt bij de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonder- wijs; dat de raad van beroep bij beslissing van 31 juli 2006 het beroep van verzoek- ster verwerpt; XII-4840-2/8 De vordering tot schorsing
- Overwegende dat de tweede verwerende partij tegenwerpt dat de raad van beroep een orgaan is van de Vlaamse Gemeenschap en niet van het Gemeenschapsonderwijs, dat het Gemeenschapsonderwijs buiten de zaak moet worden gesteld en dat de vordering tegen het Gemeenschapsonderwijs, vertegen- woordigd door de scholengroep, niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing uitgaat van de raad van beroep van het Gemeenschapsonderwijs, ingesteld bij artikel 71 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs; dat die raad van beroep als een orgaan van de Vlaamse Gemeenschap te beschouwen is; dat bijgevolg de tweede verwerende partij op goede grond vraagt buiten de zaak te worden gesteld; dat op het verzoek wordt ingegaan;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § § 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernieti- ging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is;
- Overwegende, met betrekking tot de derde voorwaarde, dat verzoekster onder de rubriek “VI. Hoogdringendheid” als volgt toelicht waarom alleen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid haar kan behoeden voor het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij dreigt te lijden in afwachting van een uitspraak over de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing: “Op 17 augustus 2006 heeft de heer Jacky GORIS telefonisch contact opgenomen met de advocaat van verzoekende partij om mee te delen dat verzoekster terug aan de slag kon, indien zij het schoolreglement zou respecte- ren [...]. Deze mededeling impliceert dat de job van leerkracht Islam nog steeds vrij is binnen de school. Een uitspraak van uw Raad vóór 1 september 2006 zou het voor verzoekster aldus mogelijk maken om alsnog haar job binnen de school te hernemen. XII-4840-3/8 Een uitspraak vóór 1 september 2006 zou toelaten om de verworven dienstanciënniteit te kunnen valoriseren en een nieuwe aanvraag tot tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te dienen. Een passend moreel herstel kan ook slechts bekomen worden bij hoogdrin- gende behandeling van de zaak. Het is moreel ondraaglijk voor verzoekende partij om nog een aantal maanden te moeten wachten op een uitspraak omtrent de grenzen waarbinnen zij haar recht op vrijheid van godsdienst kan beoefenen binnen het Gemeenschapsonderwijs. Dit onderwijsnet is vrij groot en biedt het merendeel aan vacatures voor leermeesters Islam. Een spoedige afbakening van het geschil is dan ook noodzakelijk om het moreel nadeel te kunnen herstellen. Dit kan niet worden gerealiseerd via een gewone schorsingsprocedure die meerdere maanden in beslag neemt. Gelet op de ruime aandacht die de ‘hoofddoekenproblematiek’ in de pers heeft gekregen en het brandend actueel karakter van het maatschappelijk debat hieromtrent, kan enkel een spoedige uitspraak in enkele weken tijd een passend rechtsherstel bieden voor het onterechte ontslag. Een spoedige behandeling van de zaak zou ook een passend herstel uitmaken in het licht van de eerdere schendingen van gelijkheid van procespartijen en de rechten van verdediging door de Raad van Beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs. De algemeen directeur van de Scholengroep Brussel 8 kreeg immers, nog vóór de officiële betekening van de beslissing, inzage van tekst en stapte hiermee naar de pers. De mogelijkheid tot beroep op deze spoedprocedure en de erkenning van de hoogdringendheid van deze zaak zou aldus het vertrouwen van verzoekende partij in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht herstellen. De ingeroepen flagrante schendingen van het wettigheidsbeginsel (onwettige beperking van de godsdienstvrijheid die in de neutraliteitsverklaring is vastgelegd), van de vrijheid van godsdienst (artikel 9 EVRM) en van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel staven daarenboven de hoogdrin- gendheid van deze zaak”;
- Overwegende dat de procedure tot schorsing van de tenuitvoerleg- ging bij uiterst dringende noodzakelijkheid het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State zeer aanzienlijk verstoort en onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum beperkt; dat het voor een verzoekende partij dan ook zaak is om de toepassing van deze uitzonderlijke procedure te staven aan de hand van precieze en pertinente gegevens die met voldoende zekerheid kunnen doen aannemen dat een schorsing, bevolen volgens de gewone procedureregels, te laat zou komen om te voorkomen dat het gevreesde moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich voordoet; Overwegende dat wat verzoekster te dezen bestrijdt de voortijdige beëindiging is van een tijdelijke aanstelling voor een bepaalde duur die hoe dan ook afliep op 30 juni 2006; dat die vaststelling, gelet op het feit dat een schorsing -óók een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid- slechts voor de toekomst geldt, niet zonder relevantie is; dat zij de eerste verwerende partij er zelfs toe brengt verzoekster a priori zonder belang te noemen omdat een schorsing haar geen enkel XII-4840-4/8 voordeel kan opleveren; dat, ofschoon de Raad van State daar niet in meegaat, hij wel meent dat de voormelde vaststelling van aard is de strenge eisen die aan de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid worden gesteld, te dezen nog aan te scherpen;
- Overwegende dat in dit licht alvast verzoeksters betoog dat een schorsing vóór 1 september 2006 het mogelijk zou maken dat zij weer haar job binnen de school kan opnemen, niet overtuigt; dat het haar blijkbaar ook nu al, zonder schorsing, mogelijk is weer in De Zonnewijzer aan de slag te gaan; dat daarvoor weliswaar als voorwaarde geldt dat zij het schoolreglement eerbiedigt; dat evenwel de gevraagde schorsing, op grond van welk motief ook, aan de toepasselijk- heid van deze voorwaarde niets zou afdoen; dat het gezag van het schorsingsmotief in rechte opgesloten zit binnen de werking van het dictum; dat in onderhavig geval dit dictum alleen kan slaan op het ontslag van verzoekster met betrekking tot het schooljaar 2005-2006; dat, als zodanig, een schorsing van dat ontslag dan ook geen uitspraak zou inhouden over de houding die verzoekster en de directie met betrekking tot het dragen van een hoofddoek in het schooljaar 2006-2007 mogen of moeten aannemen; dat, in zoverre de schorsing van het ontslag er toe moet dienen verzoekster een precedent te bezorgen waarmee zij ook buiten ieder direct verband met dat ontslag haar voordeel kan doen, dit voordeel te onzeker en te onrechtstreeks is om een beroep op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te wettigen;
- Overwegende, aangaande verzoeksters tweede argument, dat het reeds eerder vermelde decreet van 27 maart 1991 ten behoeve van een personeelslid voorziet in het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op voorwaar- de, onder andere, dat de betrokkene in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep over een minimale dienstanciënniteit beschikt en dat hij er niet werd ontslagen; dat, gelet op de artikelen 21, § 3, en 21bis, § 3, van voornoemd decreet, het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, vóór 15 juni bij de raad van bestuur moet kandideren met een ter post aangetekende brief, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar; dat verzoekster middels een 14 juni 2006 gedateerde aanvraag, ook effectief haar aanspraken op dat recht voor het schooljaar 2006-2007 heeft doen gelden; dat de aanvraag met een brief van 28 juni 2006 verworpen is geworden om reden van verzoeksters ontslag; dat verzoekster tegen die verwerping alleen een beroep tot annulatie heeft ingediend; dat, voor zoveel een schorsing van XII-4840-5/8 het ontslag binnen het raam van dat annulatieberoep eventueel nuttig kan zijn, uit niets blijkt dat zij daarvoor bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet zijn bevolen; dat er in de gegeven omstandigheden geen reden is om vanwege verzoeksters mogelijke recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen;
- Overwegende dat de bestreden beslissing verzoekster om dringende redenen ontslaat; dat dit haar, niet onbegrijpelijk, moreel schaadt; dat, om evenwel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen verantwoor- den, dit moreel nadeel zodanig ernstig en moeilijk herstelbaar moet zijn dat het redelijkerwijze zelfs niet tijdens de duur van een gewone schorsingsprocedure kan worden verdragen; dat verzoekster wel beweert dat zulks het geval is, maar het niet aannemelijk maakt; dat de Raad van State inzonderheid niet bijvalt dat de “hoofddoe- kenproblematiek” en “het maatschappelijk debat hieromtrent” over een paar maanden niet meer actueel zullen zijn; dat die vrees al te hypothetisch is en ongerechtvaardigd voorkomt;
- Overwegende, wat het argument van het herstel van het vertrouwen in de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht betreft, dat het klaarblijkelijk op een misvatting steunt; dat midden augustus 2006, toen verzoekster zelf nog geen kennis had van de bestreden beslissing, de algemeen directeur van de scholengroep Brussel wel reeds de beslissing van de raad van beroep bleek te kennen en die in de pers becommentarieerde; dat wat daar ook van zij, de eerste verwerende partij terecht opmerkt dat de raad van beroep niet tot de rechterlijke macht behoort; dat het dan ook niet opgaat het beroep op de onderhavige uitzonderingsprocedure te verantwoorden door de noodzaak voor de Raad van State om het door de raad van beroep geschokte vertrouwen in de rechterlijke macht te “herstellen”;
- Overwegende, ten slotte, dat de aangevoerde schending van het wettigheidsbeginsel, van de vrijheid van godsdienst en van de gelijkheidsregel, wezenlijk de schorsingsvoorwaarde in verband met het aanvoeren van ernstige middelen betreft, niet die in verband met het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid;
- Overwegende dat de hiervoor besproken argumenten noch afzonderlijk noch tezamen beschouwd kunnen verantwoorden dat is voldaan aan de XII-4840-6/8 derde cumulatieve grondvoorwaarde voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat die vordering bijgevolg verworpen wordt; Het verzoek tot depersonalisatie
- Overwegende dat verzoekster met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State vraagt dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen; dat dit verzoek tot depersonalisatie wordt ingewilligd, BESLUIT: Artikel
- Het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door de scholengroep 8 - Brussel, wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid komen ten laste van verzoekster. Artikel
- Bij de publicatie van dit arrest zal de identiteit van verzoekster niet worden opgenomen. XII-4840-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus 2006, door de XIIe vakantiekamer, die was samengesteld uit: de Heren R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, J. LUST, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. XII-4840-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.160 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.886 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.953 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.