id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.176 Rolnummer: A. 139286/XIV-15990 Zaak: Arrest 162176 - - 31/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 02:56 Fiche Arrest nr 162.176 van 31 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.176 van 31 augustus 2006 in de zaak A. 139.286/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 17 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 1 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-15.990-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DASSEN, die loco advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 7 januari 2000 en zich vluchteling verklaart op 13 januari 2000; dat op 22 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 17 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart uw land verlaten te hebben na problemen met uw vader en met de autoriteiten omdat u een relatie had met een Iraniër. In de zomer van 1999 leerde u tijdens uw stage in een apotheek A. A. R. kennen, een staatsburger van Iran van Perzische origine. U begon een relatie met hem. Uw ouders wisten wel dat u een vriend had, maar ze wisten nog niet dat hij Iraniër was. In september 1999 trok u bij hem in. Eind september 1999 ging u met A. naar de burgerlijke stand om te huwen, maar dit werd jullie geweigerd. Ze verklaarden dat u bepaalde documenten niet had en dat u beter zou huwen in Iran omdat zij het niet wilden doen. Volgens u weigerden de autoriteiten uw huwelijk omdat u Armeense bent en A. Iraniër. In oktober 1999 kwam u uw vader op straat tegen. Blijkbaar was hij nu wel op de hoogte van uw relatie met een Iraniër. Uw vader viel u aan en sloeg u. Politieagenten in de buurt wilden tussenbeide komen, maar uw vader vertelde het hele verhaal. Hierop werd u ook beledigd door de politie en de agenten gingen weg. Uw vader dreigde ermee u te vermoorden indien u niet terug naar huis kwam. U kon weglopen en u vertelde alles aan A.. Jullie besloten te verhuizen naar Iran zodra hij zijn zaken geregeld had. U diende geen klacht in over deze aanval. In november 1999 ontdekte u dat u zwanger was. Rond 18 december 1999 ging u de verjaardag vieren van de man van een goede vriendin. Uw vriendin vertelde u dat ze via uw moeder te weten was gekomen dat uw vader naar u op zoek was en dat hij u officieel als vermist had opgegeven bij de politie. Uw vader had ergens gehoord dat u zwanger was. De volgende dag meldde u dit aan Ali en jullie besloten om zelf naar de politie te gaan en alles uit te leggen zodat jullie geen problemen zouden hebben om Armenië te verlaten. U ging naar het politiekantoor waar u alles verklaarde. U gaf uw paspoort af. De politie zei u dat u officieel gezocht werd. Ze schreven uw adres neer en zeiden dat u een attest moest verkrijgen dat u daar woonde. U kreeg uw paspoort niet terug. Ze verklaarden dat u uw paspoort zou terugkrijgen wanneer ze u een van de komende dagen zouden komen ophalen om alles op het politiebureau te regelen samen met uw vader. Diezelfde avond kwam uw vader samen met enkele agenten (waaronder dezelfde agent bij wie u een verklaring had ingediend) naar uw appartement. U en A. werden geslagen. Ze konden niet verdragen dat u een relatie had met een Iraniër, een moslim, en dat u zwanger was. U werd uit het raam gegooid. U vluchtte naar uw vriendin. Dezelfde nacht had u een miskraam. De volgende ochtend kon u bij een gynaecoloog hiervan een medisch attest verkrijgen. U logeerde bij uw vriendin. Haar man is A. nog gaan zoeken, maar kon hem nergens vinden. U heeft nooit meer iets van Ali vernomen. Op 3 januari 2000 vertrok u met het vliegtuig vanuit Yerevan naar Moskou. De man van uw vriendin regelde de reis zodat u zonder controles de luchthavens kon passeren. Diezelfde dag verliet u Moskou met een vrachtwagen waarmee u op 7 januari 2000 aankwam in België. Omdat uw gezondheid niet optimaal was vroeg u pas asiel aan op 13 januari
- U bent in het bezit van uw diploma, een getuigschrift, uw werkboekje, een uittreksel van uw examens, uw studentenbadge, een attest dat verklaart dat u samenwoonde met A.-A. R. (dd. 19/12/1999) en een medisch attest over uw miskraam (dd. 20/12/1999). U legde ook enkele documenten voor uit België die handelen over uw studie-activiteiten in België. XIV-15.990-2/9 B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u op onvoldoende wijze heeft getracht om bescherming te verkrijgen van de Armeense autoriteiten. U verklaarde dat u na het eerste incident in oktober 1999 geen klacht indiende omdat de politie die in de buurt stond u toch niet wou helpen en omdat u toen al besloten had Armenië te verlaten (CGVS, p.14). Verder verklaarde u dat u na het tweede incident, de aanval in uw appartement in december 1999, geen klacht heeft ingediend tegen de politieagenten en tegen uw vader omdat u begreep dat het nutteloos was (CGVS, p.19). Volgens uw verklaringen was het nutteloos omdat de politie niet hielp bij de eerste aanval, omdat u zich anders opnieuw in gevaar zou brengen en omdat ze uw paspoort nog in hun bezit hadden (CGVS, p.19). U verklaarde dat u niet kon rekenen op bescherming aangezien de politie tegen u was omdat u een relatie had met een Iraniër (CGVS, p.20). Zelfs indien u niet de nodige bescherming had kunnen verkrijgen bij de plaatselijke politie, heeft u nagelaten hulp te zoeken bij een hogere instantie. Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd dat -hoewel er negatieve gevoelens kunnen zijn tussen Armenen en moslims of Iraniërs- Iraniërs niet geïntimideerd worden door Armeense en lokale autoriteiten. Nergens blijkt uit de informatie dat er een systematische vervolging plaatsvindt in Armenië van Iraniërs. Bijgevolg is het onaannemelijk dat Ali, als Iraniër, en u, als Armeense vriendin van een Iraniër, nergens bescherming, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, konden vinden voor jullie problemen. Aldus dient er te worden vastgesteld dat u niet alle mogelijkheden om bescherming te krijgen of om uw problemen aan te klagen, heeft uitgeput. Verder kan u niet verduidelijken waarom u niet elders in Armenië zonder problemen zou kunnen leven. U verklaarde dat u niet elders was waardoor u niet weet of u elders ook geconfronteerd zou worden met deze problemen (CGVS, p.23). Bovendien stelde u dat er in Armenië misschien wel Iraniërs zijn die geen problemen hebben (CGVS, p.24). Ook dient te worden opgemerkt dat u weinig informatie kan verschaffen omtrent uw Perzische vriend, A.-A. R.. Zo kan u zijn geboorteplaats niet geven (CGVS, p.3) en weet u niet of hij legaal of illegaal in Armenië verbleef (CGVS, p.4). U kan ook niet antwoorden op de vraag of Ali het appartement waar jullie samen woonden huurde met een contract (CGVS, p.4). Tenslotte weet u ook niet sinds wanneer hij in Armenië was (CGVS, p.10) (Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u dat A. A. R. al een jaar in Yerevan woonde toen u met hem kennis maakte) (DVZ, nr.42). Het is opmerkelijk dat u zulke zaken niet weet over de man waarmee u volgens uw verklaringen in september 1999 wou huwen (CGVS, p.11). De door u neergelegde documenten ter staving van uw asielrelaas (diploma, getuigschrift, werkboekje, studentenbadge, verblijfsattest, medisch attest en documenten i.v.m. onderwijs in België) doen geen afbreuk aan deze conclusie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “SCHENDING VAN DE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR. Verzoekster werd geweigerd als vluchtelinge omwille van onvoldoende zwaarwichtige elementen om tot een verder onderzoek over te gaan.
- Verzoekster kon niet op haar autoriteiten beroep doen en dit blijkt uit haar eigen verklaringen.
- De politie was mee aanwezig op het ogenblik dat haar vader haar sloeg en ze lieten hem dit toe en bij de tweede maal kwamen ze hem zelfs helpen nergens blijkt uit de informatie dat er een systematische vervolging van Iranezen in Armenie is. Over welke informatie heeft men het dan? Bovendien het is niet omdat er niet tegenover alle Iranezen een systematische vervolging is dat zij niet persoonlijk en systematisch vervolgd werd. XIV-15.990-3/9 Dat me zelfs als zou men over dergelijke algemene informatie beschikken dan nog moet men haar persoonlijke situatie hierbij nagaan. Dat zij stukken heeft ter staving van haar persoonlijke problemen onder meer het medische attest. Dat met deze stukken geen rekening werd gehouden. Dat hieruit de onzorgvuldigheid blijkt waarmee het dossier is behandeld.; Dat zij immers voldoende feiten heeft aangebracht waarop zij haar asielrelaas steunt. De kandidaat vluchteling moet in deze fase van de erkenningsprocedure nog geen sluitend bewijs leveren van de gegrondheid van haar aanvraag. Het aanbrengen van gegevens, een begrip dat ruim genoeg is om aan asielzoekers de kans te bieden ieder argument aan te bieden dat hij nuttig acht om zijn aanvraag te staven. Dat er ernstige aanwijzingen zijn van vrees voor haar leven volstaat. Ter verduidelijking. In deze fase van de erkenningsprocedure is alleen vereist dat betrokkene een coherente vizie brengt van de feiten er wordt op dat moment geen bewijs door getuigen of geschriften vereist. Dat verzoekster zich ook afvraagt op welke grond het Commissariaat-Generaal zich beroept om te stellen dat zij onontvankelijk wordt verklaard. . Dat immers het dossier individueel dient onderzocht te worden en het feit dat het Commissariaat Generaal beschikt over algemene informatie waarbij geen systematische vervolging van Iranezen wordt vastgesteld dan nog moet haar persoonlijke situatie en de systematische en persoonlijke vervolging ten hare aanzien worden bekeken. Dat men moet nagaan of zij een coherente visie over de feiten brengt. Hier wordt gene opmerking over gegeven of geen enkele tegenstrijdigheid naar voor gebracht dus kan men besluiten dat zij een coherente en duidelijke situering heeft gegeven van haar eigen redenen om tot een gegronde vrees te besluiten.. Dat zij duidelijk in haar interview heeft uiteengezet dat zij gevlucht is nadat zij eerst alles via de politie heeft proberen op te lossen dat het pas nadat zij ondervond dat zij op geen enkele bescherming kon beroep doen integendeel dat haar vader de politie tegen haar gebruikte dat ze pas besloten heeft om te vluchten.. Dat verzoekster dan ook meent dat haar aanvraag tot asiel niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat het niet opgaat om te stellen dat men beschikt over algemene informatie als zouden Iranezen niet vervolgd worden Dat het de context is waarin deze persoonlijke feiten zich hebben voorgedaan die moeten gecontroleerd worden. Dat dit niet meer redelijk is gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft gelet op de huidige toestand in het land van herkomst, zijnde Armenië ... . Dat ook de redelijke termijn om tot een dergelijke beslissing te komen in grote mate overschreden is. Dat zij ondertussen drie jaar en half in de procedure verblijft , dat zij een vaste relatie heeft opgebouwd met een andere Armenier die ook in België verblijft. Dat zij verder gestudeerd heeft in België en dat zij dit verder wil blijven volgen , zie artikel negen ten derde. Dat zij ook mocht verwachten na zulke lange termijn van verblijf in België dat men minstens haar aanvraag gegrond zou verklaren en zeker niet zo lang zou wachten om uiteindelijk tot een dergelijke beslissing te komen.. Dat dit niet meer redelijk is.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het eerste middel roept verzoekster de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster stelt dat ze geen beroep kon doen op de autoriteiten en dit duidelijk uit haar verklaringen zou blijken. Dat de politie aanwezig zou geweest zijn op het ogenblik dat ze door haar vader zou zijn geslagen en ze hem bij de tweedemaal zelfs kwamen helpen. Verweerder antwoordt dat uit de verklaringen van verzoekster duidelijk blijkt dat ze nagelaten heeft bij de hogere Armeense instanties bescherming te zoeken. Daarnaast verklaarde verzoekster dat ze op geen bescherming kan rekenen omdat ze een relatie zou gehad hebben met een Iraniër. Echter uit informatie, waarover het Commissariaat-generaal beschikt en zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat Iraniërs niet geïntimideerd worden door Armeense en lokale autoriteiten. En dat nergens uit deze informatie blijkt dat er systematische vervolging plaatsvindt van Iraniërs in Armenië. Dat het bijgevolg onaannemelijk is dat Ali, XIV-15.990-4/9 verzoekster Iraanse vriend en verzoekster nergens op bescherming konden rekenen zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Verzoekster stelt dat ze niet weet om welke informatie het zou gaan. Verweerder antwoordt dat in bestreden beslissing duidelijk blijkt dat deze informatie terug is te vinden in het administratief dossier van verzoekster. Dat verzoekster en/of haar raadsman op éénvoudig verzoek deze informatie konden inzien en er kennis van konden nemen. Verzoekster stelt dat geen rekening werd gehouden met de door haar neergelegde stukken. Verweerder stelt vast dat wel degelijk rekening werd gehouden met de door verzoekster voorgelegde stukken en dat werd geoordeeld dat ze geen afbreuk aan de motivering. Daarnaast laat verzoekster na uit te leggen waarom het voorgelegde medisch attest haar problemen zou bewijzen. Verzoekster stelt dat het aanbrengen van coherente visie in deze fase van de asielprocedure voldoende is. Verweerder antwoordt dat de Raad van State reeds eerder oordeelde dat de kandidaat-vluchteling moet aantonen dat zijn asielaanvraag gerechtvaardigd is, dat hoewel niet noodzakelijk bewijsstukken moeten worden aangebracht, de asielaanvraag moet gestaafd worden met een geloofwaardig verhaal waaruit genoegzaam blijkt dat de kandidaat-vluchteling valt onder de voorwaarden om erkend te worden als vluchteling (RvSt., arr. nr. 104.048 van 27 februari 2002). In casu blijkt dit niet het geval te zijn zoals blijkt uit de bestreden beslissing. Zo kon bijvoorbeeld verzoekster weinig informatie verschaffen over haar Iraanse vriend, Ali, van wie ze zwanger zou zijn geweest en met wie ze wou huwen. Verzoekster kon niet vertellen waar hij geboren was of hij illegaal of legaal in Armenië verbleef (CGVS, p.4). Kon verzoekster niet vertellen of A. het appartement waar jullie woonden huurde met een contract en kon zij niet vertellen sinds wanneer haar vriend in Armenië was... (CGVS, P. 10). Verweerder wijst erop dat elke asielaanvraag door de Commissaris-generaal afzonderlijk wordt onderzocht. Alvorens een beslissing te nemen bestudeert hij alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. Elke asielaanvraag wordt individueel benaderd. De Commissaris-generaal houdt bij het nemen van een beslissing, zowel in de ontvankelijkheidsfase als bij de procedure ten gronde, steeds rekening met de concrete situatie in het land van herkomst alsook met de individuele elementen aangebracht door de kandidaat-vluchteling. Bovendien gaat het steeds om de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land gebeurt in eik stadium van de procedure. Feiten en elementen eigen aan elke concrete asielaanvraag zijn bepalend bij de beoordeling van het dossier door de Commissaris-generaal. Tenslotte stelt verzoekster dat de redelijke termijn zou overschreden zijn. Verweerder antwoordt dat de termijnen die aan het Commissariaat-generaal worden opgelegd in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet termijnen van orde zijn. Dit betekent dat de niet-naleving van deze termijnen door het Commissariaat-generaal niet leidt tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Bovendien toont verzoekster niet aan welk belang hij zou hebben gehad bij het sneller ontvangen van de bestreden beslissing. Verzoekster kan alvast niet beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure daar zij gelet op het bepaalde in artikel 63/5 Vr.W door dit feit geruime tijd langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en, in afwachting van de behandeling van het dringend beroep, in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen ( Nr. 99.810 van 16 oktober 2001 ; Nr. 100.624 van 07 november 2001 ; Nr. 108.061 van 19 juni 2002). Uit het administratief dossier blijkt trouwens dat de Commissaris-generaal binnen een redelijke termijn een beslissing heeft genomen. Het eerste middel is ongegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Dat de beslissing met betrekking tot de ontvankelijkheid op zich onbegrijpelijk is. Dat ze genomen is louter en alleen op de vergelijking tussen de verklaringen afgelegd op de dienst Vreemdelingenzaken meer dan drie jaar geleden en diegene die nu zijn afgenomen op het commissariaat-generaal. Dat zij drie jaar besloten hebben dat verzoekster haar aanvraag kennelijk ongegrond is. Dat de overheid de plicht heeft om elke beslissing uitdrukkelijk te motiveren zodat ze aan verzoekster duidelijk maakt waarom tot een dergelijke beslissing werd overgegaan. Hoe kan dit in casu duidelijk zijn voor verzoekster. Haar documenten worden opgesomd en niet verder ontleed er wordt alleen gesteld dat ze niet voldoende zijn om hun mening te wijzigen. XIV-15.990-5/9 Dat men stelt dat ze niet zou de hulp zou ingeroepen hebben van haar autoriteiten. Dat zij verwijzen naar algemene informatie dat Iraniers niet zouden vervolgd worden door Armeense bevolking en lokale autoriteiten. Het is uiteraard haar vader die niet akkoord was met haar handelswijze en die de lokale autoriteiten tegen haar opzette. Dat deze man wel wat invloed had bij de lokale autoriteiten. Dat ze daarom geen bescherming kan krijgen door haar autoriteiten en dat dit ook onder de Conventie valt. Maar dat men om deze redenen haar aanvraag niet als ongegrond kan bestempelen. Dat men een beslissing neemt tot kennelijke aanvraag zonder afdoende te motiveren waarom. Dat ze elementen heeft aangehaald die belangrijk waren voor haar asielaanvraag. Op de dienst Vreemdelingenzaken werd haar immers gevraagd het kort te houden en in enkele bewoordingen te kennen te geven wat haar gedreven heeft om haar land te verlaten, de concrete aanleiding. Zij heeft dit dan ook gedaan. Dat elkeen die naar België vlucht en stelt wat hem kan overkomen bij terugkeer en welk zijn concrete angst is, telkens zal verklaren wat hem hypothetisch kan overkomen indien het hem al overkomen was, had zij of hij immers niet meer kunnen vluchten. Dat zij zeker aanwijzingen heeft aangebracht die erop wijzen dat ze risico loopt en dat dit verder onderzocht had moeten worden. Dat er dan ook meer dan voldoende redenen zijn om te stellen dat de huidige beslissing dient vernietigd te worden. Dat de verplichting tot motivering die de overheid heeft op geen enkele wijze werd voldaan met betrekking tot de bedrieglijkheid van haar aanvraag. Dat ze voldoende documenten bij zich had om haar identiteit en nationaliteit te bewijzen. Dat men de redelijke termijn om haar een tweede maal te ondervragen, ook ruimschoots heeft laten overschrijden. Dat het niet opgaat meer dan drie jaar na de eerste ondervraging te stellen dat volgens de verklaringen die ze heeft afgelegd, men meent dat men voldoende elementen heeft om tot afwijzing over te gaan. Omdat haar redenen op zich niet onder de Conventie zouden vallen; Dat men dit dan meer dan drie jaar geleden al had kunnen beslissen indien dit werkelijk zo was. Dat men het zelfs niet nodig acht als DVZ om tussen te komen en te antwoorden op huidig verzoekschrift in nietigverklaring. Dat zij ondertussen hier volledig geïntegreerd is, zie artikel negen ten derde. Dat zij de taal geleerd heeft zowel Nederlands als Frans en verder gestudeerd heeft met een beurs omdat zij zich zo inzette. Dat het niet opgaat haar dit eerst ruimschoots te laten doen en meer dan drie jaar te laten verblijven om dan alsnog tot een kennelijke ongegrondheid te besluiten om op grond van algemene informatie. Dat dit werkelijk een gebrek aan behoorlijk bestuur vormt.”; 2.1.
- Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel enkel betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarom de bestreden beslissing op niet-correcte gegevens steunt; dat de bestreden beslissing duidelijk verwijst naar informatie die terug te vinden is in het administratief dossier en waarvan de verzoekende partij derhalve kennis kan nemen; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het medisch attest, waarnaar zij verwijst, afbreuk kan doen aan de motivering van de bestreden beslissing; dat zij voor het overige in wezen slechts haar eigen standpunt herhaalt; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont hoe de zorgvuldigheidsverplichting werd geschonden; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij de schending van de redelijke termijn opwerpt; dat artikel 63/3, § 1, derde lid van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de XIV-15.990-6/9 commissaris-generaal in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 februari 2001 een weigering van verblijf inhoud, zodat bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij uit het middel geen voordeel kan halen, zodat het in die mate niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSVERPLICHTING Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan . Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom men overgaat tot het nemen van weigeringsbeslissing op grond van ongegrondheid.. Dat indien men vond dat haar aanvraag als kennelijk kon worden bestempeld dat men dan toch geen drie jaar en half nodig had om tot een dergelijke bevinding te komen. Verzoekster heeft op geen enkele wijze verklaringen afgelegd die niet met gekende feiten overeenkomen. De motivering die wordt aangevoerd wordt tegengesproken door het dossier en de verklaringen van verzoekster zelf. Zij heeft immers wel degelijk de bescherming ingeroepen van haar autoriteiten doch deze hebben zich tegen haar gekeerd. Het feit dat er geen Iraniers worden systematisch vervolgd in Armenie, volgens informatie waarover het Commissariaatgeneraal beschikt, is geen antwoord op haar persoonlijke redenen waarom zij problemen had. Het feit dat ze niet weet of haar vriend en huurcontract heeft ja dan neen , of dat zij de geboorteplaats van haar vriend niet kan opgeven is geen motivering om voor het overige aan haar asielaanvraag te twijfelen. Zij heeft heel wat documenten afgeven deze worden gewoon opgesomd. Inde beslissing doch er wordt niet gemotiveerd waarom zij in dit stadium van de procedure niet voldoende zouden zijn. Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van haar aanvraag. Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoekster heeft alleen het gevoel gekregen dat alle pietluttigheden die konden aangewend worden ( en die alleen algemene informatie betreffen ) om tot weigering over te gaan zijn gebruikt terwijl de werkelijke belangrijke redenen onbeantwoord zijn gebleven. In geval van kennelijke ongegronde aanvraag van de asielaanvraag kan de minister of de gevolmachtigde van de minister besluiten tot onontvankelijkheid. Dit zal het geval zijn indien de vreemdeling geen coherente verklaringen aflegt of verklaringen die manifest tegenstrijdig zijn met bekende feiten . Dit valt onmogelijk vast te stellen. In de huidige motivering die dan ook gebrekkig is en waar verzoekster geen gegronde reden kan in vinden waarom ze tot een dergelijke beslissing zijn gekomen, dat elk argument hiervoor ontbreekt. Dat er dan ook geen enkele reden is om over te gaan tot het weigeren op grond van kennelijk ongegronde aanvraag. Dat verzoekster dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering en onzorgvuldige benadering van haar problemen..”; XIV-15.990-7/9 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het tweede middel roept verzoekster de schending van de motiveringsplicht in. Verweerder stelt vast dat verzoekster bij de uitwerking van dit middel de motieven herneemt die zij in eerste middel heeft opgeworpen, verweerder verwijst dan ook naar zijn uitwerking van het eerste middel. Het tweede middel is niet gegrond.”, 2.2.
- Overwegende dat aangaande de memorie van wederantwoord dient te worden verwezen naar considerans 2.1.3.; 2.2.
- Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij niet verder komt dan haar standpunt te bevestigen en louter het tegenovergestelde van de bevindingen van de commissaris-generaal op te werpen, zonder daar concrete gegevens aan toe te voegen; dat de commissaris-generaal kon vaststellen dat de verzoekende partij op onvoldoende wijze heeft getracht om bescherming te verkrijgen van de (hogere) Armeense autoriteiten en dat zij zich elders in Armenië zonder problemen had kunnen vestigen; dat de verzoekende partij zelf in de memorie van wederantwoord uitdrukkelijk verwijst naar het feit dat het haar vader was die niet akkoord was met haar handelwijze en die de lokale autoriteiten tegen haar opzette, en dat hij “invloed had bij de lokale autoriteiten”; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-15.990-8/9 Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.990-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.