← België

Arrest 162246 - - 31/08/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.246 Rolnummer: A. 127992/XIV-12128 Zaak: Arrest 162246 - - 31/08/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 02:57 Fiche Arrest nr 162.246 van 31 augustus 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.246 van 31 augustus 2006 in de zaak A. 127.992/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woont te 2800 WILLEBROEK, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 26 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 augustus 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard en de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 augustus 2002 tot bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 4 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. EL MASLOUI, die loco advocaat S. STEVENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat XIV-12.128-1/6 C. DECORDIER, die loco advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 januari 1999 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 6 maart 2000 beslist tot weigering van erkenning van de hoedanigheid als vluchteling; dat de vaste beroepscommissie voor Vluchtelingen op 11 augustus 2000 eveneens beslist tot weigering van erkenning als vluchteling; dat de verzoekende partij tegen deze laatste beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingediend, dat echter met ‘s Raads arrest nr. 97.722 van 11 juli 2001 is verworpen; Overwegende dat de verzoekende partij op 18 september 2001 via de burgemeester van de gemeente Willebroek een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag op 14 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de eerste bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “La demande d'autorisation de séjour adressée par XXX né à Luanda le 07/03/1972, de nationalité Angola, ex-candidat réfugié en application de l'article 9 , alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est irrecevable. Adresse : 2830 Willebroek MOTIFS : aucune circonstance exceptionnelle n'est invoquée. Le requérant a été autorisé au séjour dans le cadre de sa demande d'asile introduite le 03/01/1999 et clôturée le 28/08/2000, dans un délai raisonnable étant donné les recours introduits par l'intéressé. De la même manière, il a été autorisé à travailler uniquement durant la période de recevabilité de sa demande d'asile, soit du 19/01/1999 au 08/03/
  3. Aussi, en signant un contrat de travail à durée indéterminée le 17/04/2001, alors qu'il n'avait plus droit à une autorisation provisoire de travail, le requérant a commis une infraction à l'ordre public( Conseil d'Etat arrêt No 100.223 du 24/10/
  4. Ces arguments ne constituent donc pas une. circonstance exceptionnelle empêchant ou rendant difficile un retour temporaire. Quant aux éléments d'intégration ', -' à savoir l'apprentissage d u néerlandais, son bénévolat pour l’association "aide aux personnes handicapées physiques dans les pays du Tiers Monde", les lettres de témoignage, ils ne constituent pas une circonstance exceptionnelle mais Pourront faire l'objet d'un examen lors de l'introduction éventuelle d'une demande conforme en application de l'article 9 alinéa 2 de la loi du 15/12/1980 étant donné que rien n'empêche l'intéressé de se conformer à la législation en vigueur en matière d'accès, de séjour et d'établissement sur le territoire belge, à savoir: lever les autorisations requises auprès des autorités diplomatiques compétentes pour le lieu de résidence. En ce qui concerne la loi du'22/12/199 , ~rappelons que le requérant n'a pas à faire application de l’esprit de la loî du 22/12/1999 sur la régularisation de certaines catégories d'étrangers étant donné que ladite de loi du 22/12/19999 relative à la régularisation de certaines XIV-12.128-2/6 catégories d'étrangers séjournant sur le territoire belge vise des situations différentes(Conseil d'Etat arrêt N' 100.223 du 24/10/2001). Dès lors, étant donné que l'intéressé n'a pas obtenu le statut de réfugié, il y a lieu de lui notifier, après retrait de l'attestation d'immatriculation un ordre de quitter le territoire valable 30 jours (annexe 13 - modèle B), en y stipulant la date à laquelle les instructions vous ont été envoyées, c'est-à-dire en aioutant après les termes "en exécution du Ministre de l'intérieur, la mention 11vrise en date du 14/08/2002 MOTIF DE LA MESURE : - Demeure dans le Royaume au-delà du délai fixé conformément à l'article 6 ou ne peut apporter la preuve que ce délai n'est pas dépassé (loi du 15.12.80 -Article 7 al.1, 2') - N'a pas été reconnu comme réfugié(e) (A.R. du 8.10.81 - Article 77). Veuillez faire procéder à l’encodage de la notification de l'annexe 13 au registre national. Vous voudrez bien m'informer en temps utile de la suite réservée par l'étranger précité à l'ordre de quitter le territoire que vous lui aurez notifié. La présente de même que l'annexe 13 seront notifiées à la personne prénommée. Un exemplaire dûment notifié nous sera retourné. Le troisième restera en vos archives. Vous voudrez bien également informer l'intéressé que la décision est susceptible d'un recours en annulation et d'une demande en suspension auprès du Conseil d'Etat, conformément aux articles 14 et 17 des lois sur le Conseil d'Etat ' coordonnées le 12 janvier 1973, trente jours à dater de la notification de la décision. La demande en suspension doit être introduite par un acte distinct et au plus tard avec la requête en annulation. Le recours en annulation et la demande en suspension doivent être formés par le requête datée, signée par le requérant ou par un avocat et envoyés, par lettre recommandée à la poste, à Monsieur le Président du Conseil d'Etat, rue de la Science, 33 à 1040 Bruxelles.”; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 11 september 2002 een bevel om het grondgebied te verlaten geeft; dat dit de tweede bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art. 7 alinea 1).”;
  5. Overwegende, wat de behandeling van de zaak voor een Franstalige dan wel een Nederlandstalige kamer van de Raad van State betreft, dat de eerste bestreden beslissing in het Frans en de tweede bestreden beslissing in het Nederlands is opgesteld; dat de zaak overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 87 juncto 53 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet worden behandeld in de taal waarin de bestreden beslissing is opgesteld; dat in casu de bestreden beslissingen in principe respectievelijk door een Franstalige en een Nederlandstalige kamer zouden moeten worden behandeld; dat de beide beslissingen echter met hetzelfde verzoekschrift tot nietigverklaring worden aangevochten, zodat de zaak niet kan worden gesplitst; dat de zaak aldus ingeschreven kan blijven op de Nederlandse taalrol; dat de verzoekende partij overigens zonder enig voorbehoud ter terechtzitting werd vertegenwoordigd; 3.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt en dit als volgt toelicht: “L'article 62 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers stipule que : XIV-12.128-3/6 “les décisions administratives sont motivées". or, la décision querellée se contente d'énumérer les éléments motivant la demande de régularisation de séjour pour considérer qu'il ne s’agit pas de circonstances exceptionnelles ; Que cette motivation est d'une part hypocrite, la partie adverse sachant pertinemment que le requérant ne pourra revenir en Belgique même s'il introduit sa demande en Angola ; Que d'autre part, cette motivation montre à suffisance les excès commis par.la partie adverse dans l'application de son pouvoir discrétionnaire que lui reconnaît l'article 9 alinea 3 de la loi du 15.12.80; Qu'en effet, la partie adverse se contente de considérer que les éléments invoques par le requérant « ne peuvent être considérés comme exceptionnelles » sans en expliquer au requérant les raisons; pourquoi le fait d'avoir suivi des cours durant son séjour régulier, d'avoir travailler et d'avoir développé de nombreuses attaches en Belgique ne peuvent être considérés comme des circonstances exceptionnelles ? Qu'en se contentant de citer un arrêt du Conseil d'Etat concernant l'application de l'esprit de la loi du 22.12.99 au cas d'espèce, la partie adverse ignore les éléments invoques par le requérant à l'appui de sa demande ; que la partie adverse était tenue d'exprimer les motifs pour lesquels elle estime ne pas devoir les retenir au titre de circonstances exceptionnelles ; Qu’en effet, il résulte de la jurisprudence dégagée par les chambres de la commission de régularisation que la commission n'a pas retenu sensu stricto les critères de la loi du 22.12.99 sur la durée de séjour ; Que bien au contraire, la commission a examiné -au cas par cas- les situations, régularisant des étrangers qui étaient sur notre territoire depuis moins longtemps que 6 ou 5 ans (voir par exemple, avis favorable rendu le 22 septembre 2000 dans le dossier de Monsieur M.D. qui était arrivé en Belgique en septembre 1997 : la commission constate que ‘le critère d'attaches sociales durables » et de « motifs humanitaires visés à l'article 2, 411 apparaissent également: reun3.s, compte tenu des preuves de l’intégration de Monsieur M. en Belgique ( ... )’ ( avis rendu par la 5ème chambre de la commission de régularisation dans le dossier 5620 2000 0118 00002); Qu'ainsi, la commission a rendu un avis favorable alors que le demandeur n'était présent que depuis 3 ans en Belgique ; Que l'on ne voit donc pas en quoi ‘la loi du 22.12.99 vise des situations différentes’; Que pour apprécier la durée du séjour,. la partie adverse doit se placer au moment où elle statue ; Que le Conseil d'Etat censure les décisions qui utilisent une formule générale lorsque celle-ci ne permet pas de contrôler si l'autorité a effectivement exercé son pouvoir d'appréciation. Qu'ainsi, en ne prenant pas en compte la situation » réelle du requérant et en motivant de manière sibylline sa décision, la partie adverse a violé l'article 62 de la loi du 15 décembre 1980.”; 3.2.
  7. Overwegende dat het enige middel enkel tegen de eerste bestreden beslissing blijkt te zijn gericht; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het zinvol is die beslissing in rechte aan te vechten; dat de opgegeven motieven afdoende moeten zijn, dit wil zeggen dat zij de bestreden beslissing moeten kunnen dragen; Overwegende dat de vreemdeling zijn aanvraag om machtiging tot verblijf naar luid van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet in de regel moet indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat de vreemdeling naar luid van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet “in buitengewone omstandigheden” die aanvraag kan indienen bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; dat de in deze XIV-12.128-4/6 laatste bepaling bedoelde buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om de machtiging tot verblijf te bekomen; dat een met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet ingediende aanvraag niet-ontvankelijk is wanneer die buitengewone omstandigheden er niet zijn; dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de verzoekende partij een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur op 17 april 2001 heeft afgesloten, dit wil zeggen na de verwerping in laatste aanleg van haar asielaanvraag; dat verder wordt overwogen dat de door de verzoekende partij aangevoerde elementen betreffende haar integratie mogelijkerwijze in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van een aanvraag op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, doch geen hinderpaal vormen om dergelijke aanvraag in te dienen; dat tenslotte wordt overwogen dat de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (hierna Regularisatiewet), waarnaar de verzoekende partij verwijst, op een andere situatie betrekking heeft; dat de motieven van de bestreden beslissing aldus op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen; dat derhalve duidelijk blijkt waarom de door de verzoekende partij ingeroepen elementen geen “bijzondere omstandigheden” vormen die een aanvraag overeenkomstig artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet in de weg staan; dat de verzoekende partij de motivering betreffende haar arbeidsovereenkomst en integratie wat dat betreft niet weerlegt; dat een aanvraag overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet geenszins met een aanvraag op grond van de Regularisatiewet, waarvoor andere toepassingsvoorwaarden gelden, kan worden gelijkgesteld; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de motieven van de bestreden beslissing niet draagkrachtig zijn; dat het enige middel ongegrond is; 3.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen kritiek tegen de tweede bestreden beslissing ontwikkelt; dat de vordering tegen de tweede bestreden beslissing alleen al om die reden niet-ontvankelijk is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.128-5/6 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.128-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.