← België

Arrest 162313 - - 06/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.313 Rolnummer: A. 138411/XIV-28501 Zaak: Arrest 162313 - - 06/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-01 03:17 Fiche Arrest nr 162.313 van 6 september 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.313 van 6 september 2006 in de zaak A. 138.411/VII-35.995 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat C. BORMS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, De Burburestraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chileense nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 april 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.995-1/6 Gelet op de beschikking van 16 mei 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WOLTERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij dient op 15 februari 2002 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op grond van art. 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Deze aanvraag is als volgt gemotiveerd: “(...) De heer XXX, van chileense nationaliteit, woonde sedert 14 juli 1985 in Buenos Aires (Argentinië). Hij woonde samen met Mevrouw C. M., geboren op 30/09/1949, waarmee hij 1 zoon kreeg, A. S. M., geboren op 15/12/1982, beiden wonende te Mar de Plata (Argentinië). In augustus 2001 kwam verzoeker naar België om arbeidsredenen. Een paar weken later werd verzoeker ernstig ziek en diende te worden opgenomen in het OCMW Algemeen Ziekenhuis Stuyvenberg. De diagnose werd lymfenkanker. Verzoeker dient veel medicatie in te nemen en dient wekelijks te worden opgenomen in de dagkliniek OCMW Algemeen Ziekenhuis Stuyvenberg. Hij bevindt zich om deze redenen in de onmogelijkheid om het land te verlaten. Bovendien is in Argentinië de situatie momenteel van die aard dat hij daar noch de nodige medische behandeling, noch de nodige medicatie zou kunnen krijgen. In bijlage zend ik U medisch attest van Dokter Zachee Pierre, alsmede het medisch dossier van het ziekenhuis Stuyvenberg en een overzicht van de te nemen geneesmiddelen. (...).”. 1.
  3. Op 22 april 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij die aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt: VII-35.995-2/6 “Het feit dat betrokkene onmogelijk het land kan verlaten wegens medische problemen vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Uit het medisch verslag van de arts van het departement blijkt dat betrokkene kan terugkeren naar het land van herkomst en dat de opvolging van zijn medische problemen ginder mogelijk is. Betrokkene kan de aanvraag aldus indienen in het land van herkomst of in een land waartoe betrokkene gemachtigd is tot verblijf.”.
  4. Beoordeling.
  5. Ten aanzien van de toepassing van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiële motiveringsplicht doordat de bestreden beslissing enkel verwijst naar de mogelijkheid van medische behandeling in Chili en dit zonder te hebben onderzocht of zij in Argentinië waar zij jaren woonachtig was, een medische behandeling kon volgen. Uit het verslag van Dr. De Block, raadsgeneesheer van de verwerende partij, blijkt dat deze enkel de verzorgingsmogelijkheid in Chili heeft onderzocht. Nochtans was de verwerende partij, na lezing van het verzoek om machtiging, op de hoogte van het feit dat de verzoekende partij voordien wettig en vast in Argentinië verbleef. Artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet verwijst naar de “verblijfplaats” van de vreemdeling. Op het eerste gezicht kan de verzoekende partij worden gevolgd wanneer zij stelt dat de verwerende partij een te beperkte opdracht heeft verleend aan haar raadsgeneesheer, zodat de bestreden beslissing, die volledig is gebaseerd op dit verslag, niet naar behoren is gemotiveerd. Er is bijgevolg geen ernstige grond om in het huidige geval toepassing te maken van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
  6. Dus zal de zaak moeten worden onderzocht en behandeld overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het eerdergenoemd koninklijk besluit.
  7. Betreffende de vordering tot schorsing. VII-35.995-3/6 In het auditoraatsverslag wordt in subsidiaire orde voorgesteld de vordering tot schorsing te verwerpen wegens gebrek aan ernstige middelen. Gezien de nota van de verwerende partij. Op grond van artikel 17,§2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Hierboven werd reeds uiteengezet dat het middel prima facie niet ongegrond en dus ernstig is. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zet de verzoekende partij het volgende uiteen: “(...) Dat, indien hij uit België wordt uitgewezen, hij terug zal moeten keren naar zijn land van herkomst. Dat zijn land van herkomst, ook het land waar zijn familie zich bevindt, Argentinië is en niet Chili. (zoals verkeerdelijk door de arts van het departement gesteld) ( Zie stuk 2 ) Dat de medische behandelingen die verzoeker nodig heeft, in Argentinië wel bestaan maar ofwel zeer duur zijn en enkel te bekomen in privé-ziekenhuizen, ofwel worden verleend in publieke ziekenhuizen waar echter een zeer lange wachtlijst bestaat. Dat de situatie in Argentinië op sociaal en medisch vlak zeer slecht zijn sinds de crisis in
  8. Aangezien hij in ARGENTINIE geen medische behandeling zal krijgen zoals in België. Dat hij aldaar maanden zou moeten wachten om een bloedproef te kunnen ondergaan. Dat het voor een scanner nog langer duurt. Dat hij echter zeer regelmatig onderzoeken moet laten uitvoeren mbt de evolutie van zijn lymfenkanker. Dat hij eveneens medische behandeling dient te volgen voor de katheter in zijn borstkas. Aangezien zijn ziekte bij een gedwongen terugkeer naar Argentinië aldus zeer snel zou kunnen evolueren en zelfs definitieve catastrofale gevolgen kan hebben voor verzoeker gelet op het feit dat hij niet tijdig de nodige medische zorgen zal kunnen krijgen.”. De verwerende partij stelt daar op nogal cynische wijze het volgende tegenover: “Verzoeker voert zelf aan dat de medische behandeling in Argentinië mogelijk is, doch minder vlot toegankelijk dan in België. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond nu de mogelijkheid van behandeling vaststaat. De modaliteiten van de behandeling kunnen niet doorslaggevend zijn ter beoordeling van het ingeroepen nadeel, daar de toegang tot de medische bijstand volstaat en niet noodzakelijk optimaal moet zijn en/of het niveau moet bereiken waarvan verzoeker momenteel geniet.”. VII-35.995-4/6 De door de verzoekende partij gegeven uiteenzetting overtuigt en wordt overigens niet ernstig en concreet betwist door de verwerende partij. De wettelijke voorwaarden zijn vervuld opdat de Raad van State de schorsing zou kunnen bevelen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, BESLUIT: Artikel
  9. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 april 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring zal desgevallend worden onderzocht en behandeld overeenkomstig hetgeen bepaald is in de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel
  11. De kosten worden voorbehouden. VII-35.995-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-35.995-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.