← België

Arrest 162322 - - 06/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.322 Rolnummer: A. 145620/VII-31266 Zaak: Arrest 162322 - - 06/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 03:17 Fiche Arrest nr 162.322 van 6 september 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.322 van 6 september 2006 in de zaak A. 145.620/VII-31.266 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen, die woonplaats kiezen bij advocaat L. PEPERMANS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, afkomstig uit voormalig Joegoslavië, op 5 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 september 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 5 november 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.266-1/6 Gelet op de beschikking van 16 mei 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat L. PEPERMANS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat N. LUCAS, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten. 1.
  4. De verzoekende partijen, van voormalig Joegoslavische nationaliteit, kwamen in België binnen op 22 en 27 september 1999 waar zij zich respectievelijk op 23 en 29 september 1999 vluchteling verklaarden. 1.
  5. Op 25 januari 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. 1.
  6. Op 21 juni 2000 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken, wegens het bedrieglijk karakter van de asielaanvragen. 1.
  7. De beroepen die daartegen werden ingesteld bij de Raad van State werden op 5 april 2001 verworpen bij arresten nrs. 94.616 en 94.
  8. 1.
  9. Op 3 juli 2001 dienden de verzoekende partijen een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. In deze aanvraag stelden de verzoekende partijen over de ontvankelijkheid: “Er zijn verschillende reden waarom verzoekers niet terug kunnen naar Kosovo, om daar bij de bevoegde autoriteiten te verzoeken om een machtiging van verblijf van meer dan drie maanden. VII-31.266-2/6 Ten eerste is er de nog steeds onveilige situatie in Kosovo. (...) rapporten tonen aan dat het nog steeds niet veilig is voor Roma om terug te keren naar Mitrovica, zelfs al zou dit maar voor korte tijd zijn. (...) Ten tweede is de woning van verzoekers afgebrand, en kunnen zij dus nergens verblijven. Ten derde gaan de kinderen van verzoekers hier reeds naar school of gaan volgend jaar naar school. Een onderbreking van deze opvoeding om eventueel tijdelijk terug naar Kosovo te gaan is niet aangeraden. Bovendien wensen verzoekers hun zieke vader hier niet achter te laten. (...).”. 1.
  10. Op 16 september 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij die aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering als volgt luidt: “(...) De redenen waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden worden aanvaard. Het feit dat hun kinderen hier school lopen en Nederlands spreken en betrokkenen hun best doen zich te integreren is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag art. 9.3 in België wordt ingediend. Zij wisten dat hun verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van de asielprocedure. Zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen op 21/06/2000 door het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en ter kennis gebracht op 23/06/
  11. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Daarenboven heeft de vader van betrokkene nog andere familieleden in België en niks verhindert hen om later op regelmatige basis naar België terug te keren. Bijgevolg kan er hen geen gunstig regime worden toegestaan. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Joegoslavische vertegenwoordiging in België teneinde hun terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”.
  12. Beoordeling.
  13. Ten aanzien van de toepassing van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Zij zetten in hun verzoekschrift de feiten betreffende de problemen in hun land van herkomst uiteen en stellen dat deze wel degelijk VII-31.266-3/6 buitengewone omstandigheden uitmaken. Zij menen dat het “irrelevant” is om te stellen dat deze problemen reeds aan bod kwamen in de asielprocedure. De verzoekende partijen voeren aan dat het onderzoek in de asielprocedure gebeurt in het licht van artikel 1 van de Conventie van Genève, terwijl in de huidige procedure de feiten dienen te worden getoetst aan artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Te dezen heeft de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partijen verworpen, omdat die aanvraag bedrieglijk was. Uit de beslissingen van de commissaris-generaal van 21 juni 2000 blijkt niet dat deze de toestand in het land van herkomst heeft beoordeeld. De commissaris-generaal beperkt er zich toe vast te stellen dat de verklaringen van de verzoekende partijen niet samenhangend en tegenstrijdig zijn. Men kan dan ook niet stellen dat de minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing daarom in alle redelijkheid mocht oordelen dat de door de verzoekende partijen in het kader van hun asielaanvraag aangehaalde problemen (inclusief hun origine en de gevolgen van de oorlog) in casu niet meer kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheden. Er is bijgevolg geen ernstige grond om in het huidige geval toepassing te maken van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 en de zaak zal moeten worden onderzocht en behandeld overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het eerdergenoemd koninklijk besluit.
  14. Betreffende de vordering tot schorsing In het auditoraatsverslag wordt in subsidiaire orde voorgesteld de vordering tot schorsing te verwerpen wegens gebrek aan ernstige middelen. Gezien de nota van de verwerende partij; Op grond van artikel 17,§2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Hierboven werd reeds uiteengezet dat het middel prima facie niet ongegrond en dus ernstig is; VII-31.266-4/6 Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen onder meer het volgende uiteen: “(...) Verzoekers zijn formeel dat zij niet veilig kunnen terugkeren naar hun land. Verzoekers weten dat de ganse wijk Mahala te niet is gedaan. Zij hebben geen huis, geen plek, geen regio om naar terug te keren. Zij zijn als Roma nergens welkom. In tegenstelling tot de Serviërs, de Albanezen, de Kosovaren,... de andere volkeren uit Voormalig Joegoslavië hebben de Romas geen grondgebied toegekend gekregen. Zij zijn als gediscrimineerde minderheid overal teveel. Zij staan overal tussen. Worden door alle partijen gediscrimineerd. Wraak en geweld wachten hen. (...).”. De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende: “Verzoekers tonen niet op basis van concrete en controleerbare gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. (...).”. De door de verzoekende partijen gegeven uiteenzetting overtuigt en wordt overigens niet ernstig en concreet betwist door de verwerende partij. De wettelijke voorwaarden zijn vervuld opdat de Raad van State de schorsing zou kunnen bevelen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, BESLUIT: Artikel
  15. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 september 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
  16. Het beroep tot nietigverklaring zal desgevallend worden onderzocht en behandeld overeenkomstig hetgeen bepaald is in de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. VII-31.266-5/6 Artikel
  17. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-31.266-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.