id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.329 Rolnummer: A. 135216/VII-35982 Zaak: Arrest 162329 - - 06/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 03:18 Fiche Arrest nr 162.329 van 6 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.329 van 6 september 2006 in de zaak A. 135.216/VII-35.982 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. ANTHONIS, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 9 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 mei 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-35.982-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN EETVELDT, die, loco advocaat J. ANTHONIS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In zijn verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 10 mei 2000 en verklaarde zich op 19 mei 2000 vluchteling. 1.
- Op 21 augustus 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 7 maart 2003 bevestigt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Serviër geboren in Ebingen (Duitsland), maar woonde u sinds uw zevende in Prokuplje (Servië) en heeft u de Servo-Montenegrijnse nationaliteit. Sinds 1991 zou u lid geweest zijn van de Servische Beweging voor Verandering (SPO). Omwille van uw lidmaatschap zou u in 1994 drie dreigbrieven ontvangen hebben. U zou voorts geen persoonlijke problemen meer gekend hebben naar aanleiding van uw activiteiten voor de SPO. In december 1997 zou u door het Joegoslavische leger opgeroepen zijn om deel te nemen aan een legeroefening. U weigerde evenwel op de convocatie in te gaan uit vrees naar Kosovo te zullen worden gestuurd. U wou immers niet gaan vechten in Kosovo omdat uw moeder vandaar afkomstig zou zijn. Bovendien was u van mening dat een oorlog tegen de Albanezen onnodig en nutteloos was. Nadat u geweigerd had de oproepingsbrief in ontvangst te nemen, zou de politie u zeven dagen lang thuis zijn komen zoeken. U hield zich evenwel verborgen bij een vriend in Prokuplje. In 1998 zou u, voor uw vertrek naar België, nog twee keer opgeroepen zijn door het leger. Vervolgens bent u Servië voor de eerste keer ontvlucht in juli
- Op 23 juli 1998 diende u een eerste asielaanvraag in in België, waarbij op 26 november 1998 door de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing tot weigering van verblijf werd genomen. Uw asielaanvraag diende immers in het kader van de Conventie van Dublin door VII-35.982-2/7 Spanje behandeld te worden. U heeft zich weliswaar nooit in Spanje bij de daartoe bevoegde instanties aangeboden. In juli 1999 bent u vrijwillig teruggekeerd naar Servië omdat u dacht er geen problemen meer te zullen hebben. Twee dagen na uw aankomst aldaar zou de politie u echter thuis komen halen zijn en naar het politiebureau van Prokuplje gebracht hebben. Daar zou men u van desertie beschuldigd hebben en u gedwongen hebben een aantal documenten te ondertekenen. Toen u dit weigerde, zou de commissaris u geslagen hebben en opgesloten hebben in de gevangenis van Prokuplje. Daar zou u vier dagen vastgehouden zijn en psychisch en fysiek mishandeld zijn. Op 8 juli 1999 zou men u vrijgelaten hebben en gewaarschuwd hebben dat er nog een proces zou volgen. Vervolgens bent u bij een oom in Belgrado ondergedoken. Op 21 juli 1999 keerde u terug naar België, waar uw nieuwe asielaanvraag niet in overweging genomen werd, aangezien uw eerste asielaanvraag nog niet door Spanje was afgehandeld. In december 1999 bent u zich in Spanje gaan aanbieden. In mei 2000 bent u opnieuw naar België gekomen, waar u op 19 mei 2000 nogmaals asiel aanvroeg. Ter ondersteuning van uw identiteit en uw asielrelaas heeft u de volgende documenten voorgelegd: een geboorteakte; een nationaliteitsattest; uw diploma van de secundaire school; uw legerboekje (d.d. 1/2/1991); uw oud paspoort; uw nieuw paspoort met Schengenvisum afgegeven door de Spaanse ambassade te Belgrado; uw lidkaart van de Servische Beweging voor Verandering (SPO); drie foto’s in verband met uw SPO-activiteiten (d.d. november 1991); drie medische attesten uit Belgrado; een convocatiebrief voor het leger (d.d. 18/2/2000). B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te koesteren. Het hoofdmotief voor het feit dat u uw land een eerste keer in juli 1998 en een tweede keer in juli 1999 bent ontvlucht en u er niet kan naar terugkeren, is uw vrees voor vervolging als gevolg van uw dienstweigering. Uw toenmalige dienstweigering kan evenwel geen aanleiding meer geven tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. Op 3 maart 2001 werd in Joegoslavië immers een wet van kracht die voorziet in amnestie voor dienstweigeraars en deserteurs. U hebt bovendien niet aannemelijk gemaakt dat deze wet omwille van één van de criteria vermeld in het Vluchtelingenverdrag niet op u van toepassing zou zijn, temeer daar uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat verscheidene personen, waaronder zelfs personen behorende tot een etnische minderheid, werden vrijgelaten uit de gevangenis en dat reeds verscheidene ingeleide processen werden gestaakt. Voorts dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen inzake uw lidmaatschap van de SPO, met name de drie dreigbrieven die u ontvangen zou hebben, niet de rechtstreekse aanleiding vormden voor uw vertrek. Ze dateren immers van 1994, i.e. ruim vier jaar voor uw vertrek. Bovendien maakte u op de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkel gewag van uw lidmaatschap van de SPO en eventuele problemen daaromtrent en u beweerde eveneens buiten deze brieven geen problemen te hebben gekend omwille van uw lidmaatschap van de SPO (verhoorverslag p.10). Het feit dat uw zus (S. N..) in België erkend is in de hoedanigheid van vluchteling doet geen afbreuk aan de bovenstaande beslissing, gelet op de verschillende omstandigheden waarin zij haar land van herkomst verlaten heeft en asiel gevraagd heeft. De door u voorgelegde documenten zijn ook niet van die aard dat ze afbreuk doen aan de bovenstaande beslissing. De oproepingsbrief van het leger dateert uit de periode waarop de amnestie wet van toepassing is. De door u voorgelegde medische attesten bieden bovendien geen enkel bewijs dat de erin genoemde symptomen (niersteen en infectie aan de urinewegen) enig verband zouden houden met de door u genoemde mishandeling in de gevangenis. VII-35.982-3/7 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. 2.
- De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het algemeen beginsel van motiveringsplicht”. Zij betoogt dat de commissaris-generaal zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd aangezien hij verwijst naar een aantal algemene aanwijzingen die slechts doen vermoeden dat zij niet meer zal worden vervolgd voor haar dienstweigering. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. De Raad van State treedt, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer VII-35.982-4/7 daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven onredelijk zijn. Op grond van de voorliggende gegevens kon de commissaris-generaal wettig en in alle redelijkheid beslissen dat de verzoekende partij onder de toepassing valt van de wet die voorziet in amnestie voor dienstweigeraars en deserteurs, alsook dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij omwille van één van de criteria van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, niet onder toepassing van voornoemde wet valt. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. De bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen. Het eerste middel is ongegrond. 2.
- De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van het artikel 52, § 1, 7/, § 2.2/, § 3.2/ en § 4.2/ van de Vreemdelingenwet, van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat de verwerende partij haar zaak onvoldoende heeft onderzocht en geen rekening heeft gehouden met specifieke, door haar aangebrachte elementen. De Conventie van Genève verbiedt niet dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring. De Belgische Staat heeft dit gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Er wordt niet aangetoond, noch aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet laat aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, die de redelijkheid tot grens heeft. Deze wetsbepaling is niet geschonden louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zijn. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de commissaris-generaal onzorgvuldig is tewerk gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing. Uit de samenlezing van de beslissing met de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal zich heeft gedocumenteerd over alle objectieve en relevante VII-35.982-5/7 elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen. Hij beschikte over het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, over de door de verzoekende partij ingevulde vragenlijst in het kader van het dringend beroep en over de neerslag van de verklaringen van de verzoekende partij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal. Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij individueel en persoonlijk heeft onderzocht. Het eerste deel van de beslissing bevat een nauwkeurig verslag van de feiten, die resulteren uit de verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal. In het tweede deel wordt het individuele asielrelaas op een objectieve wijze geanalyseerd in de globale context van haar asielaanvraag waarbij uitgebreid wordt uiteengezet waarom de commissaris- generaal van mening is dat de verzoekende partij geen gegevens aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De verwerende partij steunt zich op een wet die op 3 maart 2001 in het land van herkomst van kracht werd en die aan dienstweigeraars en deserteurs amnestie verleent. De verzoekende partij brengt geen concrete elementen aan die aantonen dat zij om één van de criteria van de Conventie van Genève niet onder toepassing van deze wet valt. In een derde deel wordt de conclusie weergegeven. Deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse heeft de commissaris- generaal doen besluiten dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond is. Het tweede middel is niet gegrond.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-35.982-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-35.982-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div