id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.331 Rolnummer: A. 134458/VII-35981 Zaak: Arrest 162331 - - 06/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-12 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 03:19 Fiche Arrest nr 162.331 van 6 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.331 van 6 september 2006 in de zaak A. 134.458/VII-35.981 In zake : XXX, in eigen naam en in naam van haar minderjarige dochter XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, in eigen naam en in naam van haar minderjarige dochter XXX, van Poolse nationaliteit, op 12 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 september 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.981-1/4 Gelet op de beschikking van 16 mei 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat N. DIRICKX, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In zijn verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- Op 20 november 1996 deed XXX een aankomstverklaring te Antwerpen. Haar verblijf was regelmatig tot 7 februari
- 1.
- Op 9 juli 1997 werd aan de burgemeester van Antwerpen de opdracht gegeven aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten te betekenen. Zij verbleef echter niet meer op het aangegeven adres. 1.
- De verzoekende partij diende op 10 oktober 2001 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Op 10 september 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard, waarvan de motivering als volgt luidt: "De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. VII-35.981-2/4 Echter, de motieven die betrokkene inroept: tewerkstelling en het schoolgaan van haar dochter, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Een langdurig verblijf in België en de daaruit voortvloeiende gevolgen verhinderen betrokkene niet om een aanvraag in het thuisland in te dienen.”. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. 2.
- De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van het gelijkheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel. Zij betoogt dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat het verlies van werk en schooljaar wel buitengewone omstandigheden zijn die het indienen in België van de aanvraag tot machtiging van verblijf, wettigen, zodat zij erop vertrouwde dat de minister van Binnenlandse Zaken haar argumenten als buitengewone omstandigheden zou aanvaarden. Wanneer de verzoekende partij een schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, dient zij met concrete gegevens aan te tonen dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld. Het louter verwijzen naar een aantal arresten van de Raad van State waarin dezelfde argumenten als deze van de verzoekende partij werden aanvaard als buitengewone omstandigheden volstaan niet om een schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen. Er is slechts sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel indien aan drie voorwaarden is voldaan: het bestaan van een bestuurlijke vergissing, het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan de kandidaat-vluchteling en de afwezigheid van gewichtige redenen om het verleende voordeel terug te vorderen. De verzoekende partij zet niet uiteen op welke wijze aan deze voorwaarden zou zijn voldaan. Het gegeven dat de Raad van State in een aantal gevallen om welbepaalde redenen een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken heeft vernietigd, betekent niet dat de minister gehouden is deze visie te volgen. Het eerste middel is ongegrond. 2.
- De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt dat de verwerende partij niet heeft gemotiveerd waarom de tewerkstelling en het schoolgaan van haar dochter geen buitengewone omstandigheden uitmaken. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing geeft duidelijk de motieven aan op grond van dewelke VII-35.981-3/4 de verwerende partij van oordeel is dat er geen buitengewone omstandigheden zijn die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België te dezen kunnen rechtvaardigen. De formele motiveringsplicht houdt niet in dat de overheid de motieven van haar motieven aangeeft. Het middel is niet gegrond.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-35.981-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div