← België

Arrest 162369 - Varia (justitie) - 07/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.369 Rolnummer: A. 176223/IX-5411 Zaak: Arrest 162369 - Varia (justitie) - 07/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-08 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-01 03:24 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 162.369 van 7 september 2006 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.369 van 7 september 2006 in de zaak A. 176.223/IX-5411. In zake : Emiel HAESBROUCK, wonende te KORTRIJK, Jacob Van Arteveldelaan 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de minister van Binnenlandse Zaken, 2. de heer Adjunct-auditeur-generaal bij de Raad van State, die woonplaats kiezen bij advocaat D. D’HOOGHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A TE, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emiel HAESBROUCK op 28 augustus 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de brief van 17 augustus 2006, hem betekend op 21 augustus 2006, waarbij door de tweede verwerende partij de volgende maatregel wordt getroffen : “om de goede werking van het Auditoraat te verzekeren, zie ik mij evenwel genoodzaakt als maatregel van orde de mogelijkheid van thuiswerk in uwen hoofde alvast voor een gerechtelijk jaar op te schorten. Met ingang van het gerechtelijk jaar 2006-2007 dient u dan ook alle werkdagen aanwezig te zijn op de Raad van 9.30 tot 17.00 uur, tenzij uw aanwezigheid voor de noodwendigheden van de dienst ook na 17.00 uur nog vereist is.”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2006, om 11 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5411-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. RIEDER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. D’HOOGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de bestreden maatregel als volgt luidt : “Om de goede werking van het Auditoraat te verzekeren, zie ik mij evenwel genoodzaakt als maatregel van orde de mogelijkheid van thuiswerk in uwen hoofde voor één gerechtelijk jaar op te schorten. Met ingang van het gerechtelijk jaar 2006-2007 dient u dan ook alle werkdagen aanwezig te zijn op de Raad van 9.30 tot 17.00 uur, tenzij uw aanwezigheid voor de noodwendigheden van de dienst ook na 17.00 uur nog vereist is.”; 2. Overwegende dat verzoeker op 21 augustus 2006 kennis krijgt van de bestreden maatregel die is opgenomen in de brief van 17 augustus 2006 van het ambt van de Adjunct-auditeur-generaal; dat verzoeker op 28 augustus 2006 een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid inleidt tegen voornoemde maatregel; 3. Overwegende dat verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, omdat het voorwerp van de ingediende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een maatregel van inwendige orde is en derhalve geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat maatregelen van inwendige orde, maatregelen zijn, genomen in het belang van de dienst of die de eigen organisatie van een openbare dienst betreffen of de goede werking ervan moeten helpen verzekeren, zonder dat zij gevolgen hebben voor de rechtstoestand van de gebruikers of voor de statutaire situatie van de betrokken persoon; 4.1.1. Overwegende dat in casu het ambt van de Adjunct-auditeur- generaal met de bestreden handeling verzoeker erop wijst dat hij afwezig was, zonder hiervoor een reden op te geven, op een tijdstip waarop hij moest aanwezig IX-5411-2/5 zijn op de zitting van de vakantiekamer van de afdeling wetgeving van de Raad van State op 18 juli 2006 rond 17.15 uur, waar hij als Auditeur verslag diende uit te brengen in twee zaken, terwijl hij niemand verwittigde; 4.1.2. Overwegende dat, er bijgevolg, een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de afwezigheid van verzoeker, op een tijdstip waarop zijn aanwezigheid, of die van een collega, absoluut vereist was en de ordemaatregel, die enkel beoogt om dergelijke problemen in de toekomst te vermijden, aangezien het thuiswerk van een Auditeur kan worden opgeschort, wanneer zijn of haar aanwezigheid in het belang van de dienst is vereist; dat het behoort tot de taak van de korpsoverste, in casu de Adjunct-auditeur-generaal om toe te zien op de optimale werking van het Auditoraat en zijn diensten en om desbetreffend alle nuttige maatregelen te nemen om dit doel te bereiken; dat dit betekent dat het “thuiswerk”, dat aan een Auditeur kan worden toegestaan, overeenkomstig het bepaalde in het vademecum in het belang van de dienst kan worden ingetrokken en kan worden vervangen door een andere, meer efficiënte regeling om de werking van het Auditoraat en de samenwerking tussen het Auditoraat en de Raad te optimaliseren; Overwegende dat het “thuiswerk” bijgevolg moet kunnen worden ingepast in de concrete en dagdagelijkse werking van het Auditoraat en zijn geledingen; 4.1.3. Overwegende dat de betekenis en de draagwijdte van “thuiswerk” wordt omschreven in het vademecum met de richtlijnen van de Auditeur-generaal en/of de Adjunct-auditeur-generaal; dat onder “II 2.8. Thuiswerk” immers het volgende wordt gesteld : “1. De leden van het auditoraat oefenen hun ambt in principe uit in de gebouwen van de Raad van State. Ze kunnen thuiswerken onder de hierna gestelde voorwaarden. Die mogelijkheid is geen recht maar een toegestane afwijking waaraan te allen tijde een eind kan worden gemaakt. Thuiswerk mag in geen geval de goede werking van de dienst hinderen en geschiedt onder de volle verantwoordelijkheid van de betrokkenen. 2. De korpschef geeft vooraf, op schriftelijk verzoek van de betrokkene en na voorafgaand advies van het afdelingshoofd, de toestemming om geregeld thuis te werken. De toestemming is alleen verantwoord indien ze een gunstige invloed kan uitoefenen op het rendement van diegene die erom verzoekt. Het rendement van diegenen die toestemming hebben gekregen om thuiswerk te verrichten, wordt speciaal gevolgd. Indien blijkt dat het rendement ontoereikend is, zal de korpschef na voorafgaand advies van het afdelingshoofd de toestemming intrekken.”; IX-5411-3/5 Overwegende dat aangezien “thuiswerk” op het eerste gezicht geen recht is, dit betekent dat het voordeel dat verzoeker genoot om op bepaalde dagen thuis te werken een precair karakter heeft en dat hij er dan ook rekening diende mee te houden dat die voor hem gunstige situatie gebeurlijk, met het oog op de goede werking van de dienst een einde kon nemen; dat hieruit voortvloeit dat op het eerste gezicht, de verplichte aanwezigheid van verzoeker op de Raad van State, elke werkdag van 9.30 uur tot 17.00 uur, de rechtstoestand van verzoeker of zijn statutaire situatie, zoals die bij de benoeming is bepaald, niet wijzigt; dat de getroffen maatregel, prima facie, evenmin de persoonlijke situatie van verzoeker, zoals die bestond op het moment van de benoeming in het gedrang brengt, nu de verplaatsing van en naar de Raad van State inherent is aan de uitoefening van het ambt van Auditeur bij de Raad van State; 4.1.4. Overwegende dat de stelling van verzoeker dat de bestreden maatregel een verkapte tuchtmaatregel inhoudt op het eerste gezicht niet kan worden bijgetreden, aangezien de getroffen maatregel geen tuchtstraf uitmaakt maar louter de efficiënte werking van het Auditoraat beoogt, en verzoeker niet aantoont dat de ordemaatregel een andere finaliteit heeft; dat de vordering bijgevolg onontvankelijk is, nu blijkt dat de bestreden maatregel een maatregel van inwendige orde is en derhalve geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling inhoudt in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de exceptie van de verwerende partij gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-5411-4/5 de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-5411-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.369 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.600 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.