← België

Arrest 162397 - - 09/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.397 Rolnummer: A. 176560/XIV-26627 Zaak: Arrest 162397 - - 09/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 03:26 Fiche Arrest nr 162.397 van 9 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.397 van 9 september 2006 in de zaak A. 176.560/XIV-26.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat Mr. M. PLAMADIALA, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingsstraat 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- De Wnd.VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, op 9 september 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel van 7 september 2006 om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de beschikking van 9 september 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2006 om 15.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. PLAMADIALA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat. G. COOLSAET, die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; XIV-162.397-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoeker uiteenzet wat volgt : “(...). En effet, si le requérant quitte le territoire du Royaume en ce moment, il ne pourra pas assurer ses engagements professionnels. En outre, puisque son passeport péruvien n’est pas en règle, Monsieur XXX craint de ne pas être autorisé à retourner au Pérou par les autorités péruviennes. Finalement, Monsieur XXX subira un très grand dommage moral, puisque avoir vécu, travaillé et exercé son art en Europe, il est obligé de quitter le territoire d’une manière brusque et inattendue, à laquelle il n’est pas eu l’occasion de se préparer.”; Overwegende dat de verzoeker zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat hij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat hij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat, daargelaten de vraag of verzoeker aannemelijk maakt dat hij “in mei 2006" een “verzoek tot regularisatie” heeft ingediend,- verzoeker bedoelt allicht een machtiging tot voorlopig verblijf in de zin van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - is zijn bewering dat ingevolge de verwijdering van het grondgebied hij niet dit “verzoek tot regularisatie” ziet beëindigd worden, te vaag en te algemeen , te meer dat de verzoeker niet uiteenzet waarom de omstandigheid dat hij van het XIV-162.397-2/4 grondgebied wordt verwijderd hem belet om binnen de perken van de voornoemde wet een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen; dat voorts de bewering dat hij zijn professionele verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen, een algemene en louter affirmatieve bewering is die niet volstaat om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, te meer dat zowel ter terechtzitting als uit het verzoekschrift is gebleken dat het recentelijk gekregen voorstel dat verzoeker beweert te hebben verkregen, betrekking lijkt te hebben op het Groothertogdom Luxemburg en niet op het Koninkrijk; dat de vrees dat doordat zijn Peruviaans paspoort niet in orde is, de Peruviaanse overheden hem niet zullen toelaten terug te keren, eerder een hypothetisch nadeel blijkt, niet gestaafd wordt door enig gegeven en bovendien niet voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat tot slot wat het aangevoerde morele nadeel betreft, de verzoeker - die thans een precair verblijf geniet en zich hiervan rekenschap diende te geven - in het verzoekschrift niet aannemelijk maakt dat een eventueel later tussen te komen annulatiearrest hem onvoldoende morele genoegdoening zal verschaffen; dat de uiteenzetting van verzoeker onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17,§ 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XIV-162.397-3/4 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, Wnd. Kamervoorzitter, Mevr. S. DE DONCKER, toegevoegd griffier. De griffier, De Wnd. Kamervoorzitter, S. DE DONCKER. G. DEBERSAQUES XIV-162.397-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.