← België

Arrest 162462 - - 14/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.462 Rolnummer: A. 79464/X-11379 Zaak: Arrest 162462 - - 14/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 03:46 Fiche Arrest nr 162.462 van 14 september 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.462 van 14 september 2006 in de zaak A. 79.464/X-11.

  1. In zake : Stephanus DE BECKER, die woonplaats kiest bij Advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen :
  2. de gemeente LUBBEEK,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stephanus DE BECKER op 22 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het enig artikel van het besluit van de gemeenteraad van Lubbeek van 23 oktober 1996 waarbij beslist wordt in vervanging van het gemeenteraadsbesluit van 31 augustus 1993 om het rooilijn- en innemingsplan Dunberg aan te nemen en om tot onteigening over te gaan van een perceel grond toebehorende aan verzoekende partijen en gekadastreerd sectie 99G voor een oppervlakte van 2 a 63 ca, - het besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening van 30 maart 1998 waarbij gesteld wordt dat het algemeen nut de inbezitneming vordert van onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan en waarbij aan het gemeentebestuur van Lubbeek machtiging tot onteigenen wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; X-11.379-1/5 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. MERTENS die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente LUBBEEK op 31 augustus 1993 definitief het rooi- en innemingsplan Dunberg aanneemt, "omvattend een tabel van de nodige grondinneming, geschat op 39.450 fr voor een totale oppervlakte van 2 a 63ca"; dat bij dezelfde beslissing wordt bepaald dat "de verwerving van de nodige grondinneming zal gebeuren bij wijze van onteigening ten algemene nutte en (...) het voorwerp (zal) uitmaken van een afzonderlijk dossier"; dat de gemeenteraad op 23 oktober 1996 besluit wat volgt: "Enig artikel - Het bepalende gedeelte van de beslissing van de Gemeenteraad d. d. 31/08/1993 wordt vervangen door hetgeen volgt: X-11.379-2/5 Art. 1 - Het rooilijn- en innemingsplan Dunberg, omvattend een tabel van de nodige grondinneming, geschat op 39.450 fr. voor een totale oppervlakte van 2 a 63 ca, wordt definitief aangenomen. Art. 2 - De verwerving van de nodige grondinneming zal gebeuren bij wijze van onteigening ten algemene nutte en zal het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk dossier. Art. 3 - De toepassing te vragen van de wet van 26 juli 1962 op de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte. Art. 4 - De klacht ingediend door dhr. S. Debecker, Dunberg 91 uit Lubbeek, wordt verworpen. Art. 5 - Afschrift van huidige beslissing voor verder gevolg over te maken aan de bevoegde voogdijoverheid"; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat op 30 maart 1998 de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het rooilijn- en onteigeningsplan van een zijweg van Dunberg van de gemeente Lubbeek goedkeurt; dat dit het tweede bestreden besluit is; Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel laat gelden dat de bestreden beslissingen "en met name het besluit van de gemeenteraad van 23 oktober 1996 tot stand is gekomen met schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van artikel 13 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuur"; dat hij stelt "dat uit het bestreden besluit (blijkt) dat niet gemotiveerd wordt waarom de onteigening plaatsvindt ten algemene nutte, noch waarom het door de verzoekende partij ingediende bezwaar moet worden verworpen en niet gegrond zou zijn"; dat hij in een eerste onderdeel toelicht dat hij een bezwaar heeft ingediend waarin hij o.m. heeft verwezen naar de woning die hij aan het oprichten was op het perceel, dat de gemeente weliswaar de rechtsgeldigheid van deze bouwvergunning betwist maar dat "blijkens de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (van Leuven) van 24 maart 1994 waarbij de gemeente partij was, is komen vast te staan dat tot nadere uitspraak deze bouwvergunning nog wel geldig is", dat het evident is dat de gemeenteraad zonder schending van de motiveringsplicht aan dit gegeven niet kon voorbijgaan; dat hij het middel besluit stellende dat "het middel derhalve gegrond (is) zowel wat betreft het niet beantwoorden van het door de verzoekende X-11.379-3/5 (partij) ingediende bezwaar, als wat betreft het motief of de afwezigheid daarvan nopens het openbaar nut met de voorgenomen onteigening"; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel gericht is tegen de beslissing waarbij het rooilijn- en innemingsplan Dunberg worden aangenomen (artikel 1 van het bestreden besluit); dat, in zoverre het onderdeel gericht is tegen de beslissing waarbij het rooilijnplan wordt aangenomen, vastgesteld moet worden dat de voorschriften van een rooilijnplan een reglementair karakter hebben; dat de in het middel aangevoerde bepalingen op een dergelijk plan geen toepassing vinden; dat, in zoverre het onderdeel gericht is tegen de beslissing waarbij het innemingsplan wordt aangenomen, de formele motiveringsplicht, zoals die voortvloeit uit de in het middel aangevoerde bepalingen, niet inhoudt dat in het besluit zelf waarbij het innemingsplan wordt vastgesteld, een antwoord moet worden gegeven op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; Overwegende dat het met het onderzoek gelaste lid van het Auditoraat zich in zijn verslag heeft beperkt tot het hiervóór onderzochte eerste onderdeel van het eerste middel; dat er grond is om het onderzoek van de zaak voort te zetten; BESLUIT: Artikel
  4. De debatten worden heropend. Artikel
  5. Het door de Adjunct-auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt ermee belast het onderzoek voort te zetten en een aanvullend verslag op te maken. X-11.379-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.379-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.462 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.