← België

Arrest 162464 - - 14/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.464 Rolnummer: A. 176625/XIV-26642 Zaak: Arrest 162464 - - 14/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 03:48 Fiche Arrest nr 162.464 van 14 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 162.464 van 14 september 2006 in de zaak A. 176.625/XIV-26.

  1. In zake : XXX, handelend in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen XXX, XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 februari 1973 en van Russische nationaliteit, op 11 september 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 september 2006; Gelet op de beschikking van 12 september 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 september 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op woensdag 13 september 2006 om 11.15 uur; XIV-26.642-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, dat overeenkomstig artikel 3, lid 2, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochte akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partij in principe gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; dat er dient op te worden gewezen dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als zodanig; dat hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit waarvan de schorsing wordt gevraagd aan de oorsprong ligt van het nadeel, met andere woorden dient er een causaal verband te bestaan tussen de bestreden beslissing en het vermeende moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat de verzoekende partij voor wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft aanvoert wat volgt: XIV-26.642-2/5 “ERNSTIG EN MOEILIJK TE HERSTELLEN NADEEL De bestreden beslissing zal bij toepassing ervan een ernstige en moeilijk te herstellen schade toebrengen aan verzoekende partijen; In feite zal deze de verzoekende partijen verhinderen te kunnen genieten van de hoedanigheid van kandidaat politieke vluchtelingen in België, waarop zij nochtans zouden moeten kans maken gelet op de staat van hun dossier in huidige stand van zaken.; Dat verzoekster, die een ernstige Post Traumatic Stress vertoont, haar broer zal moeten verlaten, die thans als familiehoofd dient voor de weze kinderen, en bijgevolg deze steun moeten missen; Dat de in België opgestarte behandeling zal moeten worden stopgezet, daar waar blijkt dat de nood ernstig is;”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop als volgt repliceert: “Het ingeroepen nadeel is het missen van de aanwezigheid van haar broer die nu zou fungeren als familiehoofd voor haar kinderen. Ook zou de in België opgestarte behandeling moeten worden stopgezet. Als derde element stelt verzoekster in de huidige stand van zaken als asielzoeker te moeten kunnen verblijven in België. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat die nadelen niet het rechtsreekse gevolg zijn van een beslissing waarbij in uitvoering van een Europese regelgeving een bepaalde lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.”; Overwegende dat de verzoekende partij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal worden teruggeleid naar Polen en dat haar asielaanvraag daar verder zal worden behandeld; dat dit echter een gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Polen heeft ingediend; dat waar de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing haar zal verhinderen te kunnen genieten van de hoedanigheid van kandidaat politiek vluchteling in België, waarop zij nochtans zou moeten kans maken gelet op de staat van haar dossier in de huidige stand van zaken, uit de bestreden beslissing blijkt dat Polen heeft ingestemd met de vraag tot terugname van verzoekende partij; dat bijgevolg de bestreden beslissing de mogelijke erkenning van de verzoekende partij als vluchteling niet in de weg staat; dat zij alleen bepaalt dat de asielaanvraag in Polen dient te worden behandeld; dat Polen een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Polen dan in België zou genieten; dat als de verzoekende partij in aanmerking zou komen voor bescherming op basis van het Vluchtelingenverdrag, zij de door dit verdrag gewaarborgde bescherming ook in Polen kan krijgen; dat in dit opzicht de verzoekende partij geen concrete aanwijzingen bijbrengt, laat staan bewijzen, die aantonen dat haar asielaanvraag niet met de nodige zorg en garanties in Polen kan behandeld worden; Overwegende dat waar door de verzoekende partij wordt opgeworpen dat ze een ernstige Post Traumatic Stress vertoont, dat ze haar broer zal moeten verlaten, die thans als familiehoofd dient voor de kinderen, en bijgevolg deze steun zal moet missen, de XIV-26.642-3/5 vaststelling volstaat dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift verzuimt aan te tonen met enig concreet gegeven wat haar broer, A. K., precies voor de kinderen doet; dat enkel wordt geponeerd dat hij als familiehoofd voor de kinderen dient; dat evenwel nergens in het verzoekschrift wordt aangegeven op welke wijze hij de verzoekende partij bijstaat in de zorg voor de kinderen en hoe hij zijn taak als “familiehoofd” in concreto uitoefent; dat het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel hiermee niet wordt aangetoond; Overwegende dat waar door de verzoekende partij tenslotte wordt aangevoerd dat de in België opgestarte medische behandeling zal moeten worden stopgezet, daar waar blijkt dat de nood ernstig is, uit de voorgelegde stukken dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij in behandeling is geweest voor een posttraumatische stress-stoornis en dat zij om die reden in het verleden niet aanwezig kon zijn voor een interview op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat dit gegeven evenwel niet volstaat om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk te maken; dat de voorgelegde medische attesten, waarvan het laatste dateert van 7 juni 2006, niet aantonen dat het gelet op de huidige geestestoestand van de verzoekende partij onverantwoord is dat zij naar Polen wordt overgebracht; dat het feit dat ze in behandeling is geweest of nog in behandeling is, niet in de weg staat dat de verzoekende partij een behandeling voor een posttraumatische stress- stoornis evengoed in Polen kan krijgen; dat de verzoekende partij hieromtrent alvast geen aanwijzingen aanbrengt die dit tegenspreken; dat de verzoekende partij bijgevolg niet aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een ernstig, laat staan een moeilijk te herstellen nadeel zal veroorzaken; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, XIV-26.642-4/5 BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september tweeduizend en zes, door: Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-26.642-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.