← België

Arrest 162484 - - 18/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.484 Rolnummer: A. 72376/IX-2111 Zaak: Arrest 162484 - - 18/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 03:57 Fiche Arrest nr 162.484 van 18 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.484 van 18 september 2006 in de zaak A. 72.376/IX-

  1. In zake : Rudy VANDEN BUSSCHE, wonende te WINGENE, Predikherenstraat 54 tegen :
  2. BELGACOM NV van publiek recht,
  3. het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie, dat woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy VANDEN BUSSCHE op 6 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de weigering hem te benoemen in de graad van controleur radio- en TV-taksen bij de dienst Kijk- en Luistergeld; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-2111-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VERHULST, die loco advocaten S. BEELE en F. BUSSCHAERT verschijnt voor verzoeker, van advocaat T. VAN DE GEHUCHTE, die loco advocaat L. DE SCHRIJVER verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat S. BUTENAERTS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. Luidens dienstorder nr. 12 van 1 april 1970 van de administrateur- generaal van de Regie van Telegrafie en Telefonie is de graad van controleur van de dienst Radio- en TV-taksen “uitsluitend toegankelijk voor de personeelsleden : - bekleed met de graad van correspondent, correspondent-rekenplichtige, correspondent van mecanografie alsmede voor de personeelsleden van die graden, bekleed met de titel van ‘eerste’; - die gunstig gesignaleerd zijn; - die vooraf geslaagd zijn voor de psychotechnische proeven en voor de proef over het besturen van een motorvoertuig. De controleurs van de Dienst Radio- en TV-taksen worden bij keuze door de Minister benoemd, op voordracht door de Regie van de lijst der kandidaten. De oproep tot de kandidaten gebeurt bij wege van een omzend- brief.” De bevoegdheid van de minister in deze wordt ingevolge artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de IX-2111-2/10 autonome overheidsbedrijven, overgenomen door de raad van bestuur van BELGACOM. 1.
  7. Bij nota van 4 december 1995 van de adviseur - hoofd van het centrum Aalst van de dienst Kijk- en Luistergeld aan het personeel - wordt gezocht naar kandidaten voor het uitoefenen van functies boven die van de graad in de betrekking van controleur van radiotaksen, met standplaats Turnhout, belast met de werkzaamheden die eigen zijn aan de graad van controleur van radiotaksen. 1.
  8. Met een nota van 14 februari 1996 laat de “Planning & Mobility Manager” aan de “Radio/T.V. Taxes Manager” van FIN met kopie aan de “H.R. Deputy Manager” van NET weten wat volgt : “Betreft: Detachering met toekenning van hogere functies van controleur van de radiotaksen bij FIN Radio/TV Ontvangsten Aalst voor het ambtsgebied Turnhout. Ingevolge uw bovenvermelde nota zal de heer R. VANDEN BUSSCHE (...) binnenkort door het selectiecentrum van HRS uitgenodigd worden voor een selectieproef ten einde na te gaan of hij beantwoordt aan het door uw dienst opgesteld profiel. Indien uit deze proef blijkt dat betrokkene geschikt is voor deze functie, zal HRS NET contacteren.” 1.
  9. Verzoeker, technicus met als specialisatie administratieve steun en logistiek bij de divisie NET van de NV BELGACOM, met als administratieve standplaats Brussel, wordt bij beslissing van 11 april 1996 van de “Planning & Mobility Manager” van de group Human Resources van de NV BELGACOM gedetacheerd voor de uitvoering van hogere functies van controleur van de radiotaksen bij FIN Radio/TV Ontvangsten Aalst voor het ambtsgebied Turnhout met ingang van 2 mei
  10. Een formulier “A 33 NL - verandering van dienstaanwijzing” van 11 april 1996 wordt gevoegd. 1.
  11. In zijn schrijven van 27 oktober 1996 aan de “Planning & Mobility Manager” verwondert verzoeker zich erover dat de beroepsproef voor de graad van sectiechef (administratieve en logistieke steun) werkpost controle radiotaksen, enkel toegankelijk is voor de titularissen van de graad van contoleur radio- en TV-taksen en stelt hij te moeten zijn benoemd in de graad van controleur. IX-2111-3/10 1.
  12. In zijn brief van 15 november 1996 stelt de Human Relations manager onder meer wat volgt : “In antwoord op uw aangetekende brief van 27 oktober 96 deel ik u mede dat in het kader van de herkwalificatie in rang 2b van hoger genoemde betrekking, de bijzondere beroepsproef uitsluitend toegankelijk is voor de titularissen van de graad van controleur van de radiotaksen. Het moet duidelijk zijn dat de proef waarbij u werd geselecteerd enkel werd afgenomen met het oog op de uitoefening van hogere functies als controleur van de radiotaksen. Zoals u weet geeft het toekennen van hogere functies geen prerogatieven voor benoeming in die hogere graad.” 1.
  13. Ingevolge de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen betreffende de overdracht van sommige personeelsleden van Belgacom aan de federale overheid in toepassing van artikel 3, §1, 6/, van de wet van 26 juli 1996 betreffende het realiseren van de budgettaire voorwaarden van de deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, is verzoeker bij ministerieel besluit van 4 augustus 1999 houdende benoeming tot ambtenaar bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie van het statutair personeel van de dienst Kijk- en Luistergeld, met ingang van 1 april 1997 benoemd tot de graad van technicus bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecom- municatie.
  14. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
  15. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker het voorwerp van zijn vordering niet duidelijk aangeeft; dat zij stelt in het ongewisse te zijn of dit voorwerp ofwel de beslissing betreft om hem hogere functies toe te kennen, ofwel deze om niet in te gaan op zijn verzoek hem te laten deelnemen aan de bijzondere beroepsproef voor de overgang naar de graad van sectiechef ofwel deze waarbij de laureaten van de bijzondere beroepsproef worden benoemd in de graad van sectiechef; 2.1.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van antwoord repliceert dat het voorwerp in de aanhef van zijn verzoekschrift duidelijk is aangegeven, namelijk zijn niet-benoeming in de graad van controleur; IX-2111-4/10 2.1.
  17. Overwegende dat van een particulier niet kan worden verwacht dat hij met dezelfde trefzekerheid als een deskundige het voorwerp van het beroep zou omschrijven; dat het dan ook volstaat dat dit voorwerp met voldoende duidelijkheid wordt aangeduid; dat verzoeker in zijn verzoekschrift meermaals duidelijk weergeeft dat het “de weigering tot benoeming in de graad van controleur bij de Dienst Kijk- en Luistergeld” betreft; dat ook de eerste verwerende partij dit zo heeft begrepen, wat blijkt uit haar memorie van antwoord; dat de exceptie wordt verworpen; 2.2.
  18. Overwegende dat de eerste verwerende partij verder aanvoert dat verzoeker niet uitdrukkelijk verzoekt om de annulatie van enige beslissing; 2.2.
  19. Overwegende dat uit de redactie van het verzoekschrift, meer bepaald uit de weergave van de gegevens onder de titels “artikel 2”, “artikel 3” en “artikel 3bis”, blijkt dat verzoeker artikel 2 tot en met 3bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State naleeft, meer bepaald de verplichte vermeldingen opgelegd voor het indienen van een verzoekschrift met betrekking tot een beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat ook de eerste verwerende partij dit zo heeft begrepen, hetgeen blijkt uit haar memorie van antwoord; dat de exceptie ook wordt verworpen; 2.3.
  20. Overwegende dat de eerste verwerende partij ten slotte aanvoert dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is aangezien het niet nauwkeurig aangeeft op welke middelen het steunt en niet aantoont welke rechtsbepalingen het geschonden acht; 2.3.
  21. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de eerste verwerende partij luidens haar memorie van antwoord in het verzoekschrift twee middelen weet te onderscheiden en deze poogt te weerleggen; 2.3.3.
  22. Overwegende dat een middel in de zin van artikel 2, §1, 2/, van het algemeen procedurereglement op voldoende duidelijke wijze te kennen moet geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel door de bestreden handeling zou zijn geschonden en in welk opzicht die regel of dat beginsel zou zijn geschonden; IX-2111-5/10 2.3.3.
  23. Overwegende dat verzoeker op de laatste bladzijde van zijn verzoekschrift laat gelden dat hij had moeten worden benoemd tot controleur daar “alle voorwaarden tot benoeming in de graad van controleur radio- en T.V.-taksen werden ingevuld: de aanbevelingen van de directeur van de Dienst Kijk- en Luistergeld, de selectieproeven waarvan (hij) laureaat was en (...) een lange dienstervaring (...)”; dat hij op de voorlaatste bladzijde van zijn verzoekschrift stelt wat volgt : “De toegangsvoorw(a)arden tot de graad van controleur, zoals vermeld in dienstorder 12, dd. 1 april 1970 (...) zijn vervuld. Sinds 1 februari 1993 ben ik bekleed met de graad van technicus (correspondent), gunstig beoordeeld en laureaat van de selectieproef (...) en ben tevens in het bezit van een rijbewijs D (...).”; dat hij de schending van de dienstorder nr. 12 van 1 april 1970 van de administrateur- generaal van de Regie van Telegrafie en Telefonie aanvoert doordat de eerste verwerende partij hem niet benoemt als controleur terwijl hij aan alle in dienstorder vermelde voorwaarden voldoet; dat verzoeker aldus een overtreden rechtsregel aanwijst en uit zijn argumentatie ter ondersteuning van het middel, in voldoende mate blijkt op welke wijze hij de aangewezen regel geschonden acht; dat het verzoekschrift minstens een middel bevat; dat ook de eerste verwerende partij dit zo heeft begrepen, hetgeen blijkt uit haar memorie van antwoord; dat de exceptie wordt afgewezen;
  24. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  25. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van dienstorder nr. 12 doordat de eerste verwerende partij hem niet benoemt als controleur terwijl hij aan alle in de dienstorder vermelde voorwaarden voldoet; dat hij, wat deze voorwaarden betreft, preciseert dat hij bekleed is met de graad van correspondent, gunstig beoordeeld is, “laureaat van de selectieproef (nota (...) Planning & Mobility Manager (HRS), Staffing/36606 dd. 14 februari 1996 - bijlage 6)” en een rijbewijs D bezit; dat de zesde bijlage bij het verzoekschrift een nota van 11 april 1996 van de “Planning & Mobility Manager” aan de “H.R. Deputy Manager” van NET met kopie aan de “Radio/T.V. Taxes Manager” van FIN betreft die luidt als volgt : “Betreft : Detachering van de heer R. VANDEN BUSSCHE (...), technicus (administratieve steun en logistiek) naar FIN. IX-2111-6/10 Ingevolge de selectieproef, vermeld in mijn nota Staffing/36606 dd. 14/02/96, kan ik U meedelen dat bovenvermeld personeelslid geselecteerd is voor de uitoefening van hogere functies van controleur van de radiotaksen bij FIN Radio/T.V. Ontvangsten Aalst voor het ambtsgebied Turnhout. Een formulier A33 is bijgevoegd als officiële bevestiging van deze detachering. Bijgevolg dient betrokkene zo snel mogelijk (te) worden afgestaan aan FIN. Voor eventuele problemen i.v.m. zijn vervanging kunt U mij steeds contacteren.”; 3.1.
  26. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat de dienstorder nr. 12 de toegangsvoorwaarden tot de graad van controleur van de radiotaksen bevat, dat deze benoeming door de raad van bestuur van BELGACOM slechts kan plaatsvinden nadat een algemene oproep tot de kandidaten is gedaan bij wijze van omzendbrief en nadat is geverifieerd of de kandidaten aan de toegangsvoorwaarden voldoen; dat zij verder stelt dat “de oproep tot het uitoefenen van hogere functies in de graad van controleur van de radiotaksen, (...) geen oproep (was) in het kader van Dienstorder nr. 12”, dat deze bij gewone nota gedaan is en niet bij omzendbrief en dat duidelijk werd vermeld dat het een oproep tot kandidaturen voor de uitoefening van een hogere functie betrof en niet voor een benoeming; dat de eerste verwerende partij nog preciseert dat in casu op haar niet de rechtsplicht rust verzoeker te benoemen en dat een benoeming van verzoeker in de gegeven omstandigheden “niet opportuun geweest (zou) zijn” en “zelfs tegen de reglementering ingegaan (zou) hebben”; dat zij ten slotte verwijst naar de naar haar oordeel precaire toekomst van de dienst Kijk- en Luistergeld; 3.1.
  27. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij wel degelijk de rechtsplicht had hem te benoemen; dat hij hierbij verwijst naar artikel 21 van de wet van 13 juli 1987 betreffende het Kijk- en Luistergeld luidens hetwelk er een “continuïteit van de controle” moet zijn waarbij “de procureur-generaal op ieder ogenblik (moet) kunnen beschikken over de toezichtsambtenaren; dat in het Nederlandstalig landsgedeelte 7 ambtsgebieden zijn waaraan telkens 1 controleur is toegewezen; dat de continuïteit in het ambtsgebied Turnhout niet langer was gewaarborgd wegens het overlijden van de titularis; dat die continuïteit alleen door “statutaire controleurs” is gewaarborgd; dat ingevolge de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, de raad van bestuur van Belgacom bevoegd is om de controleur te benoemen en dat “de procedure voor de aanwerving in de graad van controleur Kijk- en Luistergeld werd gevolgd overeenkomstig dienstorder nr. 12 en dit in functie IX-2111-7/10 van de hoogdringendheid van de ambtsinvulling”, dat overeenkomstig het dienstorder, de eerste verwerende partij “een algemene oproep (diende) te doen via een omzendbrief” en die procedure moest uitmonden in zijn benoeming tot controleur; 3.1.
  28. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan het door de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteengezette verweer; 3.1.
  29. Overwegende dat uit de nota’s van 4 december 1995 aan het personeel, van 14 februari 1996 van de “Planning & Mobility Manager” aan de “Radio/T.V. Taxes Manager” van FIN met kopie aan de “H.R. Deputy Manager” van NET, van 11 april 1996 van de “Planning & Mobility Manager” aan de “H.R. Deputy Manager” van NET met kopie aan de “Radio/T.V. Taxes Manager” van FIN en uit het formulier “A 33 NL - verandering van dienstaanwijzing” op afdoende wijze blijkt dat verzoeker gedetacheerd is met toekenning van hogere functies; dat verzoeker bijgevolg niet de procedure tot benoeming in de graad overeenkomstig de dienstorder nr. 12 heeft doorlopen; dat het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift niet gegrond is; Overwegende dat, voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de schending van de rechtsplicht hem te benoemen en van het principe van de continuïteit van de dienst aanvoert doordat de eerste verwerende partij nalaat bij omzendbrief kandidaten op te roepen tot de graad van controleur, dit onderdeel een nieuw middel vormt, dat het niet van openbare orde zijnde, niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; 3.2.
  30. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift bij de uiteenzetting van het hierboven weergegeven middel stelt wat volgt : “Mede in acht genomen de uitsluiting van de beroepsproef voor overgang naar de graad van sectiechef, ben ik zelfs dubbel benadeeld!”; dat de eerste verwerende partij hierin een tweede middel ontwaart waarin “verzoeker (...) gewag (maakt) van een dubbele benadeling omdat hij omwille van het feit dat hij IX-2111-8/10 niet benoemd was in de graad controleur van de radiotaksen, niet heeft kunnen deelnemen aan de bijzondere beroepsproef voor de overgang naar de hogere graad van sectiechef administratieve en logistieke steun”; dat verzoeker zelf een onderdeel van zijn laatste memorie betitelt als “tweede middel: machtsoverschrijding: schending van het redelijkheidsbeginsel”, en hierbij uiteenzet te hebben “willen aangeven dat de belangen die hij bij een benoeming had en die er onder meer in bestonden dat hij alsdan zou worden toegelaten tot een beroepsproef die uitzicht bood op toelating tot een hogere graad, door eerste verweerster kennelijk onvoldoende in aanmerking werden genomen”; dat hij vervolgt dat “wetende dat er in casu wel degelijk een vacature was, dat er zich hiervoor naast verzoekende partij geen andere kandidaten aanmeldden, dat verzoeker er een meer dan tien jaar lange dienstervaring had opzitten, dat hij geslaagd was in een selectieproef en dat zijn kandidatuur gesteund werd door de Directeur van de dienst, komt de beslissing om niet tot benoeming over te gaan immers onmiskenbaar voor als vertonende een te grote mate van willekeur, zelfs indien men er rekening mee houdt dat de dienst op dat ogenblik een ‘precaire’ toekomst had”; 3.2.
  31. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie opwerpt dat het aangehaalde geen middel vormt in de zin van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, daar geen geschonden geachte regel wordt weergegeven, noch de wijze waarop deze zou zijn geschonden; 3.2.
  32. Overwegende dat hetgeen de eerste verwerende partij in het verzoekschrift leest als een tweede middel, niet meer is dan een uiteenzetting met betrekking tot het belang van verzoeker; dat het middel door verzoeker ontwikkeld in zijn laatste memorie en genomen uit “machtsoverschrijding: schending van het redelijkheidsbeginsel” een nieuw middel vormt, dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan worden aangevoerd, terwijl verzoeker dit in zijn verzoekschrift had kunnen doen, BESLUIT: Artikel
  33. IX-2111-9/10 Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2111-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.