id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.486 Rolnummer: A. 109273/IX-3001 Zaak: Arrest 162486 - - 18/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-28 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 03:58 Fiche Arrest nr 162.486 van 18 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.486 van 18 september 2006 in de zaak A. 109.273/IX-
- In zake :
- de NV Apotheek Willem STAELS,
- de BVBA Apotheek STASSIJNS, die woonplaats kiezen bij advocaat R. ASCRAWAT, kantoor houdende te VEURNE, Kaaiplaats 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- tussenkomende partij : Lutgarde BUYDENS, die woonplaats kiest bij advocaat H. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Apotheek Willem STAELS en de BVBA Apotheek STASSIJNS op 22 augustus 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 30 maart 2001 door de minister van Volksgezondheid, waarbij aan Lutgarde BUYDENS een vergunning wordt verleend voor het openen van een voor het publiek opengestelde apotheek te Ninove, deelgemeente Meerbeke, Brusselsesteenweg nr. 583; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 26 november 2001; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 die de tussen- komst van Lutgarde BUYDENS toelaat; IX-3001-1/27 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd G. JACOBS; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. ASCRAWAT die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J.-F. DE BOCK die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. DEMEESTER die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 2 maart 1990 dient Lutgarde Buydens een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor het openen van een voor het publiek open- gestelde apotheek te Ninove (Meerbeke), Brusselsesteenweg nr.
- IX-3001-2/27 1.
- Nadat de aanvraag ter kennis is gebracht van de omliggende apotheken dienen beide verzoekende partijen bezwaar in tegen de geplande vestiging. 1.
- Alle overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, ingewonnen adviezen zijn ongunstig. Het advies van de farmaceutische inspecteur van 26 december 1992 luidt ondermeer als volgt : “De aanvraag is bestemd voor de deelgemeente Meerbeke van Ninove. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er geen grote natuurlijke of kunstmatige hinderpaal is, zoals bij voorbeeld een rivier, spoorweg of een belangrijke weg, die een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande apotheek en de twee apotheken van Meerbeke. Dezelfde redenering geldt trouwens ook, voor zover ik dat met mijn wagen ter plaatse kon vaststellen, t.o.v. de dichtste apotheek in Roosdaal. In de onmiddellijke omgeving van het adres van de geplande officina, op het grondgebied van Ninove, heb ik ook geen duidelijk centrum gezien met kerk, winkels, enz. Bovendien is het adres van de geplande officina gelegen aan de belangrijke en drukke Brusselsesteenweg van Ninove en Brussel. Hierdoor is het, naar ik meen, moeilijk een nauwkeurige invloedssfeer af te bakenen voor de geplande apotheek. Als ik, bij gebrek aan een duidelijke afbakening van de invloedssfeer, het aantal inwoners van Meerbeke deel door 3, nl. door het aantal bestaande apotheken en de eventueel nog op te richten apotheek, en bovendien geen rekening houd met het feit dat het adres van de geplande apotheek gelegen is in de periferie van de deelgemeente Meerbeke en niet in het centrale, meer bebouwde gedeelte ervan, kom ik tot een geschatte invloedssfeer van ca 1814 inwoners. Wat deze geplande apotheek eventueel zou verliezen door niet centraal te liggen in Meerbeke en in de fusiegemeente Ninove, zou ze wellicht winnen door het aantrekken van inwoners van Roosdaal over de provincie- grens.” 1.
- De conclusie in het verslag van de hoofdinspecteur-directeur van de algemene farmaceutische inspectie van 11 juni 1993 is eveneens ongunstig. Die conclusie luidt als volgt : “
- Conclusie. Gelet op artikel 1, § 2 van het K.B. van 25/09/1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, is de vestiging van een nieuwe apotheek niet mogelijk. De geplande apotheek bevindt zich op ongeveer 2 km van de dichtstbijgele- gen bestaande apotheek. Ze zou blijkbaar de behoeften kunnen dekken van 1.814 inwoners. Er wordt dus niet voldaan aan de afwijking, bepaald in artikel 1, § 3, b van bovengenoemd besluit. De conclusie is derhalve ongunstig.” 1.
- Ter zitting van de vestigingscommissie van 17 juni 1993 legt aanvraagster een nota neer evenals een verslag, met bijlagen, opgesteld door landmeter DHONDT. Op basis van de berekening van de halve afstanden tussen de IX-3001-3/27 geplande apotheek en de vijf dichtst bijgelegen apotheken komt deze tot het besluit dat de invloedssfeer van de geplande apotheek 2.564 inwoners bedraagt. 1.
- Op 3 oktober 1993 leggen de farmaceutische inspecteurs BAETENS en DERAVE een aanvullend verslag neer. Zij bevestigen het door de deskundige opgegeven inwoneraantal maar merken op dat “bij de berekening geen rekening werd gehouden met de aantrekkingskracht die er van de centra van Ninove (en Meerbeke) aan de ene zijde en van Pamel (Roosdaal) aan de andere zijde uitgaat, vooral daar er ter hoogte van het adres van de geplande officina geen duidelijk centrum is dat een aantrekkingskracht uitoefent op de bevolking in de omgeving en er ook geen duidelijke natuurlijke of kunstmatige hinderpaal is, zoals bij voorbeeld een rivier, spoorweg of een belangrijke weg, die een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande officina en de gevestigde apotheken en gemeente- centra in de omgeving”, waarop de hoofdinspecteur-directeur als bijkomende conclusie stelt dat indien de nieuwe vestiging inderdaad de behoeften van 2.564 inwoners dekt, voldaan is aan de voorwaarden vervat in artikel 1, § 3, a), van het koninklijk besluit van 25 september
- “In dat geval is de conclusie gunstig t.a.v. de aanvraag”, aldus nog de hoofdinspecteur-directeur. 1.
- Op 17 februari 1994 brengt de vestigingscommissie een ongunstig advies uit over verzoekers aanvraag. Het advies luidt ondermeer als volgt : “Ten gronde blijkt (..) verder uit de omstandige verslagen van de farmaceuti- sche inspecteur DERAVE dat ter hoogte van het adres van de geplande apotheek er geen duidelijk centrum of woonkern bestaat van aard een aantrek- kingskracht uit te oefenen op de bevolking van de omgeving; er is eveneens geen duidelijke hinderpaal tussen de ontworpen officina gelegen aan de periferie van Meerbeke en de omliggende apotheken die zowel voor de inwoners waarop aanvraagster beroep doet in Meerbeke en Roosdaal gemakkelijk bereikbaar zijn onder meer via de Brusselsesteenweg waar een van de apotheken van Meerbeke overigens gelegen is. Deze inwoners zijn voor een groot deel aangewezen voor hun nutsvoorzie- ningen op de centra van Meerbeke en in mindere mate van Roosdaal met de aldaar gevestigde apotheken afgezien de aantrekkingskracht van de stad Ninove waarvan het centrum op een afstand van 3 à 4 km ligt. Uiteindelijk zou de ontworpen apotheek ten hoogste kunnen rekenen op een zeker aantal inwoners van haar onmiddellijke omgeving en alleszins, overeen- komstig het advies van de farmaceutisch inspecteur, het wettelijk quorum van 2.500 inwoners niet bereiken. Al de uitgebrachte adviezen zijn eveneens onverdeeld ongunstig. Aanvraagster die overigens het wettelijk aantal inwoners amper overschrijdt, bewijst in de gegeven omstandigheden niet dat de ontworpen apotheker de wettelijk voorwaarde qua bevolkingsaantal vervult. Zij zou ten hoogste de behoeften van 2.000 inwoners dekken. IX-3001-4/27 Daarenboven blijkt, dat in streekverband, de geneesmiddelenvoorziening ruimschoots verzekerd is door de gevestigde apotheken zodat de oprichting van een bijkomende apotheek een overconcentratie van apotheken zou doen ontstaan in strijd met art. 1 van het organiek K.B”. 1.
- Op 13 april 1994 stelt aanvraagster BUYDENS hoger beroep in tegen het advies van de vestigingscommissie. 1.
- Zowel de aanvraagster als de farmaceutische inspectie leggen in de daaropvolgende periode nog stukken neer waaronder de opmerkingen van landmeter DHONDT van 10 februari 2000 ten aanzien van het hierboven vermeld advies van de vestigingscommissie van 17 februari
- Hierin wordt een geactualiseerd bevolkingscijfer van 2.646 inwoners vermeld. Het advies van de farmaceutische inspectie van 4 september 2000 blijft ongunstig en steunt in hoofdzaak op de volgende overwegingen : “Hierbij wens ik op te merken dat er van het adres van de geplande nieuwe vestiging, gelegen aan de drukke en gevaarlijke Brusselsesteenweg, zeer weinig aantrekkingskracht uitgaat (bvb. geen winkels) en dat er geen mogelijkheid is tot parkeren aan het adres van de geplande nieuwe vestiging (wel aan de overzijde schuinsover het adres van de geplande nieuwe vestiging in de richting van Ninove met enkele meters verder een zebrapad om de Brusselsesteenweg over te steken), hetgeen naar ik meen toch een serieuze handicap is voor wat de invloedssfeer van de geplande nieuwe vestiging betreft. (...) Rekening houdend met de hoger geformuleerde opmerkingen en met de aantrekkingskracht die uitgaat van het centrum van Meerbeke en van Pamel, meen ik, dat de geplande nieuwe vestiging hoofdzakelijk afgestemd is op een deel van de inwoners van Meerbeke en maximaal 1.829 inwoners bedraagt (zijnde het totaal aantal inwoners van Meerbeke nl. 5.488 gedeeld door 3 (apotheken)). Ik heb er sterk mijn twijfels over dat de inwoners van de straten van Roosdaal die door de aanvraagster worden opgegeven die drukke en gevaarlijke Brusselsesteenweg zullen oversteken”. 1.
- Op 20 december 2000 brengt de commissie van beroep het volgend gunstig advies uit : “(....) Voorafgaanden. 1) De stad Ninove is een fusie van de vroegere stad Ninove met verschillende deelgemeenten, zijnde: Okegem, Nederhasselt, Denderwindeke, Lieferingen, Appelterre-Eichem, Voorde, Pollare, Meerbeke, Neigen, Aspelare en Outer. Volgens de bevolkingsdiensten telde de fusiegemeente Ninove op 31 december 1992, 33.839 inwoners. Er zijn 15 apotheken waarvan 2 met een adjunct, zijnde : 8 in de deelgemeente Ninove, 2 in Meerbeke, 1 in Outer, 1 in Appelterre-Eichem, 1 met adjunct in Denderwindeke, 1 met adjunct in Aspelare en 1 in Okegem. Het aantal inwoners is verdeeld als volgt : IX-3001-5/27 Ninove : 11.375 Okegem : 2.079 Nederhasselt : 1.271 Denderwindeke : 3.283 Lieferinge : 289 Appelterre-Eichem : 2.687 Voorde : 1.119 Pollare : 1.238 Meerbeke : 5.455 Neigem : 535 Aspelare : 1.430 Outer : 3.076 33.837 2) De aanvraag steunt op de afwijkingsbepalingen van het artikel 1 § 3, a van het voornoemd K.B. van 25 september
- Er dient dus bewezen te worden dat de geplande apotheek de behoeften dekt van 2.500 inwoners. De dichtstbijgelegen apotheken zijn de volgende : Voor wat Meerbeke (Ninove) betreft : - Apotheek W. STAELS (de dichtstbijgelegen apotheek), Brusselsesteenweg 245, Meerbeke-Ninove, gelegen aan de hoek Brusselsesteenweg/Kwadestraat-Zuid (op ongeveer 2 km van het adres van de geplande apotheek via de Brusselsesteenweg). De aanvraagster geeft op haar aanvraagformulier een afstand van 1.980 meters op. - Apotheek J. STAELS, Hemelrijkstraat 9, Meerbeke-Ninove (gelegen in het centrum op ongeveer 2,3 km van het adres van de geplande apotheek via de Nieuwstraat, de Herremansstraat en de Brusselsesteenweg). Voor wat Roosdaal betreft die een fusiegemeente is bestaande uit het vroegere Pamel, O.L.-Vrouw-Lombeek, Borcht-Lombeek en Strijtem : - Apotheek STASSYNS, Gasthuisstraat 44, Pamel (op ongeveer 2,2 km van de geplande apotheek via de Brusselsesteenweg, de Ninoofsesteenweg, de Poelbeekstraat en de Gasthuisstraat). - Apotheek DE PAUW, Lombeekstraat 38, Pamel (op ongeveer 2,6 km van de geplande apotheek via de Brusselsesteenweg, de Ninoofsesteenweg, de Omer De Vidtslaan en de Lombeekstraat). - Apotheek VANDEN AUWEELE, Koning Albertstraat 45, O.L. Vrouw Lombeek (gelegen aan de hoek van de Koning Albertstraat en de Daalbeekstraat (op ongeveer 2,4 km van de geplande apotheek via de Brusselsesteenweg, de Ninoofsesteenweg en de Koning Albertstraat). De deelgemeente Meerbeke met 5.455 inwoners telt 2 apotheken en de gemeente Roosdaal met 10.282 telt 3 apotheken waarvan 2 in de deelge- meente Pamel met 5.650 inwoners en 1 in de deelgemeente O.L. Vrouw Lombeek. De geplande apotheek zou liggen aan de periferie van de deelgemeente Meerbeke langs de Brusselsesteenweg op ongeveer 200 meter van de grensscheiding van Ninove (deelgemeente Meerbeke) - Provincie Oost Vlaanderen en Roosdaal (deelgemeente Pamel) - Provincie Vlaams Brabant, op een afstand van enerzijds ongeveer 2 km en 2,3 km tot de twee apotheken in Meerbeke, waarvan de eerste gelegen is aan de Brusselsesteenweg en de tweede in het centrum en van anderzijds ongeveer 2,2 km van de dichtsbijge- legen apotheek in Pamel. Er is geen grote natuurlijke of kunstmatige hinderpaal, zoals bijvoorbeeld een rivier, spoorweg of een belangrijke weg, die een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande apotheek en de twee apotheken van de deelgemeente Meerbeke. Dit geldt trouwens ook ten opzichte van dichtstbij- IX-3001-6/27 gelegen apotheek in Roosdaal (deelgemeente Pamel), die zich bevindt op een afstand van 2,2 km. In de onmiddellijke omgeving van het adres van de geplande apotheek op het grondgebied van Ninove, is er geen duidelijk centrum met kerk, winkels enz.... De geplande apotheek is wel gelegen aan de belangrijke en drukke Brusselsesteenweg van Ninove naar Brussel. Waar de aanvraag aan de afstandsvoorwaarde voldoet, meent de aanvraagster dat de geplande apotheek eveneens de behoeften van 2.500 inwoners zou dekken. Hiervoor roept zij de gegevens in van het door haar aangestelde ingenieurs- bureau DHONDT uit Ninove. Bij toepassing van de methode van de halver- wege afstanden tussen de geplande apotheek en de dichtstbijgelegen apotheken van de deelgemeenten Meerbeke en Pamel wordt gesteld dat 1.352 inwoners van de deelgemeente Meerbeke en 1.212 inwoners van de deelgemeente Pamel, hetzij samen 2.564 inwoners op de nieuwe vestiging zouden aangewezen zijn (zie proces-verbaal van de invloedssfeerbepaling en vaststelling d.d. 26 oktober 1992 van W. DHONDT). 3) Het ongunstig advies van de vestiging van de Vestigingscommissie d.d. 17 februari 1994 is gesteund op de gegevens van de verslagen van de Farmaceutische Inspecteur W. DERAVE. Ter hoogte van het adres van de geplande apotheek bestaat er geen duidelijk centrum of woonkern van aard een aantrekkingskracht uit te oefenen op de bevolking van de omgeving. Er is eveneens geen duidelijke hinderpaal tussen de geplande apotheek gelegen aan de periferie van Meerbeke en de omliggende apotheken die zowel voor de inwoners waarop de aanvraagster beroep doet in Meerbeke en Roosdaal gemakkelijk bereikbaar zijn, onder meer via de Brusselsesteenweg waar één van de apotheken van Meerbeke overigens is gelegen. Deze inwoners zijn voor een groot deel aangewezen voor hun nutsvoorzie- ningen op de centra van deelgemeente Meerbeke en in mindere mate van de gemeente Roosdaal met de aldaar gevestigde apotheken afgezien van de aantrekkingskracht van de stad Ninove waarvan het centrum op een afstand van 3 à 4 km ligt. De geplande apotheek zou uiteindelijk kunnen rekenen op een zeker aantal inwoners van haar onmiddellijke omgeving maar zou alleszins, overeenkom- stig het advies van de Farmaceutische Inspecteur, het wettelijk quorum van 2.500 inwoners niet bereiken. Ten gronde. Het aantal inwoners waarop de aanvraagster zich op 10 februari 2000 steunt, bedraagt in het totaal 2.646, zijnde 1.214 inwoners voor wat Roosdaal betreft en 1.432 voor wat Meerbeke betreft. Uit het geactualiseerd verslag van het ingenieursbureau DHONDT d.d. 10 februari 2000 blijkt dat men hier voor een lintbebouwing staat. De algemene tendens van het gaan wonen in de periferie is hier ook waar te nemen alsook om zich daar te bevoorraden. De Brusselsesteenweg in Meerbeke en Roosdaal is een aaneenschakeling van woningen (lintbebouwing), half-open bebouwing en open bebouwing. Men mag zelfs zeggen dat er tot in Brussel bebouwing aan weerszijden van steenweg is. Het is niet te betwisten dat door deze alom aanwezige bebouwing het duidelijk centrum in een gemeente vervaagt. Het is dan ook overdreven in het farmaceutisch verslag te vermelden dat er hier geen woonkern zou zijn. Het verslag van het ingenieursbureau DHONDT, d.d. 26 oktober 1992 toont ook zeer duidelijk aan dat er in de aangeduide periferie van een deel van Meerbeke en een deel van Roosdaal een inwoneraantal van 2.564 is. Het voormeld geactualiseerd verslag van dit bureau d.d. 10 februari 2000 geeft thans een inwoneraantal van 2.646 op. IX-3001-7/27 Rechtover de aangevraagde apotheek, Brusselsesteenweg 583, is de autobussenstandplaats welke één van de belangrijkste standplaatsen is van de autobuslijn Ninove-Brussel met in de spitsuren een stilstand om het kwartier. Het is trouwens een centrum van het openbaar vervoer voor deze omgeving met een inwoneraantal van 2.
- De verslagen van het ingenieursbureau DHONDT laten hier in geen geval toe te stellen dat er geen 2.500 inwoners zouden aangewezen zijn op de geplande apotheek. Het criterium van de halve afstand is weliswaar zo maar niet te hanteren om op een kaart een invloedssfeer kunstmatig af te bakenen door afstanden tot de meest nabijgelegen apotheken te halveren en aldus het gewenste bevolkingsaan- tal te bereiken. Er dient hier vastgesteld te worden dat de gevestigde apotheek richting Ninove (Meerbeke) zich reeds in het drukkere gedeelte van de gemeente bevindt terwijl de gevestigde apotheek in Roosdaal in het centrum van deze gemeente ligt. Tevens is er ook geen natuurlijke of kunstmatige hinderpaal die een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande apotheek en de twee apotheken van de deelgemeente Meerbeke. Dit geldt trouwens ook ten opzichte van de dichtstbijgelegen apotheek in Roosdaal (deelgemeente Pamel) die zich bevindt op een afstand van 2,2 km. De gegevens van de hierboven vermelde verslagen tonen duidelijk aan dat de ganse periferie die gebruik dient te maken van de Brusselsesteenweg eerder is aangewezen op de geplande apotheek zodat het halve afstandscriterium niet als dusdanig is te nemen maar enkel aanduidt dat wegens de ligging in ieder geval het wettelijk vereiste aantal van 2.500 inwoners bereikt wordt. Er dient dus te worden aangenomen dat de geplande apotheek in ieder geval minstens kan rekenen op het hierboven vermeld inwoneraantal van 2.646 zodat een gunstig advies kan worden verleend ten aanzien van de nieuwe vestiging. (...)” 1.
- Op 30 maart 2001 verleent de minister van Volksgezondheid, verwijzend naar en zich aansluitend bij het advies van de commissie van beroep, de gevraagde vergunning.
- De ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekers niet aantonen dat zij hun beroep hebben ingesteld minder dan zestig dagen nadat zij van het bestreden besluit, dat noch gepubliceerd, noch aan verzoekers betekend diende te worden, kennis hebben genomen; dat zij daarbij aanvoert dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring weliswaar afgeleid kan worden dat eerste verzoekster met een brief van 29 juni 2001 van de Farmaceutische inspectie in kennis werd gesteld van het feit dat een vergunning tot vestiging van een apotheek te Ninove, deelgemeente Meerbeke, Brusselsesteenweg, 583 aan Lutgarde BUYDENS was afgeleverd, doch in het verzoekschrift niet vermeld is wanneer tweede verzoekster in kennis werd gesteld van die beslissing; dat zij betoogt dat, daar deze IX-3001-8/27 beslissing op 30 maart 2001 aan Lutgarde BUYDENS en op 7 juni 2001 aan de adviserende instanties, namelijk de Algemene pharmaceutische bond (A.P.B.), de Vereniging der coöperatieve apotheken van België (OPHACO) en de Provinciale geneeskundige commissie van Oost-Vlaanderen werd medegedeeld, de mogelijkheid bestaat dat tweede verzoekster meer dan zestig dagen voorafgaandelijk aan het indienen van haar verzoekschrift in kennis werd gesteld van het bestreden besluit; 2.
- Overwegende dat het bestreden besluit niet diende te worden betekend aan de gevestigde apothekers noch moest worden bekend gemaakt op enige vastgestelde wijze; dat het beroep tot nietigverklaring dan ook, krachtens artikel 4 van het procedurereglement, op straf van niet-ontvankelijkheid diende te worden ingesteld binnen de termijn van zestig dagen die ingaat “met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad”; dat in tegenstelling tot wat verwerende partij aanneemt, het degene die aanvoert dat een verzoeker werkelijk kennis had van het bestreden besluit meer dan zestig dagen voor het instellen van het annulatieberoep, toekomt het bewijs daarvan te leveren; dat te dezen uit door de verzoekende partijen neergelegde stukken blijkt dat apotheker Willem STAELS, afgevaardigde-bestuurder van de NV Apotheek STAELS pas op 29 juni 2001 in kennis werd gesteld van de bestreden beslissing en dat ook de BVBA Apotheek STASSIJNS met brief van dezelfde datum door de algemene farmaceutische inspectie van de bestreden beslissing in kennis werd gesteld; dat verwerende partij geen bewijs ervan voorlegt dat de verzoekende partijen eerder kennis zouden gehad hebben van de bestreden beslissing; dat zulks evenmin blijkt uit het administratief dossier; dat derhalve moet worden aangenomen dat het beroep tijdig werd ingesteld; dat de exceptie niet opgaat;
- Ten gronde. 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel aanvoeren dat de bestreden beslissing gebaseerd is op onbestaande, onjuiste, niet in aanmerking komende of kennelijk op onredelijke wijze beoordeelde feiten en bijgevolg aangetast is door machtsoverschrijding; dat zij in het advies van de commissie van beroep lezen dat Roosdaal, met 10.282 inwoners, drie apotheken telt, namelijk twee in de deelgemeente Pamel met 5.650 inwoners en één in de deelge- meente Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, maar onbegrijpelijk geen rekening wordt gehouden met een vierde apotheek, te weten de apotheek VAN IMPE te Borchtlom- beek, Kerkstraat nr. 16; dat volgens hen die materiële vergissing nodig was om het vestigen van de geplande apotheek te kunnen rechtvaardigen, aangezien de gemeente Roosdaal slechts 10.616 inwoners telt, waarvan 2.048 in Borchtlombeek, hetgeen IX-3001-9/27 betekent dat er voor de drie andere apothekers nog 8.568 inwoners overblijven; dat verzoekers stellen dat, volgens de beslissing van de minister, 1.214 inwoners van Roosdaal genomen worden om toe te voegen aan de invloedssfeer van de geplande apotheek, teneinde te kunnen voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; dat zulks betekent dat er dan nog amper 7.354 inwoners overblijven voor drie apotheken, wat duidelijk onder het minimum van de criteria gelegen is, zoals vastgelegd in art. 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zijnde 2.500 inwoners per apotheek in gemeenten met meer dan 10.000 inwoners; dat verzoekers ook aanstippen dat bovendien geen rekening wordt gehouden met het feit dat in de apotheek van de BVBA STASSIJNS reeds voor de aanvraag van Lutgarde BUYDENS er een full-time tweede apotheker tewerkgesteld is en dat de apotheek in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek slechts werd toegestaan in 1976 onder het regime van de vestigingswet; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het middel op een verkeerde lezing of interpretatie van de motivering van de beslissing berust, aangezien het advies van de commissie van beroep onder “voorafgaanden” duidelijk stelt dat de aanvraag steunt op de afwijkingsbepalingen van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en onder de dichtsbijgelegen apotheken drie -van de vier- apotheken van de naburige gemeente Roosdaal vermeldt, terwijl de apotheek VAN IMPE te Borchtlombeek niet tot de “dichtstbijgelegen” apotheken behoort en niet binnen de invloedssfeer van de geplande vestiging valt, zodat de commissie van beroep met deze apotheek dan ook geen rekening diende te houden om na te gaan of aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 werd voldaan; dat wat betreft de argumentatie aangaande het bevolkingscijfer van de gemeente Roosdaal en de verdeling van de apotheken in die gemeente, de verwerende partij stelt dat verzoekers zich baseren op een verkeerde interpretatie van de toepasselijke reglementaire bepalingen, aangezien de bestreden vergunning niet verleend werd overeenkomstig artikel 1, §§ 1 en 2, van het voornoemd koninklijk besluit maar overeenkomstig artikel 1, § 3, a, ervan en het trouwens gaat om een vestiging in de gemeente Ninove, niet in de gemeente Roosdaal; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord staande houden dat het advies van de commissie van beroep uitdrukkelijk stelt dat Roosdaal met z’n 10.282 inwoners 3 apotheken telt waarvan 2 in de deelgemeente Pamel met 5.650 inwoners en 1 in de deelgemeente Onze- Lieve-Vrouw-Lombeek en geen melding wordt gemaakt van de vierde apotheek in IX-3001-10/27 de gemeente Roosdaal, dat bij toepassing zowel van art. 1, § 2, als bij toepassing van art. 1, § 3, er telkens onderzocht dient te worden of de vergunning niet leidt tot een te grote concentratie van een apotheek op een bepaalde plaats, dat aan die verplichting niet kan worden voldaan als in het advies, gevolgd door de Minister, voor wat betreft de gemeente Roosdaal gewoonweg één apotheek werd vergeten; dat zulks volgens verzoekers des te meer klemt wanneer men vaststelt dat een belangrijk gedeelte van de gemeente Roosdaal in de bestreden beslissing in aanmerking wordt genomen als invloedssfeer van de geplande apotheek; dat bovendien de kaart van Roosdaal aantoont dat een gedeelte van de deelgemeente Strijtem behoort tot het cliënteel van de apotheek VAN IMPE, zodat er minder inwoners overblijven voor Pamel en Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek; dat verzoekers besluiten dat door een bijkomende vestiging toe te laten op de betrokken plaats, zowel de apotheken te Pamel als die van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek opnieuw een deel van hun invloedssfeer verliezen, zodat dit wel degelijk zijn belang heeft in verband met de al dan niet overconcentratie van apotheken; 3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij zich aansluit bij het standpunt van de verwerende partij; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende en tussenkomende partijen terecht vaststellen dat het advies van de commissie van beroep waarnaar de bestreden beslissing verwijst en dat derhalve geacht moet worden de motieven van de bestreden beslissing te bevatten, duidelijk vermeldt dat de aanvraag steunt op de afwijkingsbepalingen van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat het advies in het licht van voornoemde bepaling verwijst naar “de dichtst bijgelegen apotheken”; dat de apotheek VAN IMPE te Borchtlombeek, gelegen op ongeveer 7,5 km van de geplande vestiging, niet beschouwd kan worden als een dichtbij gelegen apotheek en dus duidelijk buiten de invloedssfeer van de geplande apotheek gesitueerd is; dat daaruit dan ook volgt dat het advies van de commissie van beroep en de bestreden beslissing op dat punt niet gesteund is op onjuiste feitelijke gegevens; dat verzoekende partijen ook niet aantonen dat een materiële misslag op dit punt, aangenomen dat die er zou zijn, een weerslag had op de bestreden beslissing; dat in verband met dat laatste moet worden opgemerkt dat de beschouwingen van de verzoekende partijen omtrent de weerslag van de vergunning op het bevolkingsaantal dat nog in aanmerking zou komen voor het verlenen van een vergunning op grond van artikel 1, § 2, van voornoemd koninklijk besluit, terzake niet dienend zijn, vooreerst al omdat de nieuwe apotheek niet wordt gevestigd in de gemeente Roosdaal en voorts aangezien de bestreden vergunning werd toegekend in IX-3001-11/27 toepassing van artikel 1, § 3, van dat koninklijk besluit, bepaling welke de voorwaar- den bepaalt waaronder een“bijkomende” apotheek kan worden toegestaan “in afwijking van het bepaalde in § 2”; dat verwerende partij dan ook terecht opmerkt dat het verlenen van de vergunning op grond van artikel 1, § 3, precies tot doel heeft een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren bij vervulling van specifieke voorwaarden, wanneer aan de voorwaarden van artikel 1, § 2, niet kan worden voldaan en dat de twee stelsels niet tegelijk worden toegepast; dat waar verzoekende partijen in hun memorie van wederant- woord nog stellen dat het niet vermelden van de vierde apotheek in de gemeente Roosdaal wel invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, en zij daarvoor verwijzen naar rechtspraak met betrekking tot het criterium vervat in artikel 1, § 1, 2/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, namelijk “het voorkomen van een te grote concentratie van apotheken op een bepaalde plaats”, opgemerkt moet worden dat het bepaalde in artikel 1, § 1, 2/, werd geschrapt bij koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 (hierna: het koninklijk besluit van 25 maart 1999); dat de thans bestreden beslissing dateert van na het in werking treden van deze bepaling; dat, behoudens het geval waar uitdrukkelijk bepaald wordt dat een opgeheven en vervangen bepaling bij wijze van overgang voor een zekere tijd van kracht blijft, de nieuwe regeling vanaf het inwerkingtreden ervan voor de toekomst van toepassing is, ook voor de toestanden die onder de gelding van de opgeheven en vervangen regeling zijn ontstaan; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in het bijzonder artikel 3, alsook van het beginsel van behoorlijk bestuur inzake motivering; dat zij betogen dat artikel 1, § 3a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 uitdrukkelijk voorschrijft dat een bijkomende apotheek kan worden toegestaan, zelfs in afwijking van art. 1, § 2, op voorwaarde dat er is voldaan aan twee criteria, zijnde een afstandsvoorwaarde van één kilometer en een inwonersvoorwaarde: het dekken van de behoeften van minstens 2.500 inwoners; dat ofschoon de Raad van State niet bevoegd is om zich bij de beoordeling daarvan in de plaats van de bestuursoverheid te stellen hij toch, belast met de wettelijkheidscontrole, eventueel moet kunnen nagaan of de overheid deze beoordeling op redelijke in rechte en in feite aanneembare reden heeft gesteund; dat volgens verzoekers de Minister zich heeft aangesloten bij het advies van de commissie van beroep, die haar beslissing omtrent de invloedssfeer van de geplande apotheek niet heeft gemotiveerd, aangezien in dat advies enkel wordt verwezen naar IX-3001-12/27 een verslag van landmeter DHONDT, aangesteld door de tussen-komende partij zelf; dat het louter verwijzen naar een dergelijk verslag, zonder redengeving waarom men deze inwoners beschouwt als zijnde behorende tot de behoeften van de geplande apotheek, naar de mening van verzoekers evident geen wettelijke motivering vormt zodat om die reden alleen de bestreden beslissing dient te worden vernietigd; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verplichting tot formele motivering niet moet worden verward met het bewijs van feiten: de uitdrukkelijke motivering komt dus niet in de plaats van het dossier, maar moet wel berusten op de gegevens van het dossier die ten grondslag liggen aan de genomen beslissing; dat volgens haar terzake blijkt dat de bestreden beslissing verwijst naar het advies van de commissie van beroep van 20 december 2000 en dat op basis van dat advies de elementen die ten grondslag liggen aan de beslissing, duidelijk kunnen worden begrepen; dat zij in de motivering van haar beslissing zowel verwijst naar de verslagen van Farmaceutisch inspecteur W. DERAVE als naar de vaststellingen van de deskundige DHONDT; dat uit die gegevens blijkt dat er geen discussie bestaat over objectieve elementen van het dossier, zoals de afstand tussen de geplande vestiging en de dichtstbijgelegen bestaande officina's, de cijfers uit de bevolkingsregisters van Ninove en Roosdaal, het aantal inwoners bij berekening van de invloedssfeer door middel van de techniek van de halverwege-afstand en andere gegevens, zoals het feit dat de geplande vestiging aan een belangrijke baan (Brusselsesteenweg) ligt, dat er parkeermogelijkheid is aan de overzijde van de vestiging, dat een zebrapad op de Brusselsesteenweg aanwezig is, dat het aldaar om een lintbebouwing gaat enzovoort; dat uit het advies van de commissie van beroep en uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat er wel een meningsverschil bestaat over andere - minder objectiveerbare -elementen tussen, enerzijds, de Farmaceutische inspectie Oost-Vlaanderen en de Vestigingscommissie en anderzijds, de deskundige DHONDT en dat, hoewel iedereen akkoord gaat met het feit dat de techniek van de halverwege afstanden om de invloedssfeer van de apotheek te bepalen niet zonder meer dienstig is, de diverse meningen genuanceerd moeten worden; dat verwerende partij wat dat betreft verwijst naar haar antwoord op het derde middel; dat zij stelt dat uit het advies van de commissie van beroep duidelijk blijkt dat zij de diverse aspecten van het dossier en de ingenomen standpunten in overweging heeft genomen: zo stelt de commissie van beroep dat indien vaststaat dat geen grote natuurlijke of kunstmatige hinderpaal, zoals bijvoorbeeld een rivier, spoorweg of een belangrijke weg een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande apotheek en de twee apotheken van de deelgemeente Meerbeke (Ninove), deze vaststelling ook dient te worden toegepast wat de deelgemeente Pamel (Roosdaal) betreft; zij stelt IX-3001-13/27 bovendien vast dat bij aanwezigheid van lintbebouwing, zoals in onderhavig geval, het duidelijk centrum in een gemeente vervaagt en, verder, dat het overdreven is te stellen, zoals in het verslag van de Farmaceutische inspectie, dat er aan de vestiging geen woonkern is; dat op basis van onder meer deze elementen de commissie van beroep zich aansluit bij de besluiten van deskundige DHONDT en uit haar beslissing ook duidelijk kan worden afgeleid dat zij van mening is geweest dat er geen reden bestond om op kunstmatige wijze geen rekening te houden met de bevolking van de aangrenzende deelgemeente Pamel voor de bepaling van de invloedssfeer van de geplande vestiging, waardoor zij de stelling van de Farmaceutische inspecteur dat geen rekening moet worden gehouden met enige invloedssfeer in Roosdaal louter omdat haar inwoners “de drukke en gevaarlijke Brusselsesteenweg (niet) zullen oversteken” bijgevolg afgewezen wordt; dat verwerende partij concludeert dat er dan ook geen sprake is van een louter niet gemotiveerde verwijzing naar het verslag van een deskundige; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat in de eerste plaats ook moet worden verwezen naar het oorspronkelijk advies van de vestigingscommissie, hetwelk vaststelde dat de geplande apotheek was gevestigd op een adres waar geen duidelijk centrum of woonkern bestaat van die aard dat deze een aantrekkingskracht zou uitoefenen op de bevolking van de omgeving, en bovendien wees op het feit dat de inwoners waarop aanvraagster beroep deed zich gemakkelijk konden bevoorraden zowel in Meerbeke als in Roosdaal, wat ook het standpunt was van farmaceutisch inspecteur DERAVE en inspecteur BAETENS; dat het advies ook verwees naar de aantrekkingskracht van de gemeenten Meerbeke en Roosdaal, in het bijzonder Pamel, terwijl daar geen duidelijke, natuurlijke of kunstmatige hinderpaal was zoals bijvoorbeeld een rivier, spoorweg of een belangrijke weg die een duidelijke scheiding vormde tussen enerzijds het adres van de geplande officina en anderzijds de gevestigde apotheken en de gemeentecentra in de omgeving; dat verzoekers daartegen vaststellen dat het advies van de commissie van beroep tekstueel de woorden van het ingenieursbureau DHONDT overneemt en ook tekstueel de nota welke door de raadsman van tussenkomende partij werd neergelegd; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij het standpunt van verwerende partij onderschrijft in volgende bewoordingen : “Indien het zo is dat het criterium van de halve afstand geen wettelijke motivatie is, wil dit niet zeggen dat het criterium totaal waardeloos is. IX-3001-14/27 De Commissie van Beroep heeft in een duidelijke redengeving gesteld waarom het verslag DHONDT kan aanvaard worden en de Commissie voorkomt juist de opwerping van verzoekende partijen tot nietigheid ter zake.” 3.2.5.
- Overwegende dat de ingeroepen wetsbepaling als volgt luidt : “Art.
- De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn”; 3.2.5.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht onder meer bestaat opdat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen derwijze dat hij zich, met de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn, met andere woorden zij er op gericht is de bestuurde de mogelijkheid te geven in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven aan te treffen op grond waarvan ze werd getroffen; 3.2.5.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen in hun verzoekschrift, namelijk dat voornoemde bepaling geschonden is omdat in de bestreden beslissing “enkel wordt verwezen naar een verslag van landmeter DHONDT, aangesteld door de verzoekende partij zelf”, het advies van de commissie van beroep, waarnaar de bestreden beslissing van 30 maart 2001 uitdrukkelijk verwijst en dat derhalve moet worden geacht de motieven van de bestreden beslissing te bevatten, enerzijds een overzicht van de voorafgaanden en anderzijds een motivering ten gronde omvat waarin op omstandige wijze de redenen worden aangegeven waarom de bestreden vergunning wordt verleend en waarom het standpunt van de farmaceutische inspectie terzake niet wordt gevolgd; dat de vaststelling dat de commissie van beroep -en derhalve ook verwerende partij- het standpunt van de door de aanvrager aangestelde deskundige tot de hare heeft gemaakt in casu dan ook niet betekent dat ze zelf de zaak niet heeft onderzocht doch enkel dat ze na onderzoek tot dezelfde bevindingen is gekomen; dat ze dus niet louter verwijst naar het verslag van landmeter DHONDT; dat verzoekende partijen -die overigens er niet in slagen duidelijk te maken op welk punt deze motivering hen niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door hen bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou voldaan zijn aan het doel van de formele motiveringsplicht - dan ook kennis hadden van de motieven van de bestreden beslissing, hetgeen hun overigens in staat heeft gesteld die motieven in IX-3001-15/27 feite en in rechte te betwisten; dat voor wat die concrete betwisting betreft, verwezen wordt naar de behandeling van het derde middel hierna; 3.2.5.
- Overwegende dat in zoverre verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord nog aanvoeren dat uit de bestreden beslissing niet blijkt hoe de commissie van beroep er toe komt, in tegenstelling met het advies van de vestigings- commissie en de verslagen van de farmaceutische inspecteur, te stellen dat er wel degelijk een centrum is, er vooreerst op gewezen dient te worden dat het advies van de vestigingscommissie en het advies van de commissie van beroep niet te beschou- wen zijn als twee naast elkaar staande adviezen, doch dat het advies van de commissie van beroep in de plaats komt van het advies van de vestigings-commissie; dat voorts, de commissie van beroep geen rechtscollege is dat overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet zijn uitspraken met redenen moet omkleden; dat enkel, krachtens artikel 4, § 3, 2/, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de uitoefening van de daaraan verbonden beroepen en de geneeskundige commissies, zoals gewijzigd door de wet van 17 december 1973 tot wijziging van de wet van 12 april 1958 betreffende de medisch-farmaceutische cumulatie en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, de adviezen zowel van de vestigingscommissie als van de commissie van beroep gemotiveerd moeten zijn; dat deze bepaling de commissies niet verplicht, zoals die verplichting wel bestaat voor rechtbanken en administratieve rechtscolleges, op de door de partijen aangevoerde middelen te antwoorden; dat de motiveringsplicht opgelegd aan het actief bestuur, waartoe de commissie van beroep terzake behoort, alleen betekent dat uitdrukkelijk in het advies zelf de redenen moeten worden opgegeven waarop het steunt; dat uit hetgeen voorafgaat dan ook volgt dat de commissie van beroep het advies van de vestigingscommissie niet hoeft te weerleggen doch het volstaat dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt om welke redenen de commissie van beroep tot een ander oordeel kwam dan de vestigingscommissie; dat zoals reeds eerder opgemerkt, het advies van de commissie van beroep omstandig motiveert waarom zij de vestigingsplaats een “centrumfunc- tie” toedicht; 3.2.5.
- Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, waar verzoekende partijen stellen dat het verwijzen naar het verslag dat steunt op de halverwege afstanden “geen wettelijke motivatie is” zij dat onderdeel van het middel uitgebreid hernemen in het derde middel en het aldaar besproken zal worden; dat waar zij ook nog stellen in hun memorie van wederantwoord dat er een “flagrante tegen-strijdigheid” bestaat tussen het advies van de farmaceutische inspectie en het IX-3001-16/27 advies van de commissie van beroep in verband met de verwijzing naar het ontbreken van een duidelijke natuurlijke of kunstmatige hinderpaal, ook dat gegeven komt ter sprake in het derde middel; 3.2.5.
- Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun derde middel stellen dat de administratieve overheid bij het beoordelen van een aanvraag rekening moet houden met de ligging en de aantrekkingskracht van al de in de omgeving bestaande apotheken en deze in haar appreciatie dient te betrekken, dat bij het onderzoek of de twee criteria van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 - afstand tot de dichtbij gelegen apotheken en het aantal inwoners - vervuld zijn, het dan ook niet volstaat zonder meer de inwoners die woonachtig zijn binnen de vereiste afstand, of de helft ervan, tot de invloedssfeer van de geplande apotheek te rekenen; dat verzoekende partijen echter vaststellen dat te dezen, om aan 2.500 inwoners te geraken landmeter DHONDT gewoon gebruik gemaakt heeft van het systeem van halverwege afstanden; dat men volgens hen niet kan ontkennen dat de geplande apotheek ligt aan de Brusselsesteenweg, in het verlengde van de apotheek van Willem STAELS en tussen beide apotheken geen enkele hindernis bestaat, dat de vestigingsplaats van de geplande apotheek ook geen enkele aantrekkingskracht heeft, aangezien het buiten de kom ligt van Meerbeke en aldaar zelfs geen woonkern uitmaakt: er zijn daar geen winkels met uitzondering van één handelszaak recht tegenover de geplande apotheek, namelijk een bordeel; dat verzoekende partijen voorts doen gelden dat alle inwoners waarop de geplande apotheek beroep doet, zich bevoorraden in de dichtsbijgelegen apotheken, met name de apotheek van Willem STAELS, gelegen aan de Brusselsesteenweg 247, Ninove-Meerbeke, alsook de apotheek van tweede verzoekster, BVBA STASSIJNS, 1760 Roosdaal-Pamel, Pamelse Klei 1, apotheek DE PAUW en apotheek VANDEN AUWEELE, gelegen op nauwelijks 1 à 2 km van de bovenvermelde apotheken en dat het derhalve niet opgaat dat 1.432 inwoners van Meerbeke zouden behoren tot de invloedssfeer van de geplande apotheek en 1.214 inwoners van de fusiegemeente Roosdaal; dat verzoekende partijen dan verder argumenteren dat de bestaande apotheken ten gevolge van de bestreden beslissing in hun respectieve invloedszone minder inwoners behouden dan die waarop de tussenkomende partij aanspraak maakt; dat zij ook een onregelmatigheid zien in het feit dat geen rekening werd gehouden met het bestaan van een vierde apotheek in Roosdaal, namelijk in Borchtlombeek; IX-3001-17/27 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 niet bepaalt hoe de dekking van de behoeften van 2.500 inwoners dient te worden aangetoond, dat de overheid hieromtrent beschikt over een brede appreciatiemarge en dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van dergelijke feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de vergunnende overheid, behoudens dat hij moet nagaan of de overheid die beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat zij wijst op de rechtspraak van de Raad volgens welke men niet louter toepassing kan maken van de techniek van de halverwege afstanden, namelijk de opsomming van het aantal inwoners in een perimeter die overeenstemt met de halve afstand tussen de geplande vestiging en de dichtstbijgelegen officina's, doch dat terzake uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat de bestreden beslissing op objectieve gegevens en op redelijke motieven berust en dat verwerende partij terzake niet zonder meer toepassing heeft gemaakt van de techniek van de halverwege afstanden; dat zij aanstipt dat de commissie van beroep rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie ter plaatse en met de specificiteit van de geplande ligging, meer bepaald vastgesteld heeft dat de geplande ligging in de periferie van de gemeente Ninove (Meerbeke) is, op 200 meters van de grensscheiding van Roosdaal (Pamel), ook rekening hield met het feit dat er daar geen natuurlijke of kunstmatige hinderpaal is, dat de geplande vestiging aan een belangrijke en drukke baan tussen Ninove en Brussel ligt, dat de woningsstructuur daar specifiek is (lintbebouwing, half-open bebouwing en open bebouwing) waardoor het centrum van een gemeente vervaagt zodat het overdreven is te stellen dat er daar geen woonkern zou zijn, en dat zich rechtover de geplande vestiging één van de belangrijkste autobusstandplaatsen van de lijn Ninove-Brussel bevindt en er daar bijgevolg een centrum is van het openbaar vervoer voor de omgeving; dat verwerende partij vervolgt dat pas daarna de commissie van beroep rekening gehouden heeft met de vaststelling, door de deskundige DHONDT, dat bij toepassing van het systeem van de halverwege afstanden, de omgeving meer dan 2.500 inwoners telt (namelijk 2.646 volgens de geactualiseerde cijfers van februari 2000), welke cijfers door de Farmaceutische inspectie werden geattesteerd, evenals de plannen die de straten van de omgeving aanduiden welke in aanmerking kwamen voor deze berekening; dat de commissie van beroep ook heeft vastgesteld dat deze cijfers relevant waren, op grond van de elementen van het dossier, wat zij als volgt verduidelijkt: daar het centrum van Meerbeke en het centrum van Pamel omwille van de specifieke woonstructuur vervagen, heeft de aantrekkingskracht van de twee centra weinig impact op de plaatselijke bevolking en kan men niet stellen dat er daar geen sprake van een IX-3001-18/27 woonkern is; daar wordt vastgesteld dat een van de meest belangrijke autobusstand- plaatsen zich rechtover de geplande vestiging bevindt, kan men ervan uitgaan dat de plaats een vervoerscentrum voor de omgeving uitmaakt; daar er geen natuurlijke of kunstmatige hinderpaal bestaat tussen de geplande vestiging en de deelgemeente Pamel, bestaat er geen reden om geen rekening te houden met de inwoners van deze deelgemeente; dat volgens verwerende partij de vaststelling van de invloedssfeer volgens de techniek van de halverwege afstanden, op zich, het bewijs niet levert dat de bevolking die aanwezig is in een bepaalde omgeving door het centrum van deze omgeving zal worden aangetrokken: indien een belangrijke aantrekkingskracht buiten deze omgeving aanwezig is, zal de berekening volgens betrokken techniek geen pertinent resultaat opleveren; indien integendeel, zoals in onderhavig geval, blijkt dat er geen sprake is van een duidelijke externe aantrekkingskracht, dat er ook geen hinderpaal bestaat die de aantrekkingskracht zou verstoren en dat bij lintbebouwing een situatie zonder duidelijk centrum aanwezig is, vaststaat dat betrokken techniek wel relevant is voor de bepaling van een invloedssfeer; aan de hand hiervan kan er redelijkerwijze van uitgegaan worden dat de plaatselijke bevolking zich in de geplande vestiging zal bevoorraden; dat volgens verwerende partij dit precies is wat de commissie van beroep heeft benadrukt; dat verwerende partij ook nog stelt dat verzoeksters een verkeerde interpretatie van de plaatselijke toestand hanteren en hun argumentatie op onjuiste gegevens baseren: ten onrechte negeren zij de specificiteit van de plaats en het feit dat de bestaande centra van Meerbeke en Pamel vervagen, zoals dit duidelijk uit het administratief dossier blijkt; ze minimaliseren ook het feit dat de wijk Poelk een soort centrum vormt en betwisten, zonder hun argumenten echter te staven, dat dit een zekere aantrekkingskracht uitoefent, onder meer door de aanwezigheid van een parking, van een zebrapad en van één van de belangrijkste autobusstandplaatsen; dat nog steeds volgens de verwerende partij eerste verzoekster ten onrechte stelt dat rekening moet worden gehouden met het feit dat zij exclusief haar cliënteel in Roosdaal moet zoeken, gelet op het kruispunt tussen de Brusselse- steenweg en de Ring van Ninove, wijl zulks door de diverse verslagen van het administratief dossier wordt tegen-gesproken en betrokken kruispunt geen hindernis vormt, integendeel; dat de aansluiting aan de Ring van Ninove wel tot gevolg heeft dat eerste verzoekster op het cliënteel dat de drukke verbindingsweg gebruikt kan rekenen, hetgeen niet het geval is voor de apotheek te Meerbeke-centrum; dat tenslotte de verwerende partij niet begrijpt waarom wordt gesteld dat er in Roosdaal “een overconcentratie van apotheken” aanwezig zou zijn, terwijl vaststaat dat er vier apotheken voor 10.616 inwoners zijn, namelijk een cijfer dat overeenstemt met de ratio voorzien in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; IX-3001-19/27 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij het standpunt van verweren- de partij onderschrijft; dat zij daarbij opmerkt dat er in Ninove teveel officina’s zijn en dat die officina’s te zeer geconcentreerd liggen, terwijl de inwoners van de periferie verplicht zijn zich naar het centrum te begeven en wel minstens tot aan het zeer zware verkeersoverbelastend kruispunt alwaar de officina’s STAELS gelegen zijn; dat indien gesteld wordt dat de officina’s STAELS (te Ninove) hun cliënteel zien afvloeien naar Ninove-Centrum, dan ook gesteld dient te worden dat deze officina’s om zo te zeggen - voor personen van de periferie - ook al tot het centrum behoren; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord herhalen dat het gebruik maken van de techniek van halverwege afstanden geen rechtmatig criterium is en dat aan de criteria van behoefte voldaan kan worden wanneer natuurlijke hindernissen of andere elementen van die aard zijn dat ze aangewezen zijn op de geplande apotheek, onder meer natuurlijke hinder- nissen zoals een spoorweg of een druk kruispunt, verkeerstechnische en veiligheids- redenen, of het bestaan van een bevolkingskern; dat verzoekende partijen dan, toegepast op de onderhavige zaak, stellen dat de geplande apotheek in geen enkel centrum gelegen is en bovendien langs “de dodelijke baan N8” ligt; dat zij wat dat betreft verwijzen naar de mobiliteitsstudie N8, blijkens welke de N8 een belangrijke ruimtelijke functionele barrière vormt tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de gemeente Roosdaal met een grote oversteeklengte en hoge intensiteiten welke zorgen voor een zeer slechte oversteekbaarheid, waarbij de verkeerslichten de oversteekbaarheid ter hoogte van een beperkt aantal kruispunten verbeteren maar nauwelijks een bijdrage tot het verbeteren van de verkeersveiligheid leveren, terwijl de N8 een groot aandeel heeft in het aantal ongevallen in de ganse gemeente en alle maatregelen genomen worden teneinde de voetgangers te ontmoedigen deze gevaarlijke baan over te steken, namelijk de mensen te verplichten om het kruispunt Espenveld met verkeerslichten 400 meter verderop richting Brussel te gebruiken; dat volgens verzoekende partijen het onaanvaardbaar is dat de minister, die het advies van de commissie van beroep volgt, klakkeloos alle gegevens van het verslag DHONDT overneemt zonder enige kritische controle en derhalve alle inwoners binnen de halve afstand, in het bijzonder de inwoners van Poelk, gelegen aan de overzijde van de baan waarvan iedereen weet dat zij nooit naar de geplande apotheek zullen gaan precies omwille van de veiligheid; dat te Meerbeke slechts twee straten, namelijk Roesebeke en Eggerstraat-Zuid uitmonden op de Brusselse- steenweg terwijl de ongevallenstatistieken bewijzen hoe gevaarlijk deze steenweg is, zodat het gros van de bevolking zich via de dorpskom naar de veiligere Herremansstraat of Kwadestraat-Zuid begeven; dat de periferie derhalve helemaal IX-3001-20/27 geen gebruik moet maken van deze steenweg; dat volgens verzoekende partijen de inwoners van een aantal straten welke zij dan concreet opsommen en welke zich bevinden over de Ninoofsesteenweg in de richting van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek of in de richting van Pamel, die geen rechtstreekse verbinding hebben op de Ninoofsesteenweg, zich veeleer in die kernen zullen gaan bevoorraden; dat derhalve 2.500 inwoners bereikt kunnen worden en daarvoor in de beslissing geen enkel objectief gegeven wordt naar voor gebracht welke het criterium van de behoeften van 2.500 inwoners zou schragen; dat zij ook stellen dat alle handelszaken opgegeven in het verslag van DHONDT intussen gesloten zijn, behalve het bordeel; dat verzoekende partijen menen dat de commissie van beroep zich voortdurend tegenspreekt: in het advies wordt immers zelf gesteld dat de criteria van halverwege afstand zomaar niet kan worden gehanteerd om vervolgens deze invloedssfeer dan toch te weerhouden zonder enige verdere motivatie behalve een verkeerde zijnde de mededeling dat er geen enkele natuurlijke of kunstmatige hinderpaal bestaat tussen de bestaande apotheken enerzijds en de geplande apotheek anderzijds; de opmerking vanwege de farmaceutische inspectie omtrent de zeer gevaarlijke toestand van de Brusselsesteenweg wordt niet beantwoord, laat staan dat dit een argument zou zijn om te voldoen aan de criteria van de behoeften zoals bepaald in artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; het feit dat een bus aldaar om het kwartier stopt, kan niet gelden als een bewijs van een afzonderlijke woonkern; 3.3.5.
- Overwegende dat de bestreden beslissing genomen is met toepassing van het bepaalde in artikel 1, § 3, a), van het koninklijk besluit van 25 september 1974; dat de terzake relevante bepalingen van artikel 1 luiden als volgt : “Art.
- §
- De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn : 1/ het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen; §
- (...) §
- In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan : a) indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.500 inwoners; b) (..); c) (..)” 3.3.5.
- Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat aan de afstandsvereiste van 1 km ruim is voldaan; dat verzoekende partijen evenwel betwisten dat de tweede voorwaarde, namelijk de vereiste behoeftendekking van 2.500 inwoners, is vervuld; IX-3001-21/27 3.3.5.
- Overwegende dat verzoekende partijen in de eerste plaats stellen dat volgens de rechtspraak van de Raad van State de precieze halve afstand tot de nabijgelegen andere officina’s geen rechtmatig criterium is voor het berekenen van de invloedssfeer; dat die stelling echter moet worden genuanceerd in die zin dat de al dan niet grotere nabijheid bij de geplande vestiging een belangrijk gegeven vormt, maar niet noodzakelijk het doorslaggevende, omdat ook rekening dient gehouden te worden met eventuele natuurlijke of kunstmatige hindernissen of andere gegevens die de inwoners van de betrokken straten ertoe zouden aanzetten een verder van hun huis gelegen apotheek te verkiezen boven een dichtbijgelegen vestiging; dat in dezen de commissie van beroep echter een aantal gegevens aanhaalt waaruit zij in feite afleidt dat er terzake geen reden is om het criterium van de halve afstand niet toe te passen, namelijk, “dat door deze alom aanwezige bebouwing het duidelijk centrum in een gemeente vervaagt” en dat er ook geen natuurlijke of kunstmatige hinderpaal is die een duidelijke scheiding vormt tussen het adres van de geplande apotheek en de omliggende apotheken, wat de verzoekers trouwens niet betwisten; dat daaruit logischerwijze volgt dat men zich even goed naar de geplande apotheek van de tussenkomende partij als naar de “centrum” apotheken kan begeven, terwijl de verzoekende partijen er ten onrechte zonder meer van uitgaan dat, indien er geen hindernis bestaat, de bewoners van het gebied rond de geplande apotheek zich allen zullen bevoorraden in de centrum-apotheken; dat de commissie ook vaststelt dat de gevestigde apotheek richting Ninove (Meerbeke) zich reeds in het drukkere gedeelte van de gemeente bevindt terwijl de gevestigde apotheek in Roosdaal in het centrum van deze gemeente ligt en op een afstand van 2,2 km; dat hierbij dient te worden opgemerkt dat de voorwaarde van de afgelegen woonkern, vroeger opgenomen in artikel 1, § 1, 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, is opgeheven door het koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat ook verwezen moet worden naar de opheffing van de zoëven vermelde voorwaarde, in zoverre de verzoekers stellen dat de vestigingsplaats geen enkele aantrekkingskracht heeft, aangezien ze buiten de kom van Meerbeke ligt en aldaar geen woonkern uitmaakt; dat de commissie van beroep dat punt trouwens ook behandelt door te stellen dat de omliggende apotheken en de centra op grote afstand liggen; dat waar verzoeksters wijzen op het feit dat er ter plaatse geen winkels zijn, met uitzondering van een bordeel en op het feit dat alle inwoners waarop de geplande apotheek zich beroept zich thans reeds bevoorraden in de dichtstbijgelegen apotheken, het advies van de commissie van beroep ook daarop een antwoordt biedt, waar het aangeeft dat zich rechtover de aangevraagde apotheek de autobussenstandplaats bevindt welke één van de belangrijkste standplaatsen is van de autobuslijn Ninove-Brussel, die trouwens een centrum van het openbaar vervoer is voor deze omgeving; dat daaruit dan de IX-3001-22/27 conclusie volgt dat de gegevens van de verslagen van het Ingenieursbureau DHONDT duidelijk aantonen “dat de ganse periferie die gebruik dient te maken van de Brusselsesteenweg eerder aangewezen is op de geplande apotheek zodat het halve afstandscriterium niet als dusdanig is te nemen maar enkel aanduidt dat wegens de ligging in ieder geval het wettelijk vereiste aantal van 2.500 inwoners bereikt wordt”; dat die considerans tevens een antwoordt biedt op het argument in de memorie van wederantwoord, geput uit het verslag van de farmaceutisch inspecteur en uit een mobiliteitsstudie, als zou de gevaarlijke Brusselsesteenweg iedere aantrekkingskracht aan de overkant van de vestigingsplaats uitsluiten: de ganse periferie moet hoe dan ook die steenweg gebruiken; 3.3.5.
- Overwegende dat de Raad van State zich bij de evaluatie in feite van het potentieel cliënteel van een geplande apotheek niet in de plaats van de bevoegde overheid kan stellen, behoudens dat hij, belast zijnde met het toezicht op de wettelijkheid van de hem voorgelegde administratieve handelingen, na kan gaan of de bestreden beslissing op vaststaande feiten is gegrond en op grond van deze feiten de overheid haar beslissing in redelijkheid heeft kunnen rechtvaardigen; 3.3.5.
- Overwegende dat te dezen niet blijkt dat de commissie van beroep en, na haar, de minister een volstrekt onredelijke beoordeling van de feitelijke toestand heeft gedaan door op grond van wat voorafgaat te besluiten dat 1.432 inwoners van Meerbeke en 1.214 inwoners van de fusiegemeente Roosdaal zouden behoren tot de invloedssfeer van de geplande apotheek; 3.3.5.
- Overwegende, ten slotte, dat het argument van verzoekende partijen volgens welk alle inwoners waarop de geplande apotheek een beroep doet zich thans reeds bevoorraden in de dichtbijgelegen apotheken niet kan worden aangenomen; dat het doel van de reglementering immers is: een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening en niet de bescherming van de belangen van de gevestigde apothekers; dat hun standpunt er trouwens toe zou leiden dat, zodra het door artikel 1, §2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 toegelaten aantal apotheken is bereikt, er nooit ruimte meer zou zijn voor de bij §3 voorziene mogelijkheid van vestiging van een bijkomende apotheek; 3.3.5.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 3.4.
- Overwegende dat verzoekende partijen in een vierde middel de schending aanvoeren van een beginsel van behoorlijk bestuur doordat de minister IX-3001-23/27 “een totaal andere beslissing (neemt), zonder dat er gewijzigde omstandigheden zijn”; dat zij betogen dat de minister op 2 mei 1991 voor dezelfde plaats en door dezelfde aanvrager een negatieve beslissing genomen heeft, dat eens de minister een beslissing heeft genomen, hij niet het recht heeft om later een tegenstrijdige beslissing te nemen, zonder te preciseren waarom hij nu van mening veranderd is; dat volgens de verzoekende partijen er terzake geen gewijzigde omstandigheden zijn: voor wat betreft Meerbeke zijn er sedert 1993 welgeteld 20 inwoners bijgekomen, in Roosdaal een kleine 400 (van 10.234 naar 10.616); 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit geen beginsel van behoorlijk bestuur kan worden afgeleid dat een overheid per se altijd tot dezelfde beoordeling moet komen, zelfs al zou vaststaan dat de omstandigheden gelijkaardig zijn; dat zij wel aanvaardt dat, zo de overheid in gelijkaardige omstandigheden niet noodzakelijk steeds tot eenzelfde beoordeling moet komen, het dan toch zo is dat eenmaal een beslissing genomen is, de overheid niet meer vrij is om zonder meer en zonder aangegeven redenen een beslissing te nemen in een andere zin; dat volgens verwerende partij verzoeksters eigenlijk de uitdrukkelijke motivering van de beslissing in het middel bekritiseren en geenszins de mogelijkheid voor de overheid om in gelijkaardige omstandigheden twee verschillende adviezen te geven, waarvoor zij naar het twee middel verwijst; dat er terzake trouwens geen sprake is van “gelijkaardige omstandigheden”, omdat te dezen de commissie van beroep met 9 jaar verschil twee verschillende adviezen heeft verleend, welke gebaseerd zijn op volstrekt andere en niet vergelijkbare dossiers en zij aldus er niet toe gehouden was om hetzelfde advies te geven of uitdrukkelijk te vermelden waarom zij van een eerste advies afgeweken was; dat verwerende partij preciseert dat bij het onderzoek van de eerste aanvraag het bewijs niet werd geleverd dat de geplande apotheek de behoeften van tenminste 2.500 inwoners zou dekken, wat onder meer te wijten was aan het feit dat de door Lutgarde BUYDENS voorgelegde deskundige verslagen van december 1988 onvolledige informatie bevatten en de commissie van beroep op basis van de gegevens in haar bezit in haar advies van 26 maart 1991 heeft gesteld : “Overwegende evenwel dat, bij toepassing van de afwijkingsbepaling voorzien onder art. 1, § 3-a) van hetzelfde K.B. een bijkomende officina toch zou mogen worden gevestigd zo de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km. van de geplande officina bevindt en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.500 inwoners; Dat volgens voormeld inspectieverslag de meest dichtstbijgelegen officina's STAELS, Willem en STAELS, Johan, die reeds in de deelgemeente MEERBE- KE zijn gevestigd, zich slechts op een afstand van respectievelijk 2, 2 en 2,9 km ongeveer van de geplande apotheek bevinden; IX-3001-24/27 Dat bovendien de bedoelde deelgemeente slechts, zoals hier hoger reeds aangehaald, een 5.378 inwoners ongeveer telt, zonder dat enigszins uit een vaststaand gegeven blijkt dat de voorziene inplanting op een voldoende omliggende bevolking zou kunnen rekenen om het werkelijk tekort aan te vullen, te meer daar de overige dichtbijgelegen apotheken, zoals b.v. die van het in noorden gelegen ROOSDAAL, zich minstens op ongeveer dezelfde afstand van de terzake voorziene vestiging bevinden; Dat hieruit volgt, dat indien de wettelijke afstandsvoorwaarde is vervuld, dit hoegenaamd niet voorkomt voor wat de bevolkingsvereiste betreft,"; dat uit het advies van 20 december 2000 echter blijkt dat de commissie zich wel op nieuwe en geactualiseerde verslagen, op andere vaststellingen en op andere feitelijke omstandigheden baseert, hetgeen verklaart waarom zij tot een ander besluit is gekomen; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat de minister destijds reeds twee maal een vergunning heeft geweigerd voor hetzelfde adres, dat er reeds op gewezen werd dat voor wat betreft de toepassing van artikel 1, § 2, en artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 eveneens de spreiding van de apotheken moet worden nagegaan, hetgeen duidelijk werd gedaan in het advies van 26 maart 1991, hierbij gevolgd door een afwijzende beslissing van de minister, dat zowel het aantal inwoners van Meerbeke als dat van Roosdaal quasi hetzelfde is gebleven en in het oorspronkelijk advies van de commissie van beroep uitdrukkelijk werd gesteld “dat bovendien de bedoelde deelgemeente slechts, zoals hier hoger reeds aangehaald, een 5.378 inwoners telt, zonder dat enigszins uit een vaststaand gegeven blijkt dat de voorziene inplanting op een voldoende omliggende bevolking zou kunnen rekenen om het werkelijk tekort aan te vullen, te meer daar de overige dichtbijgelegen apotheken zoals bijvoorbeeld die van het in het Noorden gelegen Roosdaal zich minstens op ongeveer dezelfde afstand van de terzake voorziene vestiging bevinden”; dat verzoeksters menen dat de situatie nog altijd identiek is en de minister nu met dezelfde gegevens en dezelfde situatie geen twee totaal tegenstrijdige beslissingen kan nemen, met name in de beslissing waar hij stelt dat het de norm van de behoeften van 2.500 inwoners niet werd gerespecteerd terwijl hij in de andere beslissing nu plotseling stelt dat de criteria van de behoeften van 2.500 inwoners wel werd gerespecteerd, daar waar de bevolking niet in die mate geëvolueerd is dat men kan komen tot een andere beslissing; 3.4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant nog aanvoert dat er acht jaar ligt tussen de voorgaande beslissing, dat het groeiende verkeer, de zich verplaatsende drukte, de drukte ter plaatse, de ontsluiting van de IX-3001-25/27 wijk Poelk met daarbij de beschouwing dat de ontworpen officina niet alleen gericht is op Meerbeke maar ook op de totale invloedssfeer rond de officina, wat volledig gerechtvaardigd is; 3.5.
- Overwegende dat uit de bespreking van de vorige middelen is gebleken dat het advies van de commissie van beroep concreet aangeeft waarom het - in tegenstelling tot de farmaceutisch inspecteur en de vestigingscommissie - tot de conclusie komt dat aan de voorwaarde van een invloedssfeer van 2.500 inwoners is voldaan en dat de daarvoor aangevoerde redenen naar recht en redelijkheid aanvaardbaar zijn; dat verzoeksters niet ingaan op het verweer dat de vergunning in 1991 werd geweigerd omdat de door Lutgarde BUYDENS voorgelegde deskundige verslagen van december 1988 onvolledige informatie bevatten, ook al zou het bevolkingscijfer intussen weinig veranderingen hebben ondergaan; dat overigens wat dat laatste betreft, een bevolkingsaangroei van 388 in Roosdaal toch niet zo onbelangrijk lijkt, betrokken op een vereist getal van 2.500, ook al kunnen die 388 maar voor een deel aangerekend worden op de invloedszone; dat het advies van 26 maart 1991 bovendien in eerder summiere bewoordingen, namelijk “zonder dat enigszins uit een vaststaand gegeven blijkt dat de voorziene inplanting op een voldoende omliggende bevolking zou kunnen rekenen” de conclusie bijvalt; dat die afwijzing ofwel gebaseerd kon zijn op de vaststelling dat de voorgelegde gegevens ontoereikend waren ofwel zij op zichzelf te summier was; dat in de beide hypothesen niets eraan in de weg stond dat het advies van 20 december 2000, ditmaal op concrete wijze, de conclusies van de farmaceutisch inspecteur tegen- spreekt, wat het zoals hierboven gezien heeft gedaan; dat, ten slotte, het wegvallen van het vereiste van de “afgelegen woonkern” hoe dan ook een belangrijke wijziging in de juridische situatie uitmaakte; dat het middel niet gegrond is, IX-3001-26/27 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3001-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.