id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.488 Rolnummer: A. 171187/IX-5272 Zaak: Arrest 162488 - - 18/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-26 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 04:00 Fiche Arrest nr 162.488 van 18 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.488 van 18 september 2006 in de zaak A. 171.187/IX-
(40). Bij het niet ondertekenen zou er een juridisch gevolg komen dat meer zou kosten dan 1 maand wedde, zou ik slecht geëvalueerd worden, zouden de maandstaten niet meer worden gevalideerd en zou er een slechte sfeer ontstaan in mijn relaties met de PCE. De ondertekening van het document is dus gebeurd onder druk. Deze verklaring moet niet gezien worden als een schulderkenning maar eerder als een compromis om andere sancties te ontlopen. Mijn integriteit wordt in twijfel getrokken en ik voel mij oneerlijk behandeld. Het kader waarin dit document ondertekend geweest is noopt niet tot deze maatregel. Ik heb als Administratief Verantwoordelijke voor het slachthuis Lintor mijn collega’s overtuigd om deze schuldbekentenis te ondertekenen omdat één van de voorwaarden voor het compromis was dat iedereen diende te ondertekenen om verdere sancties te ontlopen. Beraadslaging van de beroepscommissie. De beroepscommissie twijfelt op geen enkel moment aan de mogelijkheden van de heer Van Aelst als keurder. In tegenstelling tot hetgeen de heer Van Aelst zowel in zijn aangetekende brief van 8 november 2005 als tijdens de hoorzitting beweert, is het intern onderzoek van de Provinciale Controle Eenheid Antwerpen, bij aanvang niet gebaseerd op de outprints van de elektronische registratie via badges van het slachthuis Lintor. Uit geen enkele reglementaire tekst of instructie blijkt dat de registratie van de uren via het registratiesysteem van het slachthuis dient te gebeuren. Instructies van het hoofd van de Provinciale controle-eenheid van 9 augustus 2000, 2 juni 2003 en 17 augustus 2005 vormen het bewijs van het tegendeel. Het onderzoek is aangevat ingevolge mondelinge aanwijzingen van met opdracht belaste dierenartsen die in dit slachthuis werkzaam waren. Deze aanwijzingen lieten vermoeden dat in het slachthuis Lintor onder de dierenartsen afspraken werden gemaakt ten gevolge waarvan niet alle dierenartsen die als aanwezig ingeschreven waren, ook effectief op dat ogenblik reeds aanwezig waren. Hierdoor konden prestaties gefactureerd worden die niet geleverd waren. Deze aanwijzingen zijn naderhand bevestigd door de schuldbekentenis die door de heer Van Aelst op 18 augustus 2005 werd ondertekend. Het Agentschap is gerechtigd toezicht te houden op de correcte besteding van de gemeenschapsgelden die voor de uitvoering van zijn opdrachten ter beschikking worden gesteld. Het is gerechtigd om daartoe gebruik te maken van elke informatie die een bewijs kan vormen van gesignaleerde misbruiken. Het aangehaalde in de brief van 8 november 2005 over het elektronisch registratiesysteem van het slachthuis Lintor is dan ook niet terzake dienend. De bewering van Dr. Van Aelst dat de schuldbekentenis van 18 augustus 2005 waarin hij erkent in het verleden zijn prestaties niet steeds correct te hebben geregistreerd, onder druk werd ondertekend, is niet geloofwaardig. De beroepscommissie vindt de lichtzinnigheid waarmee hij over deze zaak denkt verbijsterend. Dit is tekenend voor de normvervaging die in het slachthuis heerste. Door de ondertekening van de schuldbekentenis geeft betrokkene toe dat er prestaties aangerekend zijn die niet werden gepresteerd. Iemand die steeds zijn prestaties correct invult zou dit niet doen en zou geen maandwedde IX-5272-5/12 onterecht afstaan om, bij wijze van ‘pragmatische oplossing’ zoals in de brief van 8 november 2005 aangehaald, de zaak te besluiten. De beroepscommissie is daarenboven van oordeel dat, indien druk zou zijn uitgeoefend, het onbegrijpelijk is dat de betrokkene geen contact heeft opgenomen met de hiërarchische meerderen van het hoofd van de Provinciale Controle Eenheid Antwerpen. Verder is in de brief van 8 november 2005 ten onrechte gesteld dat de beslissing van de evaluatiecommissie een buitensporige sanctie is omdat zij neerkomt op een levenslang niet in aanmerking komen om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap. De beslissing van de Evaluatiecommissie heeft enkel betrekking op de kandidatuur waarvoor de oproep is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005 en niet voor de toekomst. Wat tenslotte het compromis betreft waarvan sprake in de notulen van het directiecollege van de PCE Antwerpen van 30 augustus 2005 en waarnaar verwezen wordt in de voormelde brief van 8 november 2005, vestigt de beroepscommissie er de aandacht op dat de schuldbekentenis en het onlosmakelijk eraan verbonden afzien van de vergoeding van de prestaties in het slachthuis Lintor voor de maand juni 2005, enkel bedoeld is als een forfaitaire terugbetaling van de ten onrechte aangerekende prestaties in het verleden. De ondertekening sluit geenszins uit dat aan de zaak geen enkel verder gevolg meer kan worden gegeven. Er was dan ook geen reden om bij de evaluatie met de vastgestelde feiten geen rekening te houden. De beroepscommissie acht de ondertekening van het document van 18 augustus 2005 een afdoend bewijs dat effectief prestaties werden aangerekend die niet geleverd werden. Integriteit is één van de voornaamste pijlers van het Agentschap; het Agentschap kan geen overeenkomst afsluiten met mensen die niet voldoen aan deze eigenschap. Beslissing. Op basis van de bovenvermelde motieven worden de bezwaren van de heer Guido Van Aelst tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen waarbij gesteld wordt dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen ongewijzigd en komt de heer Guido Van Aelst niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. (...)” 1.
- Bij schrijven van 26 januari 2006 deelt de gedelegeerd bestuurder aan verzoeker mede: “(...) In uw schrijven van 8 november 2005 hebt u, bij toepassing van artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005), bezwaren kenbaar gemaakt bij de Gedelegeerd Bestuurder van het Agentschap tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen om U niet in aanmerking te nemen voor het uitvoeren van taken voor het Voedselagentschap. Op 13 december 2005 werd u per aangetekend schrijven uitgenodigd om gehoord te worden door de beroepscommissie op 22 december
- U hebt op 22 december 2005 inzage kunnen nemen in uw dossier. IX-5272-6/12 Op 22 december 2005 heeft de beroepscommissie van het Voedselagentschap u gehoord waarbij u de gelegenheid had uw bezwaren toe te lichten. Na beraadslaging heeft de beroepscommissie het volgende advies gegeven: er zijn geen redenen om de beslissing van de evaluatiecommissie te herzien om u niet in aanmerking te nemen als zelfstandige dierenarts voor het uitvoeren van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Daarom heb ik beslist om uw bezwaar niet te aanvaarden en blijft de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd. U vindt in bijlage de gemotiveerde beslissing van de beroepscommissie. (...)” Van deze beslissing wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging gevraagd.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 4, 5 en 9 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna: de privacywet), van het vertrouwens- en het fair-playbeginsel en van de materiële motiveringsverplichting, doordat zijn kandidatuur wordt afgewezen op grond van de schuldbekentenis die hem werd voorgesteld als een dading en die in ieder geval werd afgedwongen op grond van onjuiste en onnauwkeurige informatie welke zonder zijn toestemming was geput uit het elektronisch registratiesysteem in het slachthuis Lintor; dat hij het middel als volgt toelicht: - eerste onderdeel: artikel 2 van de privacywet garandeert hem de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking en het vrijgeven van informatie die op hem betrekking heeft, hetgeen de electronische registratie van zijn aanwezigheid in het slachthuis is; volgens artikel 4, § 1, 2/, van dezelfde wet mogen persoonsgegevens enkel verwerkt worden in het kader van de doelstelling waarvoor zij zijn verzameld en in dit geval dient de registratie in het slachthuis voor de registratie van de werknemers en de beveiliging tegen diefstal en braak en niet voor de tijdregistratie van de keurders; artikel 5 beperkt de gevallen waarin persoonsgegevens kunnen verwerkt worden en het besproken geval hoort daar niet bij; artikel 9 verplicht de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens om IX-5272-7/12 aan de betrokkene een minimum aan informatie te geven -onder meer met betrekking tot de finaliteit ervan- en ook dit is hier niet gebeurd; de verwerende partij kan niet ernstig voorhouden dat de registratiegegevens van het slachthuis “niet meegespeeld hebben bij de evaluatie van de kandidatuur”, aangezien deze gegevens werden opgevraagd bij de keurders en aan het slachthuis, aangezien het proces-verbaal van de directievergadering van de PCE van 30 augustus 2005 uitdrukkelijk verwijst naar de out-print van de maand juni 2005, aangezien de verwijzing naar “mondelinge aanwijzingen van (keurders)” nietszeggend en weinig concreet is en aangezien de keurders wier prestatiestaten min of meer overeenstemden met de registratie geen schuldbekentenis hebben moeten ondertekenen en zij ook in januari 2006 verklaard hebben dat verzoeker geen onregelmatigheden heeft begaan maar dat de verwerende partij daar geen acht op geslagen heeft; - tweede onderdeel: het bestreden besluit kan geen grondslag vinden in de schuldbekentenis van 18 augustus 2005, aangezien die verklaring steunt op onrechtmatig verkregen gegevens en bovendien werd afgedwongen; daarenboven is die schuldbekentenis eigenlijk een dading waarop de verwerende partij nu niet meer kan terugkomen zonder het vertrouwensbeginsel en het fair-play-beginsel te schenden; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: - met betrekking tot de schending van de privacywet: het administratief dossier bevat geen gegeven waaruit blijkt dat de printings van het slachthuis -die overigens niet illegaal verkregen werden- de grondslag vormen voor het bestreden besluit, het besluit zelf verwijst er ook niet naar en bijgevolg kan het opvragen en verkrijgen van de lijsten hier niet tegen de verwerende partij worden gebruikt; - met betrekking tot de schuldbekentenis: uit niets blijk dat de schuldbekentenis onder dwang ondertekend werd; het ondertekenen van deze bekentenis en het afstaan van vergoedingen kan niet gezien worden als een garantie voor de verdere samenwerking tussen verzoeker en het FAVV, aangezien daarvoor eerst een procedure gevolgd moet worden waarbij het gebeurde betrokken kan worden als een element om de geschiktheid en de integriteit van de kandidaten te beoordelen; de schuldbekentenis is overigens geen dading omdat er alleen sprake is van een verbintenis van de keurder; 3.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit betrekking heeft op de beoordeling van de kandidatuur van verzoeker voor het uitvoeren van IX-5272-8/12 keuringsopdrachten voor het FAVV; dat uit het administratief dossier blijkt dat, met het oog op die beoordeling, de verwerende partij rekening gehouden heeft met de gebeurtenissen uit 2005, waarin zij het bewijs vindt dat verzoeker, doordat hij toen niet-geleverde prestaties aangerekend heeft, thans niet over de vereiste integriteit beschikt om opdrachten voor het FAVV te vervullen; dat het middel in wezen aan de orde stelt dat de verwerende partij, wegens het niet behoorlijk bewezen zijn van het aan hem gerichte verwijt, niet rechtsgeldig heeft kunnen aannemen dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor inschrijving op de lijst van dierenartsen die met opdrachten kunnen worden belast; 3.3.
- Overwegende dat, los van de vraag of de verwerende partij zich bij de afwikkeling van die gebeurtenissen in 2005 rechtsgeldig heeft kunnen steunen op gegevens die haar mogelijk met schending van de privacywet ter kennis waren gebracht, de Raad van State vaststelt dat het verzet van verzoeker tegen het optreden van de verwerende partij altijd -zijn brieven van eind juli en 8 augustus 2005 aan het FAVV-Antwerpen en van 8 augustus 2005 aan de slachthuisuitbater, alsook zijn verweerschrift van 8 november 2005 voor de beroepscommissie vormen daarvan het bewijs- gericht geweest is tegen de bewijsgegevens waarmee de verwerende partij het onregelmatig invullen van zijn prestatiestaten aantoonde -hij nam steeds het standpunt in dat het gebruik van de registraties door de slachthuisuitbater geen rechtsgeldige vaststelling van aan- en afwezigheden toeliet-, en dat hij derhalve nooit betwist heeft dat zijn prestatiestaten inderdaad niet overeenstemden met de werkelijkheid; dat hij precies daarover ook met het bestuur een vergelijk bereikt heeft en afgezien heeft van zijn vergoedingen voor de maand juni 2005; dat die vaststellingen voor de Raad van State volstaan om te besluiten dat de verwerende partij, in het kader van de hier aan de orde staande besluitvorming, de betreffende gegevens in aanmerking kon nemen; dat in die omstandigheden de vraag naar de miskenning van de privacywet, zoals door verzoeker aangevoerd, niet dienstig betrokken kan worden bij het onderzoek van de wettigheid van de bestreden beslissing, die voortbouwt op de vaststelling dat verzoeker onjuiste aanwezigheidsstaten opgemaakt heeft; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat het vergelijk van 18 augustus 2005, dat de verwerende partij vooropgesteld heeft als het formeel bewijs van de feiten waarop de bestreden beslissing steunt, afgedwongen werd of minstens dat het verkregen werd door hem verkeerd in te lichten over de draagwijdte ervan; IX-5272-9/12 Overwegende vooreerst, dat de wijze waarop de partijen een oplossing gegeven hebben aan het gerezen geschil over de vergoeding van de door verzoeker geleverde prestaties, geen belang vertoont ten aanzien van de vraag of verzoeker wel correct gehandeld heeft; dat immers, zoals hiervoor vastgesteld, verzoeker nooit betwist heeft dat hij zijn prestatiestaten op een voor hem voordelige wijze opgesmukt heeft; Overwegende in ieder geval dat, wat de uitgeoefende dwang betreft, verzoeker niet verder komt dan te stellen dat de verwerende partij hem gewezen heeft op de juridische mogelijkheden waarover het bestuur beschikte om het onjuist invullen van de prestatiestaten te sanctioneren; dat zulks evenwel geen dwang uitmaakt, in de zin dat de morele druk die ervan uitging van die aard was dat hij niet kon weigeren op het aanbod in te gaan; dat, wat betreft de vermeende belofte dat er onder geen enkele omstandigheid in de toekomst nog naar de problematiek verwezen zou worden, het bestaan van dergelijk engagement geenszins uit het dossier blijkt, gesteld overigens dat verzoeker zou aantonen dat dergelijke belofte hem echt door een daarvoor bevoegd orgaan van het FAVV zou gedaan zijn en, meer in het algemeen nog, dat het bestuur in het kader van zijn opdracht om het algemeen belang te behartigen, wel regelmatig dergelijk engagement zou kunnen aangaan; dat uit het administratief dossier blijkt dat het bestuur zich enkel geëngageerd heeft om het bestaande geschil met verzoeker te beëindigen en om de actuele verhoudingen er niet door te laten bezoedelen; 3.3.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven met bijzondere opdrachten kunnen worden belast juncto artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van de artikelen 3, 6 en 8 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van artikel 10 van de raamovereenkomst, evenals van de materiële motiveringsverplichting; dat hij van oordeel is dat de beroepscommissie, ondanks de gunstige beoordeling van zijn professionele kwaliteiten, zijn bezwaar verworpen heeft wegens “normvervaging” terwijl de criteria waaraan de kandidaten moeten voldoen vastgesteld zijn in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004; dat zijn toelichting bij het middel als volgt kan samengevat IX-5272-10/12 worden: de voorwaarden van toelating zijn opgenomen in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 en daarbij voegen zich de voorwaarden vermeld in de raamovereenkomst en de evaluatiecriteria opgenomen in artikel 6 van hetzelfde besluit (ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid); die voorwaarden stemmen grosso modo overeen met de voorwaarden die in de bestaande regeling de beëindiging van de samenwerking mogelijk maakten; verzoeker voldoet aan alle reglementair vastgestelde voorwaarden; de evaluatiecommissie kan bij haar beoordeling geen doorslaggevend belang hechten aan een criterium dat niet reglementair als een selectiecriterium naar voren is geschoven en dat -ook niet binnen de discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover de commissie beschikt- niet aangewend kan worden om de samenwerking te beëindigen; in die zin vormt het bestreden besluit een tuchtmaatregel waarbij zijn uitsluiting van verdere opdrachten voor het FAVV gezien moet worden als een schorsing voor onbepaalde duur; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in essentie betoogt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 de voorwaarden bepaalt waaraan de kandidaten moeten voldoen om opdrachten van het FAVV te vervullen maar dat het voldoen aan die voorwaarden niet betekent dat de kandidaten automatisch aanvaard moeten worden, dat verzoeker ten onrechte het bestreden besluit begrijpt als het eenzijdig beëindigen van de bestaande samenwerking en dat de in aanmerking genomen onregelmatigheden uit het verleden in aanmerking genomen kunnen worden als bewijs van de ongeschiktheid van de kandidaten waarover de evaluatiecommissie overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 zich moet uitspreken; 4.
- Overwegende dat de beroepscommissie in haar advies inderdaad gewag maakt van normvervaging; dat zij die normvervaging linkt aan het niet-correct invullen van de aanwezigheidsstaten; Overwegende dat artikel 3 van het besluit van 20 december 2004 de evaluatiecommissie verplicht om de kandidaten te weren wanneer zij zich in de daar omschreven situatie bevinden; dat, daarnaast, artikel 6 van hetzelfde besluit, waar het de evaluatiecommissie en de beroepscommissie opdraagt de kandidaturen te controleren op basis van hun ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid, aan de commissie een zeer ruime discretionaire beoordeling laat; dat inzonderheid het criterium “geschiktheid”, zo algemeen geformuleerd als het is, de commissie de IX-5272-11/12 mogelijkheid biedt een kandidaat te weren waarmee het bestuur negatieve ervaringen heeft; dat negatieve ervaringen op het vlak van het invullen van de aanwezigheidsstaten voldoende zwaarwichtig zijn om te besluiten dat de betrokkene niet geschikt is om in de toekomst met het bestuur samen te werken; dat het tweede middel niet ernstig is;
- Overwegende dat geen van de door verzoeker ingeroepen middelen ernstig wordt bevonden, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5272-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.488 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div