id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.494 Rolnummer: A. 171285/IX-5279 Zaak: Arrest 162494 - - 18/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 04:05 Fiche Arrest nr 162.494 van 18 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.494 van 18 september 2006 in de zaak A. 171.285/IX-5279. In zake : Guy RIGAUX, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat 61. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guy RIGAUX op 22 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 januari 2006 van de gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) houdende de verwerping van zijn bezwaar tegen de beslissing van de provinciale controle-eenheid (PCE) te Antwerpen waarbij gesteld wordt dat hij niet in aanmerking komt om opdrachten voor het Voedselagentschap uit te voeren; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5279-1/12 Gelet op de beschikking van 30 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. FLAMEY en K. MAN, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. Het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (hierna: het koninklijk besluit van 20 december 2004), heeft objectieve criteria bepaald waaronder het FAVV zelfstandige dierenartsen bij de uitoefening van zijn opdrachten kan betrekken. Volgens deze nieuwe regeling gebeurt de aanstelling na een openbare oproep en kandidaatstelling (artikelen 4 en 5) en worden de kandidaten met het oog op de toekenning van de taken geëvalueerd door een evaluatiecommissie, waarbij “inzonderheid rekening gehouden (wordt) met de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts, alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid”, maar zonder dat deze evaluatie een onderlinge rangschikking van de kandidaten inhoudt (artikel 6, lid 1). De kandidaten hebben de mogelijkheid om tegen de beslissing van de evaluatiecommissie bezwaar in te dienen “bij de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV, die over een termijn van drie maand beschikt om zijn gemotiveerde beslissing aan betrokkene mede te delen” (artikel 6, lid 4). IX-5279-2/12 1.2. In het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005 verschijnt een oproep aan gegadigden. Geïnteresseerde dierenartsen kunnen zich binnen de twee maanden kandidaat stellen. 1.3. Verzoeker, die als zelfstandige dierenarts reeds keuringsopdrachten voor het FAVV verricht, meer bepaald in het kippenslachthuis LINTOR te Olen, stelt zich op 5 april 2005 kandidaat; 1.4. In een nota van 17 augustus 2005 geeft het hoofd van de provinciale controle-eenheid (hierna : PCE) Antwerpen de dierenartsen met opdracht te kennen dat hij vaststelt dat er “door sommigen wordt gesjoemeld bij het invullen van de activiteitsverslagen”. Hij brengt zijn vorige instructies ter zake in herinnering. 1.5. Op 22 augustus 2005 ondertekent verzoeker een verklaring waarin hij erkent “in het verleden zijn prestaties niet altijd correct te hebben geregistreerd bij het slachthuis LINTOR”, en waarin hij formeel afziet van de vergoeding van zijn prestaties voor de maand juni 2005 in bedoeld slachthuis. 1.6. Met een schrijven van 14 oktober 2005 deelt het hoofd van de PCE Antwerpen verzoeker mede: “(...) De evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen, ingesteld bij het Koninklijk Besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005) en die U gehoord heeft op 22/08/2005, heeft besloten dat U niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het Voedselagentschap. De redenen van deze beslissing zijn de volgende. Uit het intern onderzoek dat door mijn diensten werd gevoerd, blijkt dat U geruime tijd aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselke- ten prestaties gefactureerd hebt die U niet geleverd hebt. Op 22/08/2005 hebt U integraal bevestigd dat U in het verleden Uw prestaties niet altijd correct hebt geregistreerd bij het slachtshuis LINTOR. Op basis van deze feiten heeft de evaluatiecommissie beslist dat U niet over de vereiste geschiktheid beschikt om met het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen een overeenkomst aan te gaan tot het uitvoeren van taken voor het Voedselagentschap. Uw kandidatuur wordt bijgevolg niet in aanmerking genomen. De evaluatiecommissie heeft zich bij haar beslissing vooreerst laten leiden door de vaststelling dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen geen contract kan aangaan met personen die niet doen blijken van de nodige integriteit en het ongeschonden vertrouwen dat moet kunnen gesteld worden in personen die deelnemen aan de uitoefening van het openbaar gezag. Dit is des te meer het geval in de mate dat de feiten juist werden vastgesteld in IX-5279-3/12 de uitoefening van de openbare controletaken die U thans voor rekening van het Agentschap uitvoert. Vervolgens heeft de evaluatiecommissie zich laten leiden door het belang dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen hecht aan de bescherming van de geloofwaardigheid van het agentschap ten opzichte van de maatschappij. (...) Zoals voorzien in het bovenvermeld KB blijft u uw huidige opdrachten verder zetten tot de Heer Piet Vanthemsche, Gedelegeerd Bestuurder u bij gemotiveerde beslissing het einde van uw opdracht betekent.” 1.7. Met een brief van 10 november 2005 tekent verzoeker bij de gedelegeerd bestuurder van het FAVV bezwaar aan tegen de voornoemde beslissing. Hij verwijst daarbij naar een schrijven met bijlagen van de AV-DMO van het slachthuis LINTER, waarin deze omstandig uiteenzet waarom de administratie op grond van de verklaring die hij op 22 augustus 2005 ondertekende tot haar “verregaande conclusie” kon komen. Hij stelt dat de registratie van de aanwezighe- den volgens het systeem dat in het slachthuis LINTOR gehanteerd wordt, “helemaal geen correcte weerspiegeling is van de aanwezigheid van de dierenartsen-keurders” omdat het systeem gebreken vertoont en manipuleerbaar is, dat de printgegevens onrechtmatig verkregen zijn bij de exploitant die daarmee de wet op de privacy overtreden heeft, dat de controlemethode “ongekend (
- is)en niet strookt met de normale regels voor de controle van de prestaties en dat zij ongelijkwaardig is in vergelijking met controles in de andere slachthuizen” en dat het niet opgaat dat een slachthuis de keurders op hun aanwezigheid controleert. De AV-DMO benadrukt voorts dat de verklaring van 22 augustus 2005 een compromis betreft waarbij het bestuur de zaak als afgehandeld beschouwde in ruil voor het laten vallen door de keurders van hun vergoeding voor de maand juni 2005. Voor het overige wijst hij erop dat hij steeds als integere keurder opgetreden is, en dat de beslissing van de PCE hem discriminatoir behandelt (de vorm van de controle die alleen in het slachthuis LINTOR is gebruikt; het aanvaarden van andere keurders die in het verleden reeds geschorst werden; het aanvaarden van dierenartsen die door de Orde der Dierenartsen voor minder dan 3 maanden geschorst zijn). 1.8. Op 22 december 2005 wordt verzoeker door de beroepscommissie van het FAVV gehoord. Het verloop van de zitting, de beraadslaging en de beslissing van dit adviesorgaan is in het zittingsverslag als volgt genotuleerd: IX-5279-4/12 “(...) De heer Guy Rigaux (...) licht zijn bezwaren toe: Ik begrijp niet waarom ik hier voor de beroepscommissie moet verschijnen. Het document dat ik ondertekend heb slaat op feiten van het jaar 2000. Ik heb daarvoor reeds een sanctie van 1 maand schorsing opgelopen en kan derhalve geen tweede maal een schorsing krijgen. Ik word beoordeeld op een feit van 5 jaar terug waarop ik onder chantage van het PCE-Hoofd iets dien te ondertekenen om andere collega’s te sparen. Ik wens klaar en duidelijk te horen welke elementen erop wijzen dat ik niet integer ben. Ik herhaal dat ik deze bekentenis ondertekend heb voor het feit van het jaar 2000 en dat er geen specifieke verwijzing is naar nieuwe feiten. Ik druk mijn misprijzen uit voor het FAVV en de onbenullen van deze beroepscommissie en wens in de toekomst niet meer voor het Agentschap te werken. Beraadslaging van de beroepscommissie. De heer Guy Rigaux verwijst in zijn bezwaarschrift van 10 november 2005 naar de brief van 8 november 2005 met bijlagen van de heer Guy Van Aelst. In tegenstelling tot hetgeen vermeld is in deze brief van 8 november 2005, is het intern onderzoek van de Provinciale Controle Eenheid Antwerpen, bij aanvang niet gebaseerd op de outprints van de elektronische registratie via badges van het slachthuis Lintor. Uit geen enkele reglementaire tekst of instructie blijkt dat de registratie van de uren via het registratiesysteem van het slachthuis dient te gebeuren. Instructies van het hoofd van de Provinciale controle-eenheid van 9 augustus 2000, 2 juni 2003 en 17 augustus 2005 vormen het bewijs van het tegendeel. Het onderzoek is aangevat ingevolge mondelinge aanwijzingen van met opdracht belaste dierenartsen die in dit slachthuis werkzaam waren. Deze aanwijzingen lieten vermoeden dat in het slachthuis Lintor onder de dierenartsen afspraken werden gemaakt ten gevolge waarvan niet alle dierenartsen die als aanwezig ingeschreven waren, ook effectief op dat ogenblik reeds aanwezig waren. Hierdoor konden prestaties gefactureerd worden die niet geleverd waren. Deze aanwijzingen zijn naderhand bevestigd door het document dat de heer Guy Rigaux op 22 augustus 2005 heeft ondertekend. Het Agentschap is gerechtigd toezicht te houden op de correcte besteding van de gemeenschapsgelden die voor de uitvoering van zijn opdrachten ter beschikking worden gesteld. Het is gerechtigd om daartoe gebruik te maken van elke informatie die een bewijs kan vormen van gesignaleerde misbruiken. Het aangehaalde in de voormelde brief van 8 november 2005 over het elektronisch registratiesysteem van het slachthuis Lintor en door de heer Guy Rigaux herhaald tijdens de hoorzitting, is dan ook niet terzake dienend. De bewering in de voormelde brief van 8 november 2005 dat de schuldbekentenis van 22 augustus 2005 onder druk is ondertekend - de heer Guy Rigaux heeft het tijdens de hoorzitting over chantage - , is niet geloofwaardig. Door de ondertekening van de schuldbekentenis geeft de heer Guy Rigaux toe dat er prestaties aangerekend zijn die niet werden geleverd. Iemand die steeds zijn prestaties correct invult zou dit niet doen en zou geen maandwedde onterecht afstaan om, bij wijze van “pragmatische oplossing” zoals in de brief van 8 november 2005 aangehaald, de zaak te besluiten. De beroepscommissie is daarenboven van oordeel dat, indien druk zou zijn uitgeoefend, het onbegrijpelijk is dat de betrokkene geen contact heeft opgenomen met de hiërarchische meerderen van het hoofd van de Provinciale Controle Eenheid Antwerpen. Verder is in de brief van 8 november 2005 ten onrechte gesteld dat de beslissing van de evaluatiecommissie een buitensporige sanctie is omdat zij neerkomt op een levenslang niet in aanmerking komen om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap. De beslissing van de Evaluatiecommissie heeft IX-5279-5/12 enkel betrekking op de kandidatuur waarvoor de oproep is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005 en niet voor de toekomst. Wat tenslotte het compromis betreft waarvan sprake in de notulen van het directiecollege van de PCE Antwerpen van 30 augustus 2005 en waarnaar verwezen wordt in de voormelde brief van 8 november 2005, vestigt de beroepscommissie er de aandacht op dat de schuldbekentenis en het onlosmakelijk eraan verbonden afzien van de vergoeding van de prestaties in het slachthuis Lintor voor de maand juni 2005, enkel bedoeld is als een forfaitaire terugbetaling van de ten onrechte aangerekende prestaties in het verleden. De ondertekening sluit geenszins uit dat aan de zaak geen enkel verder gevolg meer kan worden gegeven. Er was dan ook geen reden om bij de evaluatie met de vastgestelde feiten geen rekening te houden. De beroepscommissie twijfelt op geen enkel ogenblik aan de mogelijkheden van de heer Guy Rigaux als keurder. Bij de evaluatie wordt ook rekening gehouden met de integriteit van de betrokkene. Voor het Voedselagentschap is de integriteit van de mensen die voor haar werken van levensbelang en verschillende elementen wijzen erop dat de heer Guy Rigaux niet aan deze vereiste voldoet. Vooreerst is er de ondertekening van de schuldbekentenis van 22 augustus 2005 die een afdoend bewijs vormt dat door de heer Guy Rigaux prestaties werden aangerekend die niet geleverd werden. Vervolgens leidde de aanhoudende agressieve houding van de heer Guy Rigaux ten opzichte van de leden van de beroepscommissie op het einde van de zitting tot een algemene minachting voor het Voedselagentschap en de leden van de beroepscommissie. Bij het verlaten van het lokaal waar de zitting plaats had, verklaarde betrokkene trouwens zelf niet meer voor het Voedselagentschap te willen werken. Tenslotte is na de zitting de heer P. Naassens, hoofd van de Provinciale Controle Eenheid Antwerpen aan de lift op de 21e verdieping in het bijzijn van een personeelslid van het Bestuur Controle verbaal bedreigd geworden. De heer P. Naassens heeft hierover klacht ingediend en van de getuige werd een verhoor afgenomen. Een afschrift van de klacht en van de verklaring van de getuige is als bijlage bij deze beslissing gevoegd. Deze documenten maken integraal deel uit van deze beslissing. Op basis van bovenvermelde motieven is de beroepscommissie van oordeel dat de heer Guy Rigaux niet over de vereiste integriteit beschikt en dat het Voedselagentschap omwille daarvan geen overeenkomst kan afsluiten met betrokkene. Beslissing. De bezwaren van de heer Guy Rigaux tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, worden niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen ongewijzigd en komt de heer Guy Rigaux niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. (...)” 1.9. Bij schrijven van 26 januari 2006 deelt de gedelegeerd bestuurder aan verzoeker mede: “(...) In uw schrijven van 10 november 2005 hebt u, bij toepassing van artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de IX-5279-6/12 Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005), bezwaren kenbaar gemaakt bij de Gedelegeerd Bestuurder van het Agentschap tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen om U niet in aanmerking te nemen voor het uitvoeren van taken voor het Voedselagentschap. Op 13 december 2005 werd u per aangetekend schrijven uitgenodigd om gehoord te worden door de beroepscommissie op 22 december 2005. U hebt op 22 december 2005 inzage kunnen nemen in uw dossier. Op 22 december 2005 heeft de beroepscommissie van het Voedsel- agentschap u gehoord waarbij u de gelegenheid had uw bezwaren toe te lichten. Na beraadslaging heeft de beroepscommissie het volgende advies gegeven: er zijn geen redenen om de beslissing van de evaluatiecommissie te herzien om u niet in aanmerking te nemen als zelfstandige dierenarts voor het uitvoeren van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Daarom heb ik beslist om uw bezwaar niet te aanvaarden en blijft de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd. Daarenboven hebt u tijdens de zitting zelf verklaard niet meer voor het Agentschap te willen werken. U vindt in bijlage de gemotiveerde beslissing van de beroepscommissie. (...)” Van deze beslissing wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging gevraagd. 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 4, 5 en 9 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna: de privacywet), van het vertrouwens- en het fair-playbeginsel en van de materiële motiveringsverplichting, doordat zijn kandidatuur wordt afgewezen op grond van de schuldbekentenis die hem werd voorgesteld als een dading en die in ieder geval werd afgedwongen op grond van onjuiste en onnauwkeurige informatie welke zonder zijn toestemming was geput uit het elektronisch registratiesysteem in het slachthuis Lintor; dat hij het middel als volgt toelicht: - eerste onderdeel: artikel 2 van de privacywet garandeert hem de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer ten aanzien van de verwerking en het vrijgeven van informatie die op hem betrekking heeft, hetgeen de electronische registratie van zijn aanwezigheid in het slachthuis is; volgens artikel 4, § 1, 2/, van dezelfde wet mogen IX-5279-7/12 persoonsgegevens enkel verwerkt worden in het kader van de doelstelling waarvoor zij zijn verzameld en in dit geval dient de registratie in het slachthuis voor de registratie van de werknemers en de beveiliging tegen diefstal en braak en niet voor de tijdregistratie van de keurders; artikel 5 beperkt de gevallen waarin persoonsgegevens kunnen verwerkt worden en het besproken geval hoort daar niet bij; artikel 9 verplicht de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens om aan de betrokkene een minimum aan informatie te geven -onder meer met betrekking tot de finaliteit ervan- en ook dit is hier niet gebeurd; de verwerende partij kan niet ernstig voorhouden dat de registratiegegevens van het slachthuis “niet meegespeeld hebben bij de evaluatie van de kandidatuur”, aangezien deze gegevens werden opgevraagd bij de keurders en aan het slachthuis, aangezien het proces-verbaal van de directievergadering van de PCE van 30 augustus 2005 uitdrukkelijk verwijst naar de out-print van de maand juni 2005, aangezien de verwijzing naar “mondelinge aanwijzingen van (keurders)” nietszeggend en weinig concreet is en aangezien de keurders wier prestatiestaten min of meer overeenstemden met de registratie geen schuldbekentenis hebben moeten ondertekenen en zij ook in januari 2006 verklaard hebben dat verzoeker geen onregelmatigheden heeft begaan maar dat de verwerende partij daar geen acht op geslagen heeft; - tweede onderdeel: het bestreden besluit kan geen grondslag vinden in de schuldbekentenis van 22 augustus 2005, aangezien die verklaring steunt op onrechtmatig verkregen gegevens en bovendien werd afgedwongen; daarenboven is die schuldbekentenis eigenlijk een dading waarop de verwerende partij nu niet meer kan terugkomen zonder het vertrouwensbeginsel en het fair-play-beginsel te schenden; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: - met betrekking tot de schending van de privacywet: het administratief dossier bevat geen gegeven waaruit blijkt dat de printings van het slachthuis -die overigens niet illegaal verkregen werden- de grondslag vormen voor het bestreden besluit, het besluit zelf verwijst er ook niet naar en bijgevolg kan het opvragen en verkrijgen van de lijsten hier niet tegen de verwerende partij worden gebruikt; - met betrekking tot de schuldbekentenis: uit niets blijk dat de schuldbekentenis onder dwang ondertekend werd; het ondertekenen van deze bekentenis en het afstaan van vergoedingen kan niet gezien worden als een garantie voor de verdere samenwerking tussen verzoeker en het FAVV, aangezien daarvoor eerst een procedure gevolgd moet worden waarbij het gebeurde betrokken kan worden als een element om de IX-5279-8/12 geschiktheid en de integriteit van de kandidaten te beoordelen; de schuldbekentenis is overigens geen dading omdat er alleen sprake is van een verbintenis van de keurder; 3.3.1. Overwegende dat het bestreden besluit betrekking heeft op de beoordeling van de kandidatuur van verzoeker voor het uitvoeren van keuringsopdrachten voor het FAVV; dat uit het administratief dossier blijkt dat, met het oog op die beoordeling, de verwerende partij rekening gehouden heeft met de gebeurtenissen uit 2005, waarin zij het bewijs vindt dat verzoeker, doordat hij toen niet-geleverde prestaties aangerekend heeft, thans niet over de vereiste integriteit beschikt om opdrachten voor het FAVV te vervullen; dat het middel in wezen aan de orde stelt dat de verwerende partij, wegens het niet behoorlijk bewezen zijn van het aan hem gerichte verwijt, niet rechtsgeldig heeft kunnen aannemen dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor inschrijving op de lijst van dierenartsen die met opdrachten kunnen worden belast; 3.3.2. Overwegende dat, los van de vraag of de verwerende partij zich bij de afwikkeling van die gebeurtenissen in 2005 rechtsgeldig heeft kunnen steunen op gegevens die haar mogelijk met schending van de privacywet ter kennis waren gebracht, de Raad van State vaststelt dat het verzet van verzoeker tegen het optreden van de verwerende partij altijd -zijn brieven van eind juli en 8 augustus 2005 aan het FAVV-Antwerpen en van 8 augustus 2005 aan de slachthuisuitbater, alsook de verwijzing naar het schrijven van de AV-DMO in zijn verweerschrift van 10 november 2005 voor de beroepscommissie vormen daarvan het bewijs- gericht geweest is tegen de bewijsgegevens waarmee de verwerende partij het onregelmatig invullen van zijn prestatiestaten aantoonde -hij nam steeds het standpunt in dat het gebruik van de registraties door de slachthuisuitbater geen rechtsgeldige vaststelling van aan- en afwezigheden toeliet-, en dat hij derhalve nooit betwist heeft dat zijn prestatiestaten inderdaad niet overeenstemden met de werkelijkheid; dat hij precies daarover ook met het bestuur een vergelijk bereikt heeft en afgezien heeft van zijn vergoedingen voor de maand juni 2005; dat die vaststellingen voor de Raad van State volstaan om te besluiten dat de verwerende partij, in het kader van de hier aan de orde staande besluitvorming, de betreffende gegevens in aanmerking kon nemen; dat in die omstandigheden de vraag naar de miskenning van de privacywet, zoals door verzoeker aangevoerd, niet dienstig betrokken kan worden bij het onderzoek van de wettigheid van de bestreden beslissing, die voortbouwt op de vaststelling dat verzoeker onjuiste aanwezigheidsstaten opgemaakt heeft; IX-5279-9/12 3.3.3. Overwegende dat verzoeker stelt dat het vergelijk van 22 augustus 2005, dat de verwerende partij vooropgesteld heeft als het formeel bewijs van de feiten waarop de bestreden beslissing steunt, afgedwongen werd of minstens dat het verkregen werd door hem verkeerd in te lichten over de draagwijdte ervan; Overwegende vooreerst, dat de wijze waarop de partijen een oplossing gegeven hebben aan het gerezen geschil over de vergoeding van de door verzoeker geleverde prestaties, geen belang vertoont ten aanzien van de vraag of verzoeker wel correct gehandeld heeft; dat immers, zoals hiervoor vastgesteld, verzoeker nooit betwist heeft dat hij zijn prestatiestaten op een voor hem voordelige wijze opgesmukt heeft; Overwegende in ieder geval dat, wat de uitgeoefende dwang betreft, verzoeker niet verder komt dan te stellen dat de verwerende partij hem gewezen heeft op de juridische mogelijkheden waarover het bestuur beschikte om het onjuist invullen van de prestatiestaten te sanctioneren; dat zulks evenwel geen dwang uitmaakt, in de zin dat de morele druk die ervan uitging van die aard was dat hij niet kon weigeren op het aanbod in te gaan; dat, wat betreft de vermeende belofte dat er onder geen enkele omstandigheid in de toekomst nog naar de problematiek verwezen zou worden, het bestaan van dergelijk engagement geenszins uit het dossier blijkt, gesteld overigens dat verzoeker zou aantonen dat dergelijke belofte hem echt door een daarvoor bevoegd orgaan van het FAVV zou gedaan zijn en, meer in het algemeen nog, dat het bestuur in het kader van zijn opdracht om het algemeen belang te behartigen, wel regelmatig dergelijk engagement zou kunnen aangaan; dat uit het administratief dossier blijkt dat het bestuur zich enkel geëngageerd heeft om het bestaande geschil met verzoeker te beëindigen en om de actuele verhoudingen er niet door te laten bezoedelen; 3.3.4. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven met bijzondere opdrachten kunnen worden belast juncto artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van de artikelen 3, 6 en 8 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, van artikel 10 van de raamovereenkomst, evenals van de IX-5279-10/12 materiële motiveringsverplichting; dat hij van oordeel is dat de beroepscommissie, ondanks de gunstige beoordeling van zijn professionele kwaliteiten, zijn bezwaar verworpen heeft wegens “normvervaging” terwijl de criteria waaraan de kandidaten moeten voldoen vastgesteld zijn in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004; dat zijn toelichting bij het middel als volgt kan samengevat worden: de voorwaarden van toelating zijn opgenomen in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 en daarbij voegen zich de voorwaarden vermeld in de raamovereenkomst en de evaluatiecriteria opgenomen in artikel 6 van hetzelfde besluit (ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid); die voorwaarden stemmen grosso modo overeen met de voorwaarden die in de bestaande regeling de beëindiging van de samenwerking mogelijk maakten; verzoeker voldoet aan alle reglementair vastgestelde voorwaarden; de evaluatiecommissie kan bij haar beoordeling geen doorslaggevend belang hechten aan een criterium dat niet reglementair als een selectiecriterium naar voren is geschoven en dat -ook niet binnen de discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover de commissie beschikt- niet aangewend kan worden om de samenwerking te beëindigen; in die zin vormt het bestreden besluit een tuchtmaatregel waarbij zijn uitsluiting van verdere opdrachten voor het FAVV gezien moet worden als een schorsing voor onbepaalde duur; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in essentie betoogt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 de voorwaarden bepaalt waaraan de kandidaten moeten voldoen om opdrachten van het FAVV te vervullen maar dat het voldoen aan die voorwaarden niet betekent dat de kandidaten automatisch aanvaard moeten worden, dat verzoeker ten onrechte het bestreden besluit begrijpt als het eenzijdig beëindigen van de bestaande samenwerking en dat de in aanmerking genomen onregelmatigheden uit het verleden in aanmerking genomen kunnen worden als bewijs van de ongeschiktheid van de kandidaten waarover de evaluatiecommissie overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 zich moet uitspreken; 4.3. Overwegende dat de beroepscommissie in haar advies gewag maakt van een gebrek aan integriteit; dat zij dit gebrek aan integriteit onder meer linkt aan het niet-correct invullen van de aanwezigheidsstaten; Overwegende dat artikel 3 van het besluit van 20 december 2004 de evaluatiecommissie verplicht om de kandidaten te weren wanneer zij zich in de IX-5279-11/12 daar omschreven situatie bevinden; dat, daarnaast, artikel 6 van hetzelfde besluit, waar het de evaluatiecommissie en de beroepscommissie opdraagt de kandidaturen te controleren op basis van hun ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid, aan de commissie een zeer ruime discretionaire beoordeling laat; dat inzonderheid het criterium “geschiktheid”, zo algemeen geformuleerd als het is, de commissie de mogelijkheid biedt een kandidaat te weren waarmee het bestuur negatieve ervaringen heeft; dat negatieve ervaringen op het vlak van het invullen van de aanwezigheidsstaten voldoende zwaarwichtig zijn om te besluiten dat de betrokkene niet geschikt is om in de toekomst met het bestuur samen te werken; dat het tweede middel niet ernstig is; 5. Overwegende dat geen van de door verzoeker ingeroepen middelen ernstig wordt bevonden, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5279-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.494 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div