← België

Arrest 162578 - - 21/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.578 Rolnummer: A. 100046/VII-23161 Zaak: Arrest 162578 - - 21/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 04:25 Fiche Arrest nr 162.578 van 21 september 2006 - Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.578 van 21 september 2006 in de zaak A. 100.046/VII-23.

  1. In zake : de b.v.b.a. VERHEYEN JOZEF - AFBRAAKWERKEN, die woonplaats kiest bij advocaat J.-E. VAN DAMME, kantoor houdende te OELEGEM, Kerkstraat 2 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. tussenkomende partij : de v.z.w. HEEMKUNDIGE KRING DE BRAKKEN, p/a voorzitter Walter VAN DER AVERT, wonende te RANST, Berkenlaan 2, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. VERHEYEN JOZEF AFBRAAKWERKEN op 2 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 16 november 2000 waarbij de beroepen, door derden ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst van 23 mei 2000 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. J. VERHEYEN voor de exploitatie van een inrichting voor afbraakwerken, gegrond wordt bevonden, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 mei 2001; Gelet op de beschikking van 15 mei 2001 die de tussenkomst van de v.z.w. HEEMKUNDIGE KRING DE BRAKKEN toelaat; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; VII-23.161-1/3 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 21 april 2006; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het aangetekend schrijven van de verzoekende partij van 12 juli 2006, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 14 september 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-E. VAN DAMME, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; VII-23.161-2/3 Overwegende dat de verzoekende partij binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend; dat krachtens die wetsbepaling te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; Overwegende dat de verzoekende partij ter zitting niet aantoont -zelfs niet aanvoert- dat zij ingevolge overmacht niet bij machte was een verzoek tot voortzetting in te dienen; dat er aldus geen redenen zijn die de toepassing van de voormelde bepalingen in de weg staan, BESLUIT: Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en zes, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.161-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.